Hé, dat wist ik niet...

Tips en wetenswaardigheden
Gebruik het vaartips-zoekveld wanneer je iets niet kunt vinden.
Geen zoekveld? Klik dan op het huisje (home) rechtsboven.

P

Paalmast Een mast, waarvan de verschillende onderdelen, de ondermast en de stengen, niet uit afzonderlijke delen, maar uit één stuk kernhout van een boomstam bestaan. Er waren zelfs schepen waarvan de gehele mast uit één stuk bestond. De zeer fraaie, snelle chebek van de Middellandse Zee met twee of drie masten en het Hollandse katschip zijn voorbeelden, men noemde dat polakker-getuigd.
Naarmate masten groter werden en het steeds moeilijker werd aan geschikte bomen te komen ging men over op samengestelde of gekluchte masten. De mast werd uit afzonderlijke delen hout samengesteld. In eerste instantie gekuipte masten, waarvan de planken net als bij een ton door kuipbanden bij elkaar gehouden werden, of in vroeger tijden door woelings. Een hoogwaardig stukje vakmanschap, weersbestendige lijmen bestonden immers nog niet. Men gebruikte bij voorkeur goed gewaterd kwartiers hout dat minder krimpt of scheluw trekt. "Kwartiers" hout betekent dat de planken van buiten naar binnen richting kern uit de stam zijn gezaagd. Naarmate de lijmsoorten beter werden kon men volhout gelijmde masten maken. Zo'n mast bleek stijver te zijn dan een paalmast. In het midden van de 19e eeuw kwam een derde versie, de hol verlijmde mast, hoewel op de plaatsen van het mastbeslag nog steeds volhout werd toegepast om de bevestiginggsbouten genoeg houvast te geven. Verwant: mast en rondhout schaven.
1. paalmast
2. gekuipte mast
3. volhout gelijmde mast
4. hol verlijmde mast
5. hol verlijmde mast
Paalkist Oorspronkelijk de kist, later het fonds, waarin het paalgeld of ankergeld werd bewaard. Uit dit fonds werden de te nemen veiligheidsmaatregelen voor de scheepvaart, als het leggen van bakens en het plaatsen van vuurtorens bekostigd. Enkhuizen had het recht van paalkist voor de toegangswegen tot de Zuiderzee; het moest de bakens, tonnen etc. onderhouden, maar mocht daarvoor van alle binnenkomende schepen zekere betaling eisen. Uit: Beschryvinge van de Oostindische Compagnie van Pieter van Dam.
Paaltje pikken Of paaltje lopen. De klappen die het schip krijgt doordat het met de boeg niet in een golfdal terecht komt maar alweer in de volgende golf. Ook wel stampen genoemd. Daarbij kan een spanning in het langsverband of voorschip ontstaan welke "hijgen" of "hijgspanning" genoemd wordt.
Paard Het loopstag onder de marsera's waar de matrozen op staan bij het opdoeken of uitbrengen van de zeilen, ook wel hengst genoemd. In de 17e eeuw paardelijn of  paarellijn. Winschooten verklaarde de woorden als volgt. Paard, paardelijn of hengst, omdat je er net als bij een paard op kan steunen. Paarellijn, omdat de lijn is als een parel, het puikje van een lijn van het fijnste hennep. De verticale hangers waarin het paard hangt heten springpaarden en de laatste bocht is het nokpaard.
Zie ook: windjammer, jackstay en uitenteren.
Peert. Zo noemen de zeevaarenden een touw, dat aan beide einden van de ree slap vastgemaakt is; het heeft veele knopen, waarop de bootsgezellen staan als ze het zeil inhaalen [NvW].
Pactouw Nee, geen paktouw. Het was de benaming voor particuliere handelsgoederen die door schepelingen - met name op China-reizen - aan boord meegenomen mochten worden. Van het Franse pacotille. Een andere benaming voor dat "klein koopmanschap" was voering.
Page Oude benaming voor een scheepsjongen bij de krijgsmacht ter zee, vergelijkbaar met een hutjongen bij de koopvaardij, ook wel hockeling (beginneling). De page was de laagste in rang aan boord, als je tenminste van rang kon spreken. Hij kwam nog onder de halfwas of loop, de half- of lichtmatroos. Zie ook bramzijgertje. Op de jongens was altijd wat te vitten. Altijd een grauw of een snauw, nooit een woord van waardering. Zolang je geen volmatroos was had je alleen maar plichten en geen rechten. Je werd voor de rotste klusjes ingezet: zo werd je immers zeeman. Lichtmatrozen en hutjongens mochten niet roken en zeker niet met de ouderen meepraten. Ze moesten altijd klaar staan als er iets werd gecommandeerd, zelfs als ze wacht-ter-kooi (slapen, vrije tijd) hadden. Volgens overlevering verdiende de page wel 18 hele guldens per jaar en wellicht is hieruit de benaming achttienguldensgast voor een grote dekzwabber ontstaan.
Bron o.a.: [VvdM].
Pakketboot
Pakschuit
Paling of aal?
Dit onderwerp omdat ik een visliefhebber ben. Nee, niet het vissen, maar het eten.
Hoe heet die vis eigenlijk; paling of aal? Volgens insiders zit het zo.
De paling zet op grote diepte haar eitjes af in de Sargasso-zee, nabij de Bermuda-eilanden, hoewel de plek nooit bewezen is. De larven trekken met de Golfstroom mee, richting Europesche kust. Dat duurt drie jaar. Inmiddels zijn ze uitgegroeid tot glasaaltjes. Ze zoeken de binnenwateren op met de bedoeling daar vele jaren te blijven. Tot in de meest afgelegen slootjes zijn ze te vinden, al moesten ze die soms gedeeltelijk over land bereiken. In deze periode zijn ze geelachtig van kleur en worden officieel aal genoemd. Eenmaal geslachtsrijp verandert de kleur. Op de rugzijde grijs-zwart, de buik wit. De ogen worden groter, noodzakelijk voor de aankomende trektocht door zee. In deze gedaante worden ze schieraal (schier in de betekenis van snel) of paling genoemd. De trek naar zee vindt plaats in regenachtige herfstnachten. Waar de fuiken of een dichtzet de doorgang belemmeren worden er nu veel gevangen. De paling die de zee bereikt moet flink gaan zwemmen, ditmaal tegen de stroom in, terug naar de verre Sargasso-zee. Aangenomen wordt dat daar na de paaitijd de paling sterft.

Biologisch is de naam dus duidelijk, maar een reclamebord "Gerookte aal" of "Gerookte paling" zal over het algemeen hetzelfde aanprijzen. De benaming verschilt van plaats tot plaats. Een kaartje in "Terminologie van Riviervissers in Nederland" laat zien dat de benaming "aal" vooral in de Noordelijke provincies wordt gebruikt. Groningen, Friesland, Drenthe, Overijssel en het Oostelijk deel van Gelderland. Beneden de rivieren en in Zeeland zal men over "paling" spreken. In de overige provincies worden de namen aal en paling naast elkaar gebruikt zonder verschil in betekenis. Het onderscheid tussen aal (geelachtig en mager) en paling (grijs-zwart met wit, geslachtsrijp, vet en klaar voor de trek) wordt alleen in het rivierengebied gebezigd: "Want aal die het zilverkleed of het trekkleed heeft aangenomen is paling". De visserman spreekt verder over bekwame paling of flauwe paling als aanduiding voor snel- of traag bewegende paling.

Wild gevangen paling, in de wandeling "IJsselmeerpaling", is verreweg het lekkerst, maar wordt door het op grote schaal wegvangen van glasaal (het broed) met uitsterven bedreigd en nog maar mondjesmaat aangevoerd. Er hangt dan ook een stevig prijskaartje aan. Het alternatief is de minder smakelijke kweekpaling. Het eenzijdige productievoer en mogelijk ook het troosteloos bassinzwemmen zou de oorzaak zijn. De viskweker kan niet anders omdat het natuurlijke organische voer van rivier- en slikbodem niet is na te bootsen. Maar dat de grote jongens daarna de smaak definitief verpesten door het gebruik van computergestuurde rookkasten, waar de paling eerst door een pekel- en rooksmaakbadje gaat en er smakeloos grijs uitkomt is jammer. Het spul wordt dan ook gefileerd verkocht. Kleinere bedrijven roken wel "ambachtelijk" en leveren aan de betere vishandel.
Eigenlijk is het kweken van paling de grootste boosdoener. Het is tot op heden onmogelijk om paling in gevangenschap te laten voortplanten. De palingkweek is dus afhankelijk van wilde glasaal. Het voornoemde wegvangen van duizenden kilo's glasaal voor de kweek  is vele malen erger dan reguliere palingvangst. Het glasaalbestand is historisch laag zegt het Wereld Natuur Fonds en minister Gerda van LNV beaamt dat. Ja, vind je het gek. De enige maatregel die overwogen wordt is een vangstverbod voor palingvissers. Dat schiet dus niet op. Het wegvangen van glasaal zou juist verboden moeten worden.
Bronnen [VdA], [TrN].
Verwant: haring, kibbeling, makreel, garnaal, talhout.

Palingboot
Palingschuit
(palingaak)
Schuiten die levende paling naar Engeland vervoerden. De schepen werden palingaak of op z'n Fries ielaeck genoemd. Het waren geen vissersschepen, maar handelsschepen en eigenlijk werd de naam gebruikt voor elk type schip dat deze handel bedreef. De paling kwam niet uit Holland, maar werd ingekocht en geladen bij de Oostzee en rechtstreeks naar Engeland vervoerd.
Pand Een door sluizen begrensd stuk vaarwater.
Panje Geteerd zeildoek.
Papegaaistok Min of meer als een boegspriet, maar dan aan de achterzijde hangend over het hek. Gebruikelijk bij zeilschepen met een ver naar achteren, of zelfs op het hek staande (bezaans)mast. Dit stuk rondhout dient om de schoot van een buiten het schip uitstekend zeil op te vangen en te leiden.
Parallel schakeling Door 2 of meer accu's parallel te schakelen wordt het vermogen (Ah) bij elkaar opgeteld. Het voltage blijft 12V. Parallel schakelen betekent dat de pluspolen doorverbonden worden en dat de minpolen doorverbonden worden. Stel 2 accu's van 12V 120Ah. Resultaat bij parallel schakelen: 12V 240Ah. Gebruik bij parallel schakelen accu's van hetzelfde merk en capaciteit. Het liefst ook van dezelfde productiedatum. Verwant: serieschakeling.
Pardoen Of perdoen. Oud woord voor een bakstag als ondersteunig van een steng. Samen met het stengewant dat niet verder loopt dan de marsrand zijn pardoens de steunkabels die de achterwaartse en zijdelingse verstaging vormen en helemaal naar beneden lopen om evenals de onderwanten op rusten te worden stijfgehaald.
Parlevinker
Een bevoorradingsscheepje voor hoofdzakelijk mondvoorraad, zeg maar de dagelijkse boodschappen. Parlevinkers (zoetelaars, kaaidraaiers) zijn verdwenen. Toen parlevinkers vanaf 1 januari 2003 geen belastingvrije pakketten meer mochten verkopen stopten de meeste van deze ondernemers. Van de laatste twee hield de "Marjan" uit IJmuiden het eind juli 2005 ook voor gezien, eigenaar Jos Cornelissen ging met pensioen en kon geen opvolger vinden. De enig toen overgebleven parlevinker "Time is Money" uit Belfeld stopte eind april 2008. De scheepjes waren nog steeds te herkennen aan een groen-wit geblokte rand boven of aan het boord ten teken dat het om een verkoper ging. Zo is verder in havenverordeningen vastgelegd dat bunkerboten een groen-wit geblokte rand boven een ononderbroken blauwe band moeten hebben; opkopers een rood-wit geblokte rand en roeiers een zwart-wit geblokte rand. Roeiers en vastmakers brengen trossen uit van grote zeeschepen naar boeien en meerpalen.
Part
Touwwerk dat door een talie of takel is geschoren noemt men een reep of runner. Bij een reep worden parten benoemd. Het deel waaraan getrokken wordt heet het halende part, het deel waarmee het blok vast zit heet het vaste part en het deel of de delen tussen de blokken worden lopende parten of loper(s) genoemd.
Patrijspoort
In vroeger eeuwen was een batterij(s)poort de vierkante geschutspoort in de scheepswand die kon worden geopend en waardoor de loop van een kanon naar buiten werd gestoken. "De Poorten, daar door de Vuur, en Vlamspuwende Ysere en Metaale Draaken, ten Stryden werden uitgevoerd" [v.Yk]. Het woord patrijspoort dat in geen enkele andere taal voorkomt is waarschijnlijk een "recente" verbastering, want in een woordenboek uit 1775 komt het nog niet voor. We vinden wel de benaming sabord. Patrijspoorten zijn kleine ronde openslaande ramen met een rand van koper of brons, aanvankelijk (begin 19e eeuw) voorzien van patentglas dat slechts een flauw licht doorliet. Een patrijspoort kan door zijn ronde vorm, geringe afmeting en knevelsluiting enorm veel waterdruk verdragen. Zeker de exemplaren met blindeerklep die op zeeschepen gebruikt worden (zie plaatje). De laatste jaren worden wel randen van aluminium of roestvast staal toegepast en in de moderne jachtbouw zelfs rechthoekige vormen met kunststof rand. Van de waterdrukbestendigheid moet dan echter niet te veel verwacht worden. Er zijn ook patrijspoorten die niet open kunnen, de benaming hiervoor is "lichtrand". Over het algemeen is het bij zelfbouw of restauratie moeilijk om een juiste maat patrijspoort te vinden. In Amsterdam aan de Javakade 73 ligt de spits Formosa  waar Petra Munneke de scepter zwaait. Haar handelsonderneming Chateauroux is gespecialiseerd in oude en nieuwe patrijspoorten. Geen vaste openingstijden, dus wel even van te voren een afspraak maken 020-4185663 of 0626-222586. Verder zijn er volgens mijn informatie slechts enkele bedrijven in Nederland die patrijspoorten op maat vervaardigen o.a. Het Anker in Schelluinen en constructiewerkplaats Van Wingerden in Vuren 0183-631555.
Paviljoen
Het verhoogd achterdek bij een platbodem, waaronder zich de woonruimte van de schipper bevond, waardoor paviljoenschepen een lage kruiphoogte hadden, o.a. paviljoentjalk en paviljoenaak. Het dak van het paviljoen was op gelijke hoogte met de verschansing om zo een lage doorvaarthoogte te realiseren. Men kende paviljoen-, staatsie-, staatsiepaviljoen- of gewoon open schepen. De staatsie is een constructie waarbij het boeisel grotendeels naar achteren en naar boven strookt, waarbij de onderzijden over de hekbalk lopen en de bovenzijden elkaar midscheeps raken, waardoor een driehoekige opening ontstaat, het hennegat, waar doorheen de helmstok binnenboord komt. Een staatsiepaviljoen had zowel een staatsie als een verhoogd achterdek.
Pavoiseren
Een traditionele bezigheid bij maritieme-, en visserijfestiviteiten. Vlaggetjesdag als opening van het haringseizoen is een sprekend voorbeeld. De in de (thuis)haven liggende schepen worden versierd met seinvlaggen en wimpels aan lijnen vanaf de boeg over de toppen van de mast(en) naar de vlaggestok op het achterschip. Er worden geen natievlaggen gebruikt. De bedoeling is dat de vlaggen enigszins gegroepeerd worden in rood, wit en blauw. Schepen pavoiseren nooit als ze varen. Bij de visserij volgde op vlaggetjesdag meteen buisjesdag. De vloot zeilde uit voor de nieuwe teelt en iedereen die zich maar bewegen kon, deed het varende volk uitgeleide.
Peiling
Wanneer je op ruim water buiten de vaargeul een rechte koers vaart kan het gebeuren dat een ander schip een kruisende koers volgt. Door het andere schip te peilen kan je vaststellen of het voor- of achterlangs zal gaan of dat beide schepen bij ongewijzigde snelheid op ramkoers liggen. Voor een peiling is het van belang dat je vanaf hetzelfde punt op dezelfde manier kijkt. Dat wil zeggen langs een bolder of een raamkozijn b.v. Elk vast punt op het schip is geschikt. Wanneer de volgende peiling naar voren schuift, zal het andere schip voorlangs gaan. Verschuift de peiling naar achteren dan gaat het achter langs. Wanneer de peiling hetzelfde blijft bestaat er gevaar voor aanvaring en zal één van beiden vaart moeten minderen of uitwijken. Art 6.17.7 van het BPR zegt hierover: "Indien de koersen van twee kleine motorschepen elkaar zodanig kruisen, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet, ingeval geen der schepen de stuurboordszijde van het vaarwater volgt, het schip dat van bakboord nadert voorrang verlenen aan het schip dat van stuurboord nadert". Verder geldt in deze situatie art 6.17.3: "klein wijkt voor groot".
Péniche De benaming peniche werd gebruikt voor een bepaald type driemast zeevaartuig en voor een spits, een Belgisch binnenschip.
Penteren Het werkwoord penteren is bij Van Dale niet te vinden. Eigenaardig, want scheepvaart en houtzagerij kennen het sinds eeuwen. Het is het aanhaken of vastmaken van iets onder of in het water  (boomstam, visnet, boomkor, anker e.d.) om het te bezorgen. Verwante woorden zijn penterbalk (kraanbalk, hijsbalk), penterbak (schuit in balkengat), penterhaak (ijzeren haak als werktuig om balken uit het water te halen) en penter of pentertalie (takel).
Petrejus Petrejus, Egbert Willem (geb. 28.2.1898), van 1956 tot 1964 conservator van het Maritiem Museum "Prins Hendrik" te Rotterdam. Auteur van de volgende maritieme werken: Model van de oorlogsbrik "Irene" (Hengelo 1946); De bomschuit, een verdwenen scheepstype (Rotterdam 1954); Scheepsmodellen, binnenschepen (Bussum 1964); The Dutch flute (Lausanne 1967); Oude zeilschepen en hun modellen (binnenschepen, jachten en vissersschepen), (Bussum 1971); Nederlandse zeilschepen in de 19e eeuw, (Bussum 1974). Bij de beschrijving van oude binnenvaartschepen en oude vissersschepen heb ik dankbaar gebruik gemaakt van zijn publicaties.
Pikbroek Benaming voor een matroos. Er kan zowel een leerlingmatroos mee worden bedoeld als een oudgediende. Men kende op scheepswerven ook de "pikjongen", dat was wel een leerling. Hij was het hulpje, dat o.a. de pik (pek) maakte en warm hield bij het kalfaten van schepen. De benaming van het Friese Pikmeer bij Grou heeft een andere oorsprong. "Dat woordje pik komt naar alle waarschijnlijkheid van peke of pik, de oude naam voor mattenbies", aldus het Grouster Shantykoor De Pikbroeken.
Pikhaak Tja, wie kent 'm niet. Het is de handige bootshaak bij kleine schepen, een stok met aan het eind een haak en aan het andere eind meestal een verdikking, de druif. Een handig middel om te gebruiken voor het vasthouden aan de wal, afduwen, of oppikken van in het water gevallen voorwerpen. Omdat aan de haak meestal nog een punt is aangebracht verdient het geen aanbeveling de pikhaak te gebruiken bij het "afhouden van" of "vastmaken aan" een ander schip.
Pilferage Scheepvaartterm voor diefstal uit de lading. Het her en der openmaken van verpakking en het stelen van een gedeelte van de inhoud.
Pinas
Pink
Pint Oude inhoudsmaat van 0,6 liter. Twee pinten was een mengel en vier pinten een stoop (2,425 liter).
Piratenvlag Zwarte vlag met wit doodshoofd en gekruiste beenderen. Zie Jolly Roger.
Pisbak De ruimte achter de kluisgaten waar de ankerkabel in lag. De naam wordt nog steeds gebruikt voor wat we tegenwoordig kettingbak noemen. De pisbak is voorzien van spuigaten zodat druipwater van de ankerkabel (nu ketting) en inkomend water van de kluisgaten kan worden afgevoerd. De pisbak diende in de VOC-tijd ook wel als stal voor varkens die meegevoerd werden voor consumptie. De Partij voor de Dieren bestond nog niet...
Verwant: koebrug.
PK/Kilowatt Het vermogen van een scheepsmotor wordt bij nieuwe motoren in kilowatts aangegeven. Veel watersporters gebruiken echter nog de vertrouwde PK eenheid. Nou ja, "vertrouwde"? Naar mijn weten kon je afhankelijk van de meetwijze verschillende waarden om de oren krijgen: De indicateurpaardenkracht (IPK), de vliegwiel- of  rempaardenkracht (REM PK), of de effectieve paardenkracht (EPK), die in de scheepvaart AS-PK werd genoemd naar het vermogen dat op de schroefas wordt overgebracht.
Voor een snelle ruwe omrekening kan je de volgende vuistregel hanteren.
kW naar pk: tel bij de kW's één derde van het getal.
pk naar kW: verminder het pk-getal met één vierde.
Wil je zuiver omrekenen, gebruik dan 1 pk = 0,736 kW of 1 kW = 1,36 pk
Voor een scheepsdiesel wordt als benodigd voortstuwingsvermogen om de rompsnelheid te kunnen halen wel de vuistregel van 4 tot 5kW per ton gewicht gehanteerd, hoewel het koppel eigenlijk belangrijker is. Voor buitenboordmotoren is 3kW per ton gebruikelijker.
Voor een startmotor is per kW ongeveer 1000 watt accucapaciteit nodig. Bij 12 volt is dat 83 ampère (bij 24 volt de helft). Een "normale" accu van 55 AH kan zo'n 450 ampere (CCA) startstroom leveren, genoeg voor een startmotor van 5kW.
Verwant: koppel en vermogen en elektrovaren.
Plakhout Geringschattende benaming voor multiplex, hechthout, fineer e.d.
Plané Door de speciale rompvorm kan een schip bij opgevoerde snelheid in plané gaan, planeren. Het schip verplaatst veel minder water en glijdt er praktisch over, waardoor hoge snelheden bereikt kunnen worden. Meestal gaat deze rompvorm ten koste van de bestuurbaarheid op lage snelheid. Het zoeken naar een juiste rompvorm en trim had in de twintiger jaren nogal wat voeten in de aarde. De Deense ontwerper John Plum was succesvol, sommige navolgers hadden minder succes met trim en camber (dwarsscheepse welving). Zie ook waterverplaatsing.

geslaagde plané

minder geslaagde plané

Planeeren: Zoo noemen de boekbinders het drukpapier door lymwater haalen, en maaken dat men er op schryven kan [NvW].

Platbodem Typisch Hollands schip met een plat vlak, zoals botter, schouw of aak, maar ook oude zeegaande schepen als fluit en galjoot. Er waren echter veel meer typen "platbomers" (platboomd, platbodemd of rogbord schepen).
Zie ook het overzicht rond- en platbodem jachten en oude scheepstypen.
Plecht Voor- of achterdek. Zie ook klapmuts.
Plei Bij een rivierdelta de vooruitstekende landpunt tussen twee armen van de rivier. [JvG].
Pleit
Plimsoll
Heeft niets te maken met watersport, maar toch vermeld als maritieme wetenswaardigheid.
De republieken Genua en Venetië schijnen, evenals de Hanze, in de Middeleeuwen reeds dwingende voorschriften te hebben gesteld ter voorkoming van te diep afladen van de schepen, maar deze voorschriften zijn nooit algemeen toegepast. Tot de "Merchant Shipping Act" in 1876 werd het afladen overgelaten aan het beleid en de goede zeemanschap van de kapitein. Deze werd, indien niet zelf eigenaar, sterk beïnvloed door de reder.
Samuel Plimsoll (1824 - 1898), een Engels parlementslid voortgekomen uit het gewone volk, hij was kolenboer, keerde zich tegen het misbruik van reders die onverantwoordelijk diep geladen maar hoog verzekerde schepen naar zee stuurden, zonder zich te bekommeren om het leven der opvarenden. Met zijn boek Our Seamen (1872) en zijn spraakmakende optredens in het Lagerhuis, wist hij publieke belangstelling op te wekken, hetgeen tot gevolg had dat in 1876 voornoemde act werd afgekondigd. Deze verplichtte de reders op hun schepen een merk aan te brengen dat de maximum diepgang aangaf waartoe een schip in zout water mocht worden geladen (Plimsoll merk). In Nederland uitwateringsmerk of maximum-diepgangsmerk genoemd, een merk dat aan stuurboord- en bakboordzijde ter halve lengte blijvend en duidelijk op de huid is aangebracht. Het geeft aan tot welk vrijboord een schip onder bepaalde omstandigheden mag worden afgeladen. Hiermee is dus de minimum uitwatering of wel het minimum vrijboord bepaald, van groot belang voor de zeewaardigheid van een schip.

Het Plimsollmerk wordt voornamelijk bepaald door de deklijn en een punt onder het midden van de deklijn op een afstand gelijk aan de voor het schip toegestane minimum zomeruitwatering, verticaal gemeten vanaf de bovenkant van de deklijn. Rond dit punt wordt een ring ingehakt met een buitenmiddellijn van 300 mm, die gesneden wordt door een horizontale lijn waarvan de bovenkant door het middelpunt van de ring gaat. De cirkel en alle lijnen behorend tot het uitwateringsmerk hebben een dikte van 25,4 mm (een inch). De uitwateringslijnen die de minimum uitwatering onder verschillende omstandigheden, jaargetijden en vaargebieden aangeven, zijn horizontale lijnen, 230 mm lang, loodrecht staande op een verticale lijn, 540 mm vóór het middelpunt van de ring.

De volgende uitwateringslijnen kunnen voorkomen (Nederlandse aanduiding):
Z - zomer zeewaterlijn. Deze lijn gaat eveneens door het middelpunt van de cirkel.
W - winter zeewaterlijn.
WNA - lijn voor de Noordatlantische Oceaan in de winter.
T - tropen zeewaterlijn.
ZW - zomer zoetwaterlijn. De afstand tussen Z en ZW is de extra inzinking die het schip in het lichtere zoetwater krijgt. Op een rivier kan men daarom veelal tot dit ZW-merk laden, daar het schip tot het zomermerk opkomt als het de riviermond heeft verlaten.
TZW - tropen zoetwaterlijn.

Bij speciale lading kunnen bovenstaande merken voorafgegaan worden door een extra letter (komt nauwelijks nog voor).
H - toevoeging voor houtvaart. De maximum diephang bij vervoer van deklasten hout onder verschillende omstandigheden en voor verschillende vaargebieden en jaargetijden. Voor verkrijging van het houtuitwateringsmerk moet het schip aan bepaalde voorwaarden voldoen. Een deklading hout geeft het schip aanvullend drijfvermogen, dus extra bescherming tegen de zee, waardoor een gereduceerde uitwatering kan worden toegestaan.
C - toevoeging voor passagiers- en troepenschepen, pelgrimsschepen en schepen met grote aantallen dekpassagiers.
D - toevoeging voor schepen die passagiers vervoeren in ruimten welke daarvoor zeer tijdelijk zijn ingericht.

Op zeilschepen behoeven alleen de uitwateringslijnen voor zoetwater en voor WNA te worden aangegeven. Het uitwateringsmerk (waartoe de deklijn ook behoort) moet in wit of geel op donkere achtergrond of in zwart op lichte achtergrond worden aangebracht aan beide zijden van het schip op een door de Scheepvaartinspectie goedgekeurde wijze. Wanneer de berekening van de uitwatering door de Scheepvaartinspectie is gedaan, worden naast de ring en boven de middellijn links een S en rechts een I geplaatst, wanneer de berekening door een erkend particulier bureau is gedaan, wordt de naam van het bureau op overeenkomstige wijze aangeduid door niet meer dan vier letters. Bijv. zoals op de afbeelding L en R: Lloyd's Register.
Bron: o.m. Maritieme Encyclopedie.

Pluut
Polyester repareren Schade aan polyester schepen kan tot op zekere hoogte zelf gerepareerd worden. De beschadigde plek of scheur goed laten drogen, ontvetten (aceton) en uitslijpen of fresen. Voor vulling kan glasvezelmat en polyesterhars gebruikt worden. Denk eraan de harder in de juiste verhouding aan de hars toe te voegen. Maak niet te veel in één keer aan. Gebruik voor het aanmaken een wijde bak, want de chemische reactie ontwikkeld veel warmte, die in een nauw potje niet weg kan, waardoor de hars bloedheet wordt en veel te snel uithardt. De reparatieplek insmeren met hars, het op maat gemaakte stukje mat in/op de beschadigde plek duwen en met een kwastje al deppend goed verzadigen. Eventueel meerdere lagen aanbrengen. Een volledige uitleg en materiaallijst is te vinden op de site van Brico. Veel mensen zweren bij het - duurdere - epoxy. Het krimpt niet, hecht beter en er komen geen schadelijke dampen vrij. Epoxyhars hecht echter niet aan glasvezelmat; gebruik in plaats daarvan geweven glasdoek. Beschadiging van de buitenzijde kan/dient afgewerkt te worden met een laagje gelcoat in de juiste kleur, meestal te verkrijgen bij de bouwer van het schip. Na afloop schuren met fijn waterproof schuurpapier en cleaneren/polijsten met Commandant nr 4. Zie ook de site van Dirk Barends en de onderwerpen verweerde verf en craquelé. Verwant: osmose.
Poon
Pogge
Ponton
Potdeksel Zie: gangboord.
Potschip
Praaien Komt van prejen (vèrspreken) Het zich met een ander schip in verbinding stellen door aanroepen (geluidsinstallatie, praai-installatie), seinen, of marifoon. Vroeger maakte men gebruik van een roeper, spreektrompet of spraakroer (megafoon). Met "praaien" wordt bij de marine ook het geven van commando's (b.v. roer- en stuurorders) bedoeld.
Praam
Praktijk vaarschool Kijk voor motorboot praktijkvaarscholen bij opleiding.
Voor zeilscholen op zeilschool.pagina.
Preekstoel Afzonderlijk, of soms enig aanwezige, stuk reling op de voorplecht van het schip. Op de achterplecht spreekt men van een hekstoel.
Presenning Presenning of brezeling. Dekkleed over de luiken van een vrachtschip om de lading tegen inwateren te beschermen. Het woord zou een verbastering van het Franse préceinte zijn. Presenningen worden gesjord, of geschalkt, d.w.z. met ijzeren (schalk)latten en houten keggen vastgezet. In de zeevaart ook wel afkeggen genoemd, terwijl men bij de marine over schalmen spreekt ("schalmen" als werkwoord en niet als kettingschakel). Als een laadruim van een binnenschip op gebruikelijke wijze is ingedeeld kennen we de volgende benamingen. Langsscheepse schotten (luikhoofden) heten denneboom of den, dwarsscheepse schotten heten schild. In langsscheepse richting ligt midden over de luikopening een schaarbalk en dwarsscheeps, maar soms langsscheeps over schaarbalk en denneboom liggen merkels (omgekeerde T), welke aan de bovenzijde doorgaans voorzien zijn van een goot om regen en/of buiswater af te voeren. Het geheel van luikranden, het draagvlak voor de luiken, wordt ook wel den genoemd.
Presenteren "Presenteren van het anker". Het laten vallen van het anker als hulpmiddel bij manoeuvres op rivieren en nauw vaarwater of in een haven wanneer machine of roerinstallatie weigert en de boot gestopt moet worden. Het zal bij ons pleziervaarders niet gauw voorkomen.
Prinswerk
Typische scheepsdecoratie die werd gebruikt op bepaalde Nederlandse vissersschepen en pleziervaartuigen, bestaande uit een smalle rand van afwisselend rode, witte en blauwe driehoeken. Het prinswerk  kon voorkomen op de beide klampen van het roer waarop de helmstok steunde en op de hennebalk (plaatje), maar ook op de bedelbalk en boven de toegangsdeur van het vooronder. Het Scheepvaartmuseum Amsterdam toont het model van een Smakschip met prinswerk over de gehele lengte van het boeisel. Het lijkt echter een interpretatie van de modelbouwer. In plaats van prinswerk werd op de balken of de kajuitfries ook wel kunstig snijwerk of een spreuk of rijmpje aangebracht, al of niet in kleur. Verwant: prinsegeus.
Propeller Andere naam voor scheepsschroef.
Propulsieroer De speciale getordeerde vorm van dit roer is ontstaan in de binnenvaart en heeft zijn naam te danken aan een verbetering van de propulsie. Niet alleen een verhoogd voortstuwingsrendement, maar ook betere manoeuvreereigenschappen en koersvastheid door een verminderde wielwerking. Deze laatste eigenschappen zijn inmiddels ook in de pleziervaart ontdekt, waar het roer met succes wordt toegepast als remedie tegen ongemanierdheid (het voortdurend uit koers lopen). Een standaard toepassing is niet te verwachten vanwege de hogere kostprijs. Dit was de reden voor schipper Pier Bruinsma om zo'n roer zelf te maken. Hij bereikte de gewenste tordering, het weserprofiel, door het roer uit verschillende - ten opzichte van elkaar verschoven - stroken op te bouwen. De naam "Weser" is ontleend aan de Duitse werf die dit ooit bedacht heeft. Hij noemt het "Een roer met een twist. Nu kan ik tenminste naar voren lopen om de mast te laten zakken terwijl het schip keurig op koers blijft".
Verwant: balansroer, roeruitslag, uit koers en vuistregel roerwerking.
   
Propulsieroer van Van der Velden "Weser-roer" van Bruinsma
Psalmboek Ook wel gezangboek. De steen, puimsteen (sponsachtige gestolde lava) of geel zandsteen, waarmee men op de knietjes het houten dek schuurde had de vorm van een psalmboek, of zoals de Engelsen zeiden een holystone. Een zwaarder "boek" (zo'n 25 kilo) was voorzien van een beugel met een stokhouder. Het werk kon dan staand gedaan worden. Bij dit eentonige karwei [psalmzingen, holystonen of kossokken] werd natuurlijk gezongen. Dat konden gewaagde zeemansliederen [shanties of fokselliederen] zijn, maar als de kapitein daar niet van gediend was werden luidkeels psalmen ten gehore gebracht, althans, zo wil de overlevering. Het "psalmen zingen" werd ook als straf voor lichtere vergrijpen gebruikt. Er mocht dan juist niet gesproken of gezongen worden.

Voorbij was de tijd van het psalmboek. Dit apparaat werd in 1953 op de City of Port Elizabeth in gebruik genomen.
Punter
Puts Een emmertje met in het midden van het hengsel een oog, waarin een touw, met aan het eind een sjouwerman, is gesplitst. Het putsen van water vergt enige behendigheid. Onder het varen dient de puts in de vaarrichting te water geworpen te worden en zodra de lijn rechtstandig naar beneden loopt weer opgehaald te worden. Als je daar langer mee wacht is het risico groot, dat de inmiddels volle puts uit je handen wordt gerukt. Stilliggend maakt het weinig uit hoe de puts geworpen wordt. Eenmaal te water laat een kort zijdelings rukje aan het touw de puts kantelen, waarna hij met een ferme zwier in één vloeiende beweging omhoog gehaald kan worden.
Vroeger kende men houten zout- en zoetwaterputsen en zeildoekse slagputsen (ameraals). De zoutwaterputsen waren van onder breed; de zoetwaterputsen smal met twee tegenover elkander staande duigen die langer dan de overige waren, om er de strop (het touwen hengsel) door te halen. Bij de zoutwaterputs was de strop strak over de bovenzijde doorgehaald. Dit verschil in stroppen had als reden dat het zoetwater "zindelijk" moest blijven, dus niet met de handen mocht worden aangeraakt; terwijl dit bij zoutwater van geen belang was. Verder werd bij zoutwaterputsen een halve sjouwerman als stopper gebruikt en bij zoetwaterputsen een hele. De zeildoekse putsen waren cilindervormig; de bovenrand meestal verzwaard met een met touw of zeildoek omwikkelde ring. De verzwaring was nodig om de opening van de puts eerder in het water te laten komen, waardoor hij meteen schepte. Vandaar de benaming slagputs.
Putting Een putting is het zwaar gefundeerde bevestigingsoog aan romp of dek voor het vastzetten van het want. Ook wel oogbout, rustijzer of slaper. Maar ook de vaste touw- of stangbevestiging onder een mars aan de mast of onder een rust aan de scheepswand.

 

Heel graag op- of aanmerkingen.

Op alle materiaal (layout, tekst en afbeeldingen) rust het auteursrecht van schipper Cees e.a.
Overname van artikelen of delen daarvan is slechts geoorloofd na schriftelijke toestemming.

Mocht je ondanks alle in acht genomen zorgvuldigheid menen rechten te kunnen ontlenen
aan in deze pagina gebruikt materiaal, laat de schipper dat dan zo spoedig mogelijk weten.

verantwoording