kennisbank voor pleziervaart
         en scheepvaarthistorie
 
 

Hé, dat wist ik niet...
  Tips en wetenswaardigheden
Gebruik het vaartips-zoekveld wanneer je iets niet kunt vinden.
Geen zoekveld? Klik dan op het huisje (home) rechtsboven.
  A     B     C     D     E     F     G     H     I     J     K     L     M     N     O     P     Q     R     S     T     U     V     W     X     Y     Z  

H

Hagenaar
Hagjesdag De dag waarop het scheepsvolk vlees kreeg. Hag (lekker hapje) was een benaming voor vlees of spek. Na hagjesdag kon een Zaandammerdag volgen. Dan werden de restjes opgemaakt. De andere magere dagen werden kommerdagen genoemd.
Hak De onderzijde van het schroefraam, ook wel stevenzool,  waarop het roer steunt en de roerkoning in/op een taats draait. Oorspronkelijk de achterwaartse verlenging van een roerblad onder de waterlijn, zodat zonder schroefwater toch gemanoeuvreerd kon worden.
Halamiet Ook wel Halamid. Een bij de drogist en watersportwinkel verkrijgbaar ontsmettingsmiddel voor de drinkwatertank. Het dient toegepast te worden in een verhouding van 5 gram per liter water. Tenminste 24 uur laten staan. Goed naspoelen. Wil je daarnaast bij twijfel ook het drinkwater zelf desinfecteren (m.i. in Nederland bij regelmatig verversen niet nodig) gebruik dan een verhouding van 4 gram op 100 liter water.
Halen Het binnenhalen van visnet of het hieuwen van tros of ankerketting. Zie ook de uitdrukking op 't zeetje.
Halftij Zie getijwater.
Halfwinder Zeer grote bolgesneden (extra) fok. Wordt met matige wind op ruime en halfwindse koersen gebruikt. Zie fok.
Hals De ronde ring, kous of lus aan een touweind, maar ook het touw dat de onderloefpunt van een zeil neerhoudt. Zie schoot.
Halve wind Zie zeilstanden.
Handen De gepunte bladen van een anker worden handen of vloeien genoemd. Zie aldaar.
Handleiding Kijk voor handleidingen en/of werkplaatsboeken van populaire scheepsmotoren op de de motorensite van Piet Bos..
Handlood Handlood, schietlood of dieplood. Een uitstekend gereedschap om de waterdiepte te meten als je niet in het bezit bent van een dieptemeter. Bevestig een zwaar voorwerp (1-2 kilo) aan een stevige dunne lijn. Markeer de lijn op vaste door jezelf te bepalen afstanden en klaar is het handlood. Als je gaat loden, men noemde het peilen of zygeren, vergeet dan niet het uiteinde van de lijn vast te zetten. Een "echt" handlood is peervormig met onderin een gaatje, de ziel. Daar werd een kloddertje vet in gedaan waar bij ophalen wat grond aan bleef plakken, zodat men de bodemsoort kon bepalen. De vissers hadden zo'n goede kennis van de Noordzee dat zij daaruit konden opmaken, waar zij zich bevonden. Zie het gedichtje: plaatsbepaling op zee. Het loden werd ook wel gedaan met een slaggaard of plechtgaard, een stok met decimeterverdeling in verschillende kleuren, die tijdens varen rond gezwaaid werd en steeds weer tot de bodem in het water werd gestoken.
Hanepoot Een touw of ketting met een splitsing in twee of meer poten. Moet tegenwoordig natuurlijk als haneNpoot geschreven worden. Een hanepoot wordt b.v. gebruikt als spruitstuk voor de ophanging van een gaffel, of vroeger als bevestiging van een logplankje. Zie ook dodemansoog.
Hanze
Eigenlijk betekende hanze "coöperatie van vakbroeders", een gilde dus. Bekender echter is het samenwerkingsverband van individuele kooplieden die op vergelijkbaar  gebied handel dreven en daarbij in verschillende havensteden als agent of verscheper voor elkaar konden optreden. Van de vele hanzen die er waren kwam er één tot zeer grote bloei, namelijk de Noordduitse Hanze, die in de 12de eeuw in het machtige Lübeck ontstond. Deze Hanze groeide uit tot een internationaal verbond van steden die voor elkaars handelsbelangen opkwamen en zelfs niet schroomden die te vuur en te zwaard te verdedigen. Daarmee demonstreerden de rijke kooplieden dat zij gaandeweg het monopolie van oorlog en geweld aan de ridderstand ontfutselden.
Ook Nederlandse kooplieden sloten zich aan bij de Duitse Hanze en legden daarmee de basis van wat zou uitgroeien tot de "moederhandel" van de 17de-eeuwse welvaart: de Oostzeehandel. Steden als Groningen, Harderwijk, Deventer en Zwolle dankten voor een belangrijk deel hun handel aan de Hanze. Kampen, dat omstreeks 1300 Utrechts centrale plaats als schakel tussen de rivier- en zeehandel had overgenomen, bevond zich evenals Stavoren in de comfortabele positie dat het naar eigen goeddunken met de Hanze kon mee doen; het verbond had Kampen harder nodig dan andersom. Een sleutelrol in de Hanze-handel speelde het Zweedse eiland Schonen, dat zijn welvaart dankte aan de vruchtbare haringvisserij. Schippers uit de Nederlanden werden geacht van de stapelmarkt van Schonen hun handel te betrekken, de Hanze-leden konden belangrijke Baltische waren als graan en hout direct ophalen in de grote Hanze-steden als Lübeck. Ondanks het samenwerkingsverband werd in de aangesloten steden toch pondgeld (belasting) geheven van binnenkomende schepen. Verwant: koggeschip.
Hardloper Oorspronkelijk een snelzeiler, maar in de moderne betekenis een snel varende riviervrachtboot. In het bijzonder werd de Franse motor bedoeld. Het voor die tijd lange motorschip voer in de vijftiger/zestiger jaren op Duitsland en had een kenmerkend geluid. De 480pk Enterprise motor gaf in een bepaalde cadans brrm, brrm, brrm. Als kind spelend aan de strandjes van de Merwede was het feest als een hardloper voorbij kwam. De schepen veroorzaakten massieve golven. Je waande je heel even aan zee...
Harense punt
Haring

Als liefhebber van haring in al zijn bereidingsvormen, dus ook vers gebakken (panharing) of heet gerookt (gestoomd) als bokking, bokkum, strobokking, goudharing of Harderwijker, licht gerookt als bakbokking, of koudgerookt als kipper, harde Engelse- of spekbokking en oh ja, ook ingelegd of ingeblikt, dit lange en - ja, ik weet het - behoorlijk gekleurde mopperstukje over het gebrek aan vakkennis bij de verkoop van Hollandse Nieuwe of maatjesharing.

Vóór 1857 mocht de haringvangst pas op 24 juni beginnen omdat men oordeelde dat dan pas een goede kwaliteit geleverd kon worden. Tegenwoordig begint men veel eerder, maar de lekkerste haring is nog steeds de Koninginneharing van tweede helft juni, drie jaar oud en nog net niet geslachtsrijp. Dat is eigenlijk de enige echte Hollandse Nieuwe. Het vetgehalte is dan het hoogst (minimaal 16%), want daarna, tegen paaitijd, stopt de haring met eten en gebruikt de reservestoffen voor de voortplanting. Tweejarige haring wordt halve haring of sprot genoemd.
Die Hollandse Nieuwe is vroege maatjesharing (verbastering van maagdelijk?), een naam die wordt gebruikt voor alle haring die is gevangen in de periode eind mei tot eind juli (soms tot midden augustus, afhankelijk van de plek in de Noordzee) en werd vroeger ook wel licht gezouten als groene haring verkocht. In andere jaargetijden gevangen haring, volle (met hom of kuit) werd en wordt zwaarder gezouten en als zoute haring verkocht. De ijle (na het kuitschieten) is alleen geschikt voor marineren. "Ylen zijn gendagzeggers. Waar ylen gevangen worden houdt de visscherij op" zeiden ze in Vlaardingen. Haring was volksvoedsel nummer één. In de vijftiger jaren, ik woonde toen in Dordrecht, werd ik er door mijn moeder regelmatig op uit gestuurd om tien "vuile zoute" te kopen. De bremzoute haring werd een nachtje in water en melk gelegd om te ontzilten en daarna door haar schoongemaakt. In mijn herinnering niet bepaald een traktatie omdat menig graatje achterbleef. In juni/juli was het echter feest. Dan kwam de nieuwe/groene op tafel. Die was natuurlijk duurder en werd door de visboer bij aankoop schoongemaakt. Om met Toon Hermans te spreken "potverdories nog aan toe" wat was dat lekker. Het was ondenkbaar dat schoongemaakte haring al klaar lag.

Vroeger werd aan boord gekaakt. De onderkaak (vandaar de naam kaken, hoewel de tonnen ook kaken werden genoemd), kieuwen, maag, galblaas, lever ('t gelletje) en het voorste deel van de darm en darminhoud (meet) worden met één draaiende beweging van het kaakmesje verwijderd. De "portieraanhangselen" mogen niet verwijderd worden, maar moeten met een dun vliesje aan het vislichaam verbonden blijven. Bij het kaken zonder handschoenen stroomde de bijtende meet bij de kakers over de "vasthoudhand" (meestal links) en kon bij niet geharde handen vervelende huidonstekingen veroorzaken. Ze probeerden zich te wapenen met kamferspiritus en talkpoeder.
Daarna werd de vis licht gezouten, (het "warren", rondwentelen in een houten warbak met een warlepel of leutel zodat elk deel van de haring met zout in aanraking komt) en tussen lagen zout in tonnen verpakt. Dit pekelen kon weer pekelzweer geven, een huidaandoening met op steenpuisten gelijkende zweren, welke meestal begon met een mouwvreter, de wondjes aan de polsen door het schuren van de mouwranden van de harde oliekleding.
Enfin, na al dit gedoe maken de sappen uit de alvleesklier de haring uiteindelijk mals en smakelijk. Bij uitzondering werd aan wal gekaakt. De nog ongekaakte haring werd dan eerst aan boord gekuipt en alvast stevig gepekeld (steurharing).
Op school leerden we dat de uitvinding van het haringkaken wordt toegeschreven aan Willem Beukels. In 1312 wordt hij inderdaad als schepen vermeld in Biervliet, maar men gaat er tegenwoordig vanuit dat het kaken al veel langer bestond. Mogelijk was hij wel de uitvinder van het handige kaakmesje.

Zuiderzeeharing was kleiner van stuk en niet geschikt om te kaken, maar leende zich weer prima voor de verwerking tot panharing of bokking door hem te roken. De vis werd vers aangevoerd om aan land schoongemaakt te worden. Daar werd de haring gegromd, d.w.z. schoongemaakt, gepekeld en met schoon water afgespoeld, waarna ze aan houten speten werden geregen voor de rokerij. De ruimte waarin dit gebeurde noemde men aan de Westwal de gromloods.
Tot zover een stukje historie!


De Hollandse haringvleetvisserij bestaat niet meer. Dat ging als volgt: In de voornacht ging de haring van de zeebodem naar iets hogere waterlagen om te foerageren, dat wil zeggen plankton te eten. In de hogere waterlaag aangekomen zwom de haring met zijn kop in het net en bleef met zijn kieuwen achter de mazen hangen. In de nanacht gingen de vissers de vleet inhalen. Omdat het ondoenlijk was om de netten uit de diepte van de zee te halen met alleen maar mankracht maakte men gebruik van de reep. De reep was een dik touw dat zich of aan de bovenkant (bij een zinkvleet) of aan de onderkant (bij een drijfvleet) van het net bevond en eraan was bevestigd met een 'seizing' (touw) van enkele meters lang.
Verwant: afhouder, reepschieter.
De visgronden van de Doggersbank zijn verleden tijd. Onze haring komt uit Denemarken, Noorwegen en de Oostzee en zelfs van onder Groenland en de Canadese kust. Hoe Noordelijker gevangen, hoe groter de scholen en hoe groter de soort. Deze vis is minder geschikt om te kaken (minder mals en geen fijne smaak), maar wordt toch enthousiast als maatjesharing of Hollandse Nieuwe verkocht. Verder kan in licht gezouten haring de larve van een nematode (Anisakis marina) in leven blijven en bij menselijke consumptie darmperforatie veroorzaken. Daarom wordt tegenwoordig de met de trawl gevangen haring alvorens te kaken eerst minimaal 24 uur bij een temperatuur van minstens -20º C  ingevroren om de larve te doden. Het vervelende is dat het late kaken van ontdooide vis het vette harinkje minder smakelijk maakt dan vroeger. Bovendien gebeurt het kaken in buitenlandse visfabrieken (Noorwegen 58%, Denemarken 38%) steeds vaker machinaal, waardoor ongewenste delen (soms zelfs de bijtende meet) kunnen achterblijven en de smaak van een heel emmertje (± 45 stuks) naar de gallemiezen helpen.

Ook zijn er producenten, die de haring tijdens verwerking meerdere malen bevriezen en ontdooien. Een doodsteek voor smaak en stevigheid. Een supermarktharinkje waarvan de twee helften aan elkaar plakken heeft vrijwel zeker zo'n behandeling ondergaan en smaakt (als je geluk hebt) naar niets. De "te gebruiken tot" datum is onzin. Probeer maar eens een harinkje vlak voor die datum. Bacterieel zal het allemaal wel kloppen, maar bij opening van de verpakking kan je beter een knijper op je neus zetten en de smaakpapillen op nul zetten.
Op de Nederlandse vriestrawlers, het zijn er nog maar twee, wordt de haring wel op zee gekaakt. Eigenlijk is dat dus de enige echte Hollandse Nieuwe. Jammer dat je niet weet hoe je harinkje behandeld is. Diep treurig is dat "kenners" beweren dat maatjesharing op de graat rood mag zijn. Zie de onsmakelijke foto. Het zal wel een nieuwe generatie wezen. Neem van mij aan dat een goed gekaakt maatje van binnen geen enkele associatie met bloed mag vertonen. Het vlees van een malse haring moet blank zijn. Sommigen accepteren ook licht (fris) roze.

Waar vroeger de gesloten kantjes (toen zeshonderd tot duizend haringen) bij lage temperatuur het hele jaar bewaard konden worden, kan dit nu alleen in diepgevroren toestand. Het is dus best mogelijk een prima Hollandse Nieuwe of iets minder vet maatje te krijgen uit een vaatje dat bij de groothandel al lange tijd in de diepvries staat, want het grote verpesten begint pas later. Vaak wordt het emmertje dagen voor verkoop versneld ontdooid, weliswaar gekoeld bewaard, maar dat helpt niet echt want boven nul is de oxidatie begonnen en weg is het lekkere maatje. Voor alle zekerheid volgt nu de definitieve doodsteek. De avond of ochtend vóór verkoop wordt de haring onder kamertemperatuur schoongemaakt, om daarna op grote, weldra weeïg ruikende bulten in de gekoelde vitrine geplaatst te worden. Jammer, de - laten we aannemen - goed gekaakte en niet te zwaar gepekelde haring is veranderd in een doorgerijpt bitter of olieachtig smakend vissie, of zoals Keurmeesters Martin Gouda en Aad Taal (2007) zeggen: "Stinkend naar een oude pisbak, ranzig, tranig en oneetbaar". Eet smakelijk..; het zou verboden moeten worden! Ontdooide haring is nauwelijks te bewaren en de schoongemaakte al helemaal niet. De smaak holt achteruit. De vakman weet dat. Een liefhebber weet het ook en koopt geen vooraf schoongemaakt spul. Er is maar één manier om een lekker harinkje te verkrijgen. Bij aankoop - uit de hooguit gisteren (dus niet drie of meer dagen terug) bij een temperatuur van onder de 7°C langzaam ontdooide emmer - terplekke schoongemaakt en direct genuttigd (nou ja, een uurtje later kan ook nog), waarbij natuurlijk geen graten of andere resten mogen achterblijven. Enfin, de haringtest van het Algemeen Dagblad ontmaskert telkenjare, maar het helpt niet...

Te veel "visdetaillisten" presenteren een maatje waaraan al het fijne, zilte en romige is verdwenen. Niet zelden wordt histamine aangetroffen, gewoon bedorven vis, hoewel dit natuurlijk door het Productschap Vis met klem tegengesproken wordt. Eerdergenoemd keurmeester Martin Gouda van het Nederlands Instituut voor Visserijonderzoek RIVO zegt: "Het gebrek aan vakkennis op dit punt is in de visbranche ronduit verbijsterend". De fastfoodconsument maakt het allemaal geen pest uit, hij weet niet beter en eet de met veel uien overdekte bagger toch wel. "Veel consumenten zijn net meeuwen, ze eten alles". Een ingezonden brief spreekt wat dat betreft boekdelen: "Haring is een natuurproduct, dus je hebt harde en zachte". Driewerf neen... Het is de "visdetaillist" die de voor een paar eurocent geveilde haring te lang en te warm laat liggen en dan als "zachte" voor 2.50 euro verkoopt.
In de AD-test van 2004 beweerde een handelaar uit Arnhem dat zijn klantenkring de "zachte" lekker vond en hijzelf ook. Wij houden namelijk van doorgerijpte zachte haring. Echte ijzervreters die Arnhemmers, want dat is de metalige bederfsmaak! Verder bleek in 2008 dat fancy namen als visspecialist, visshop, viscenter, vispaleis e.d. bijna altijd garant stonden voor onwelriekende op voorraad schoongemaakte haring. De verpeste delicatesse wordt met een vork uit de grote bak met plakkerige medeharinkjes losgepeuterd en met een "uitje erbij?" verkocht. Voor alle zekerheid worden schijfjes zoetzuur toegevoegd. Een knijper zou effectiever zijn.

Een goede tip van de keurmeesters: koop nooit voor 11.00u een haring die niet terplekke wordt schoongemaakt. De kans is groot dat je een overgebleven exemplaar van de vorige dag in de maag gesplitst krijgt. Ga het liefst naar een zaak met grote omzet, zodat je er van uit kan gaan dat het emmertjes niet al dagen ontdooid klaar staat, want dan helpt de kreet "vers van het mes" ook niet meer. Helaas blijft de aankoop van een goed harinkje een gok. Je moet een vakman treffen die niet alleen correct ontdooit en goed schoonmaakt, maar ook deskundig inkoopt. De haring moet op het juiste tijdstip gevangen zijn. De haring moet niet van het grote Noordelijke type zijn en moet bovendien goed gekaakt zijn. De AD-haringtest van 2011 leverde een trotse Haagse winnaar op die twee jaar daarvoor nog een nul kreeg. Hij besloot onmiddellijk van leverancier te veranderen en had twee jaar later dit resultaat. Toch raar. Zou hij zijn handel daarvoor nooit geproefd hebben?
Bron o.a.: de jaarlijks terugkerende AD haringtest.
Verwant: paling, kibbeling, makreel, garnaal.

Haringboot
Harpuis Wat een heerlijk ouderwets woord, waarschijnlijk afgeleid van het Oudfranse harpois. Harpuis is gebaseerd op gele of vaalwitte hars, door Cornelis va Yk omschreven als "een vogt of gum dat in Vrankrijk uit Pijnbomen vloeit en in schijven welkers gewigt gemeenlijk tusschen de 120 en 180 ponden is, aan ons word toegezonden". Schippers maakten het zelf door een pond hars in een liter kokende lijnolie op te lossen. Voor kleur en glans werd zwavel (solpher) toegevoegd, alsmede vet om het bros verharden tegen te gaan. Sommige publicaties spreken van alleen gekookte hars met zwavel of terpentijn, maar ook van hars, zwavel en kalk. Vroeger tijdens de botteelt moesten de schepen om de 4 à 5 weken hellingen om het aangegroeide onderwaterschip te ontdoen van doorns. Na het afschrapen werd het onderwaterschip met riet afgebrand (geblaakt) en met de loet (spaanse bezem) geschrobt, om tot slot in de teer of een mengsel van pek en talk tegen paalworm gezet te worden. Het bovenwaterschip (dooddeel) werd in de harpuis gezet, een werkje dat wel pajen (paaien) genoemd werd. De stichting botterbehoud werkt nog steeds met harpuis. Niet te verwarren met harpluis dat breeuwtouw is.
Haspel Andere benaming voor stuurrad of stuurwiel.
Haven De definitie voor een haven is: "Een natuurlijke of aangelegde veilige ligplaats voor schepen". In 1970 gaf de Maritieme Encyclopedie de volgende opsomming naar soort of bestemming. De meeste benamingen spreken voor zich:
- Bunkerhaven (brandstof inname)
- Containerhaven
- Graan- en/of ertshaven
- Houthaven
- Industriehaven
- Insteekhaven (b.v. bij een fabriek)
- Jachthaven
- Noodhaven
- Olie- of petroleumhaven
- Oorlogs- of marinehaven
- Stukgoedhaven
- Visserijhaven
- Vloedhaven (onbereikbaar bij eb)
- Vluchthaven
- Vrijhaven (geen douane)
- Wachthaven
- Wereldhaven (denk aan Rotterdam)
- Werkhaven
Havengeld In vrijwel elke plaats in Nederland moet havengeld betaald worden om aan kade of steiger te overnachten. Dat is vanwege de voorzieningen niet onredelijk. Na 16.00u komt de havenmeester om het overnachtinggeld te innen. Jammer dat veel gemeenten per persoon ook nog toeristenbelasting in rekening brengen, terwijl het bezoek de plaatselijke middenstand en horeca juist ten goede komt.
Maar het kan erger.
Op Urk en naar mijn weten ook in Volendam (mogelijk ook andere plaatsen) moeten passanten zelfs voor dagbezoek van een paar uur betalen. Een Urk-bezoeker die dit overkwam vertelde dat op de nota bovendien toeristenbelasting in rekening was gebracht.
En ik maar denken dat dit melkkoetje alleen voor overnachtingen ingezet mocht worden.
Hek Achterzijde van het schip boven de achtersteven. In oorspronkelijke betekenis de achterste afsluiting van de romp door een schot dat aan de bovenzijde vaak was afgewerkt met een kunstig in verschillende vorm uitgehakt hekbord of hakkebord, waaraan men bevriende schepen al van verre herkende.
Hekboot
Hekgolf De hekgolf is een golf, die een varend schip bij het achterschip (hek) opwekt. Bij het voorschip wordt het water als boeggolf opgestuwd en zal zich grotendeels naar achteren een uitweg langs het schip zoeken om de groef, die het schip als het ware in het water maakt, op te vullen. De opstuwing bij de boeg brengt snelheidsvermindering van het water ten opzichte van de romp en drukverhoging met zich mede (wet van Bernoulli). Het naar achter stromende water veroorzaakt langs het schip snelheidsvermeerdering ten opzichte van de romp en drukverlaging aldaar. Zodra de scheepsvorm bij het achterschip scherper wordt, wordt de ruimte voor het toestromende water groter. Dit gaat gepaard met snelheidsvermindering en drukverhoging. Door de drukverhoging gaat de waterspiegel omhoog en ontstaat de hekgolf. Bij stormachtig weer op groot water kan de hekgolf gevaarlijk worden wanneer hij samenvalt met achteroplopende golven. Dit kan worden voorkomen door vaart te minderen of (bij snelle vaartuigen) de snelheid zo te regelen dat men op de golftop blijft varen. De hekgolf wordt wat steilheid en hoogte betreft zeer beïnvloed door de diepte van het vaarwater. Er is een bepaalde verhouding tussen de optimale snelheid en de waterdiepte [ME]. Iedere pleziervaarder weet dat te hard varen in ondiep water het schip naar beneden zuigt en een hekgolf veroorzaakt die het schip inhaalt en praktisch onbestuurbaar maakt.
Verwant: oplopen, squat.
Hekschroef Hier wordt geen hekdrive of schottel bedoeld. Een hekschroef is uitgevoerd als een boegschroef, maar dan gemonteerd onder, of achter het achterschip. Mijn stelling is dat elk motorschip (pleziervaart) een hekschroef heeft, n.l. de voortstuwing. Het is echt te dol voor woorden dat daarnaast een aparte schroef  wordt geplaatst voor zijdelingse stuwkracht.  Alsof je bij maximale roeruitslag geen zijdelingse stuwkracht hebt. Toegegeven: het manoeuvreren met boeg- en hekschroef is een fluitje van een cent, maar of je daarmee begrijpt hoe een vaartuig zich gedraagt is een ander verhaal...
Hellingen
Als werkwoord: de boot op de wal of in het water brengen. Langsscheeps- en dwarsscheepshellingen. Langshellingen werden toegepast voor korte schepen en aan water waarvan het peil nagenoeg constant was, dwarshellingen voor lange schepen en aan water waarvan de waterstand veranderlijk was, zoals rivieren en getijdewater. Het was bekend dat geklonken schepen van meer dan vierhonderd ton na een keer of drie "dokken" op een langshelling uit hun verband getrokken waren. Nieuwbouw van grote schepen gebeurde echter wel op langshellingen, waarbij het de gewoonte was om houten schepen over de voorsteven te water te laten. Petrejus schrijft in "Nederlandse zeilschepen in de 19e eeuw" dat men hiertoe overging vanwege de ondiepte van het water bij de meeste Nederlandse werven. Het voorschip was meestal voller dan het achterschip en dreef dus eerder op. Tegenwoordig worden voor de pleziervaart meest hefkranen gebruikt. Langshellingen bestaan eigenlijk alleen nog als trailerhelling. Zie ook Trailerhellingen in Nederland per plaats of vaarweg.
Helmstok De stok of hendel die aan het roer is bevestigd om ermee te kunnen sturen. Steekt door of over de roerkoning, waarvan de kop klik of helm wordt genoemd. In het Engels heet een roerganger dan ook helmsman. Als de helmstok fraai bewerkt en gevormd is zoals bijvoorbeeld bij een tjalk, spreekt men van helmhout en als het helmhout fors en zwaar is uitgevoerd wordt het dwarsscheeps ondersteund door een hennebalk of luiwagen. Verwant: kolderstok.
Hemel
boender
Versiering boven scheerhout en wimpel bij vissersschepen van de Zuiderzee. Het scheerhout is het draaibare gedeelte op de mast  waaraan de wimpel bevestigd wordt. Daarboven kon een hemelboender of mastwortel geplaatst worden om de mast te beschermen tegen inwateren. De hemelboender op Zuiderzeeschepen bestond uit één of twee houten bolletjes met daarop een naald met ook tot een bolletje ineengedraaide zwarte sajet. Op andere binnenvaarders, jachten en vissersschepen kwamen mastwortels in een grote variëteit voor, meestal kunstig versierd en in geledingen uit één lengte gesneden. Sommige krom, andere recht [Zeeland: trommelstok]. Scheerhout, wimpel [vleugel, indien gespleten] en mastwortel samen noemde men een tuigje.
Hengst
Hennegatskoker De waterdichte koker voor doorvoer van de roerkoning. Meestal vetgesmeerd. Een hennegat op zich, is de opening in de hekverschansing van b.v. een hektjalk waar doorheen het helmhout steekt. De breedte van het hennegat bepaalt dan de roeruitslag. Het hennegat werd vaak met een hoefijzervormig plaatje of lederen slab, later ook wel van rubber, zoveel mogelijk afgedekt tegen binnenkomend water. Dat heette een schaamplaat of schaamlap.
erft Zie tabernakel.
Herna
Heude
Heve
Het vlak is tot ver boven de waterlijn omhooggebogen, waardoor een karakteristieke steven ontstaat. O.a bij de Zeeuwse schouw en hevelaken als hagenaar, hasselteraak en keen. Op het plaatje boven een keen en onder een Harense punt met rechte platte heve, waarbij het jaagpaard gemakkelijk aan wal of aan boord gebracht kon worden.
Heijnst
HIN-code
HIN staat voor Hull Identification Number en is inmiddels vervangen door CIN (Craft Identification Number).
Hobbelschuit
Hoeker Oud type zeevaarder, maar ook een vissersschip.
Hoge(r)wal De kant van het vaarwater waar de wind vandaan komt. Ook wel als: opperwal.
Hollandse boot
Hollandse Nieuwe Hollandse Nieuwe, een kwaliteitsharinkje dat in de periode juni - augustus is gevangen. Kwaliteit is helaas niet altijd van toepassing. Zie haring.
Homokineet
Een homokinetische koppeling is bedoeld om de hoek tussen schroefas en flexibel opgestelde voortstuwing (motor en keerkoppeling) te overbruggen. Door de uitgekiende constructie zal weinig lawaai en trilling optreden. Als voortstuwing en schroefas echter in lijn staan kan je beter geen homokineet toepassen omdat door het steeds in dezelfde baan draaien snelle slijtage aan de kogels zal ontstaan. Verder kan een homokinetische verbinding geen axiale kracht verwerken, zodat tevens een stuwdruklager moet worden toegepast dat overigens door de meeste fabrikanten al is ingebouwd. Indien bij een rechtlijnige opstelling i.v.m. trillingslawaai toch een homokineet wordt overwogen dient de motoropstelling dus bewust "uit lijn" gehaald te worden. Kijk voor zo'n opstelling bij motorsteun. Een ingezonden brief naar "Technisch advies" van het maandblad Motorboot van oktober 2007 vertelt over een nieuw schip dat na 300 vaaruren al aan de 4e homokineet toe was. Het maandblad ging m.i. terecht uit van een montagefout, maar gaf een voor leken moeilijk te begrijpen antwoord: "Zo is er bijvoorbeeld een minimale te overbruggen hoek (het smerend zetten) en ook een maximale, waarbij beide gewrichten een gelijk deel moeten overbruggen. (Als u op de beide flenzen van de homokineet een rij houdt, moet het snijpunt precies halverwege het tussenasje liggen.) Verder moet er een bepaalde horizontale ruimte zijn op het tussenasje, zodat er nooit stuwdruk op de kogelgewrichten van de homokineten kan komen". De technisch adviseur bedoelt dus dat een homokineet geen rechtlijnige opstelling verdraagt en voldoende ruimte tussen keerkoppeling en schroefas moet hebben.
Hondekooi Hondekooi was de aanduiding van de slaapplaats (kooi) aan boord van zeiljachten in het achterste verhoogde deel van de kajuit, dat zelf hondehok heette. De kooi ligt zodanig dat het voeteneind onder het gangboord of de kuipbank doorloopt.
Hondsvot Zie blok.
Hoogaars
Hoogte
schaal
Geel/zwarte peilschaal bij bruggen, die niet de waterstand maar de brughoogte t.o.v. het waterpeil aangeeft. Blauw/witte peilschalen geven de waterstand t.o.v. NAP aan, het zogenaamde KP (kanaalpeil). Als zo'n peilschaal een afwijking geeft t.o.v. de waterkaart zal je voor de doorvaarthoogte van bruggen een rekensommetje moeten maken. Zie kanaalpeil.
Hout Klik voor wetenswaardigheden van hout als grondstof in de vroegere scheepsbouw.
Hieronder een opsomming van de meest gebruikte houtsoorten in jachtbouw en restauratie:
- Afroteak (afrormosia).
Hard en taai als teak, maar is geen teak. Geschikt voor dekbetimmering en interieurafwerking. Werd vroeger vanwege zijn hardheid ook toegepast voor kieldelen en huidbetimmering.
- Afzelia
Harde houtsoort met zeer fijne nerf. Wordt veel toegepast bij binnenbetimmeringen, omdat het goed te buigen is en niet makkelijk scheurt.
- Beuken
Harde, gemakkelijk te splijten houtsoort. Trekt en krimpt zeer, daardoor alleen toepasbaar in kleine stukken. Bleekbruin van kleur. Het langshout vertoont sterk kronkelende mergstralen, waardoor glanzende spiegels of kleine bruine strepen ontstaan, waaraan beukenhout direct te herkennnen is. Het wordt gebruikt voor het vervaardigen van blokken en gereedschappen.
- Eiken
Ideaal voor het aftimmeren van casco's, helaas kostbaar en niet in alle gewenste maten verkrijgbaar. Geschikt voor dekken, huidgangen en interieurbetimmering, zeer goed te verwerken en makkelijk te buigen. Het lichtgetinte eikenhout uit het spintgedeelte van de stam is zeer gevoelig voor rotting en moet niet worden gebruikt. Tot het eikenhout behoort ook azijnhout, een keiharde houtsoort voor b.v. de wangen van blokken. Naar men beweert is de naam een verbastering van bois de chêne.
- Essen
Zeer taai hout, witgeel van kleur, bijzonder geschikt voor het vervaardigen van ronde delen als helmstok, handrelingen, sloepriemen, handspaken e.d.
- Grenen
Afkomstig van de pijnboom of grove spar en zeer geschikt voor de basisbetimmering, ook leent het zich goed voor het maken van masten. Amerikaans grenen werd veel gebruikt voor spanten van houten schepen. Europees grenen, dat iets donkerder van kleur is moet voor het schilderen worden ontvet.
- Hechthout
Een kwaliteitsaanduiding voor watervast en weerbestendig tri-multiplex waarvan alle lagen uit dezelfde houtsoort bestaan. Zeer geschikt voor constructie- en (kajuit)vloerdelen.
- Iepen- of Olmenhout
Taaie tamelijk harde houtsoort met weinig trek en krimp. Enigszins roodachtig bruin van kleur. Evenals beukenhout gebruikt voor blokken.
- Lorkenhout
Afkomstig van de Larix (lorkenboom). Eigenschappen als grenen, doch taaier en harder. Wordt weinig toegepast.
- Mahonie
Wordt in de jachtbouw zeer veel toegepast, het hout heeft een zeer warrige nerf, waardoor het alleen met uiterst scherp gereedschap goed is te verwerken. Het hout gaat makkelijk werken, bij constructie moet hiermee rekening worden gehouden.
- Notenhout
Afkomstig van de walnootboom. Werd gebruikt voor beschieting en fijn meubelwerk in luxe hutten en salons. Dit gold ook voor verder niet genoemde soorten als palmhout, ebbenhout en palissanderhout. Nu nog in restauratiewerk.
- Paardenvlees
Harde, goed splijtvaste houtsoort met fijne structuur die vroeger veel uit Suriname werd ingevoerd onder de meer gebruikelijke naam bolletrie. Wetenschappelijke naam Manilkara bidentata, de boom behoort tot de familie Sapotaceae. Het hout heeft een roodachtig geelbruine kleur, maar vers gekapt vleeskleurig, vandaar de naam. De tegenwoordige handelsnaam is Massaranduba. Werd met name gebruikt voor korvijnagels en blokschijven.
- Parana pine
Redelijk goedkope houtsoort, die aan boord van zelf afgetimmerde jachten vaak als bekleding van plafonds en wandjes wordt toegepast. Het trekt nogal makkelijk krom of scheluw en heeft een zeer grote lengtekrimp.
- Pokhout
Buitengewoon harde, vaste en duurzame houtsoort van de pokhoutboom (Guaiacum officinale). Vettig. Wordt gebruikt voor blokken en vingerlingen. Vroeger ook als bekleding van schroefaskokers en als pakking voor de roerkoning. Zwaarder dan water.
- Redwood
Zeer geschikt voor de jachtbouw. Het heeft maar weinig krimp en heeft geen neiging tot kromtrekken.
- Spruce
Lichte, vaste en taaie houtsoort. Wordt gebruikt voor constructiedelen en voor rondhout.
- Teak
Een van de meest duurzame en daardoor kostbaarste houtsoorten. Nadere beschrijving bij teak.
- Vuren
Afkomsig van de fijne den of fijne spar. Zachte goedkope houtsoort, die makkelijk scheurt en zeer goed gekonserveerd moet worden. Het is eigenlijk ongeschikt aan boord van schepen maar wordt daar gezien de makkelijke verkrijgbaarheid en lage prijs toch voor allerlei niet in zicht komende toepassingen gebruikt. Bezwaar is dan dat rotting niet wordt waargenomen en onderhoud lastig is door de moeilijke bereikbaarheid.
- IJzerhout
Oude benaming voor diverse hardhoutsoorten, in het bijzonder voor pokhout.
Bronnen: "Ik bouw zelf een casco af" en "Scheepsbouw".
Hulk
Hulp bij afmeren Herkenbaar... Je komt aanvaren bij een druk bezochte ligplaats en ziet dat uit de daar liggende schepen enthousiaste watersporters naar buiten springen om een handje te helpen, of en dat is veel erger, een willekeurige wandelaar schiet te hulp om een lijntje op te vangen. Het lijkt een ideale situatie, maar niets is minder waar. De goedbedoelde hulp loopt meestal uit op een trekwedstrijd waardoor de schipper (van een klein schip) zijn controle volledig verliest. Als je hulp biedt bij afmeren doe het dan op de juiste manier. Vang het (hopelijk goed toegeworpen) lijntje en houdt het alleen maar vast. Dit heet "waarnemen". Laat de schipper het afmeerwerk doen en vaam de lijn rustig zonder spanning in totdat het schip voor de wal ligt en maak dan provisorisch vast. De schipper maakt dit zelf wel af en zal je dankbaar zijn. Slechts als de afmeermanoeuvre fout gaat en het liefst pas nadat de schipper dit aangeeft kan getrokken worden. In Waterkampioen nr 7 van 2000 beklaagde een huurschipper zich erover dat zijn aangeboden hulp door "ervaren" schippers soms werd afgewezen. Hier dus het waarom...
Verwant: afmeren
Hulploon Watersporters helpen elkaar zonder dat daar een vergoeding tegenover staat. Bij een sleepje naar de dichtstbijzijnde haven zal de onfortuinlijke schipper zijn hulpverlener meestal wel een aardigheidje aanbieden, flesje drank o.i.d., maar dit hoeft niet! Het Wetboek van Koophandel (art. 785) zegt hierover: "Hulpeloosheid van het geassisteerde vaartuig geeft assisterenden geen recht op hulploon". Hulploon is pas verschuldigd wanneer het geholpen schip en opvarenden in gevaar hebben verkeerd: "De schipper is verplicht andere schepen die in gevaar zijn hulp te bieden, behalve als zijn eigen schip daardoor in gevaar komt". Hulploon is uiteraard ook verschuldigd wanneer hulp van een commerciële sleepdienst werd ingeroepen.
Hydraulische besturing Zie dubbele besturing en ontluchten hydraulische besturing.
Hydrofoil De benaming van een draagvelugelboot. De boot verheft zich op ‘foils’ (draagvleugels) uit het water. Maar ook de benaming voor een driehoekige stabilistieplaat die op de cavitatieplaat van een buitenboordmotor of hekdrive wordt gemonteerd. Als de boot snelheid ontwikkeld zal onder de hydrofoil (net als bij een vliegtuigvleugel) druk worden opgebouwd waardoor de achterzijde van de boot omhoog wordt geduwd en de boeg dus naar beneden. Bij lagere snelheden zal de boot vlakker in het water liggen waardoor minder hekgolven ontstaan en in het geval van een speedboot sneller in planee komen, waarbij het niet meer nodig is om gewicht naar voren te verplaatsen.
Hydrofoor Een systeem waarbij drinkwater aan boord met een min of meer constante druk uit de kraan komt. De waterpomp vult een expansievat met water. De in het vat aanwezige lucht wordt samengeperst tot een bepaalde druk waardoor de pomp afslaat. Bij het openen van de kraan perst de luchtdruk het water naar buiten. Zodra de druk beneden een bepaalde waarde komt slaat de pomp automatisch aan en het vat wordt weer aangevuld, de druk weer opgebouwd enz.

 

Heel graag op- of aanmerkingen.

Op alle materiaal (layout, tekst en afbeeldingen) rust het auteursrecht van schipper Cees e.a.
Overname van artikelen of delen daarvan is slechts geoorloofd na schriftelijke toestemming.

Mocht je ondanks alle in acht genomen zorgvuldigheid menen rechten te kunnen ontlenen
aan in deze pagina gebruikt materiaal, laat de schipper dat dan zo spoedig mogelijk weten.

verantwoording