| Van oude motoren... |
|
|
De Amerikaan R. Fulton (1765-1815) bouwde in 1802 zijn eerste stoomboot ook al in Frankrijk, die echter tijdens een zware storm op de Seine verging. Met een tweede boot maakte hij in 1803 met succes een proeftocht en in 1807 liet hij in New York de 'North River Steamboat of Clermont' bouwen, waarmee gevaren werd tussen New York en Albany. De 'Clermont' werd hiermee het eerste stoomvaartuig dat, commercieel gezien, succes boekte. In 1809 werd de eerste reis van een stoomvaartuig op open zee gemaakt toen de in New York gebouwde 'Phenix' naar Philadelphia stoomde en daar begon met het onderhouden van een verbinding op de Delaware Rivier tussen Philadelphia en Trenton.
In Europa was de 'Comet' van Henry Bell in 1812 de eerste stoomboot die een commercieel succes werd. In Nederland deed stoom eveneens zijn intrede en wel met het ss 'Defiance'. Een dienst Rotterdam-Antwerpen werd ingevaren op 8 mei 1817 door het ss. 'Prins van Oranje', ex 'Orwell'. Deze eerste scheepvaartlijn heeft slechts enkele weken bestaan. Een Nederlandse rederij die echter wel succes had, dank zij de medewerking van koning Willem I, was Van Vollenhoven, Dutilh & Co, die in 1823 met het ss. 'Nederlander' een dienst begon van Rotterdam op Antwerpen v.v. Het ss. 'Wilhelmina', in 1821 in Engeland gebouwd naar ontwerp van G. M. Roentgen, was de eerste stoomveerboot en voer tussen Moerdijk en de Dordtse Kil.

De Comet, die publieke tripjes maakte op de Clyde tussen Glasgow, Greenock en
Helensburgh.
Het was een Nederlands schip dat in 1827 als eerste onder stoom de Atlantische Oceaan in beide richtingen overstak. Het was de stoompacket 'Curaçao', welke een reis maakte van Nederland naar West-Indië v.v. Hoewel het schip een driemast gaffelschoener was, werd de stoommachine dermate vaak gebruikt dat dit als de eerste stoomoversteek wordt beschouwd. Toch zijn historici het niet eens. In andere publicaties wordt de 'Sirius' genoemd als eerste schip dat met mechanische voortstuwing de Atlantische Oceaan overstak. De Sirius liep echter pas in 1837 van stapel. Lees ook het levensverhaal van Isambard Kingdom Brunel en zijn inbreng in de Atlantische wedloop vanaf 1837.

Zr. Ms. Stoompacket Curaçao.
Verbeteringen in de machines, zoals de compoundmachine en later de
triple-expansiemachine, toepassing van ijzer en later staal als materiaal voor de bouw van
schepen, de invoering van de schroef, en de opening van het Suezkanaal droegen ertoe bij
dat meer en meer stoomschepen de zeeën bevoeren en de taak van de zeilschepen overnamen.
Tegen het einde van de 19e eeuw kreeg het stoomschip concurrentie van het motorschip,
mogelijk gemaakt door de uitvinding van de dieselmotor door R. Diesel (1858-1913),
waardoor in de 20e eeuw het aantal stoomschepen geleidelijk kleiner werd. Toch had de
stoomvaart aan het einde van de 19e eeuw een nieuwe impuls gekregen door de uitvinding in
1884 van de turbine door C. A. Parsons (1854-1931). In 1894 werd de 'Turbinia' gebouwd met
een turbine voor de voortstuwing. In 1899 werden de eerste twee oorlogsschepen met
turbines uitgerust en in 1901 was de 'King Edward' het eerste koopvaardijschip dat door
een turbine werd voortgestuwd. Bij de stoomvaart werden de triple-expansie- en de
quadruple-expansiemachine geheel verdrongen door de turbine. De Maritieme Encyclopedie
vermeldt in 1972 dat de verhouding stoomschepen/motorschepen in de zeevaart toen nog
altijd ongeveer 40:60 was.
Links naar stoom: stoommachines,
stoomschepen, stoomsloepen.

Een stoker die het vuur gaande houdt. De tremmers erachter voeren kolen aan.
De waterinjectie
motor.
Rond 1910 kwam een aantal Scandinavische motorfabrikanten met
waterinjectie-motoren. Dat waren gloeikopmotoren waarin naast het brandstof-luchtmengsel,
water ingespoten werd. Op korte termijn leidde dit tot belangrijke
brandstofbesparing; de verbranding werd evenwichtiger, maar op langere termijn waren de
nadelen veel groter dan de voordelen. Zuiger en cilinder roestten binnen een jaar weg en
schepen die op zout water voeren moesten zoetwatertanks aan boord hebben die meer ruimte
innamen dan die voor stoomschepen! Na de Eerste Wereldoorlog werden dan ook nauwelijks nog
nieuwe injectiemotoren geplaatst. De 14 pk Kromhout waterinjectiemotor was
rond 1925 zo'n beetje de laatste. Maar de Scandinavische motoren hadden toch hun
marktaandeel veroverd: Met name Bolinder en Skandia zijn nu nog namen
met een bekende klank.
In september 2005 werd ik door bezoeker Simon J. de Waard op de vingers getikt. Hij
schrijft: "De informatie is niet geheel correct. Ik kan niets zeggen over de
historie, maar wel de aandacht vestigen op het feit dat motorenfabriek De Industrie nog in
1929 motoren bouwde met waterinjectie. Hoe ik dat weet? Omdat in mijn schip nog steeds een
motor staat met waterinjectie. Een Industrie 1IB6 van 35 EPK uit 1929, waarvan noch
cilinder, noch zuigerveren enige vorm van roest vertonen. Dat kan ook niet, want er kan
alleen water op worden gezet als de motor goed heet is. Anders slaat hij af of - als je
hem nog net op de gashandle kunt opvangen - de andere kant op. Lastig als je een sluis
invaart...".
Daarna viel tot 1940 weinig spectaculairs voor. Motorvermogens werden gestaag groter en kleine technische nieuwtjes bleven komen, maar de ontwikkeling schuifelde waar ze eens gesprongen had. Nederlandse motorenfabrieken hadden vooral in de zestiger jaren niet te klagen over vraag naar dieselmotoren. Gerenommeerde merken waren Kromhout, Stork, Brons, Werkspoor en de nog steeds tot de verbeelding sprekende langzaamlopende Industrie. Ze konden in latere decennia de concurrentie met buitenlandse merken niet volhouden en zijn vrijwel allemaal verdwenen.
| Samenvatting |
| Wie vóór 1914 tijdens de stoomvaart een motor kocht moest wel heel zeker van zijn zaak zijn. Als hij bij voorbeeld op een vaste route voer met een betrekkelijk klein schip, zoals de beurtvaart, kon het mogelijk rendabel worden. | |
| - | Tussen 1914 en 1920 zullen er waarschijnlijk niet veel motoren geplaatst zijn. |
| - | Tussen 1920 en 1930 werd de motor volwassen en viel er in de binnenvaart wat te verdienen. Schippers met moed, marktinzicht en ondernemingsgeest hadden vóór 1930 een motor. |
| - | In het begin van de crisistijd viel met een motor- of sleepschip meer te verdienen dan met een zeilschip. Maar of men zóveel meer geld aan de wal bracht dat rente en aflossing van een nieuwe motor eraf konden blijft de vraag. |
| - | Eigenaren van kleine schepen konden zich wegens de overcapaciteit in hun categorie zelden een motor veroorloven. Zij moesten zich op z'n best behelpen met een zijschroef of opduwer. |
Bewerking van artikelen uit de Maritieme Encyclopedie
[1972] en van Jan Sepp, Spiegel der Zeilvaart [1982].
Verder met dank aan Mouringh van der Vinne, Simon J. de Waard, Jan Verbiest, Johan Harmeijer en Roel van Veen.
|
|