Hé, dat wist ik niet...

Tips en wetenswaardigheden
Gebruik het vaartips-zoekveld wanneer je iets niet kunt vinden.
Geen zoekveld? Klik dan op het huisje (home) rechtsboven.

Z

Zaathout
Wordt ook wel geschreven als zaadhout. Da's natuurlijk verkeerd want zaat heeft alles te maken met de bodem van een schip of de bodem van een dijk, ook wel een droogvallende zandplaat, maar zeker niet met zaad van mens, dier of plant. Andere benamingen zijn kolsem, kolsum, kolswijn of swin. Het is de langsverbandbalk in de bodem [onder of naast de buikdenning] van een houten spantgebouwd schip, ook wel tegenkiel genoemd en extra zwaar uitgevoerd op de plaats waar de mast staat (nr. 2 op het plaatje). Doorgaans zijn ter weerszijden van dit zaathout meer evenwijdige balken aangebracht, de bijzaathouten of zijdragers, e.e.a. geschoord door blokjes hout, de woutermannetjes.
Zaling In principe elk dwarshout, dwars- en/of langszaling, dat horizontaal aan mast of boegspriet (behalve de stampstok) is bevestigd, om het want te spreiden, maar ook als onderschraging van stengen en marsen.
Zalmschouw
Zandloper Een tijdglas waarvan de oorsprong terug gaat naar het oude China; zie glazen slaan, maar ook de ijzeren onderrand (sleepijzer) van het zwaard ter bescherming van het hout. In ondiep water kan het zwaard over het zand lopen en schippers gebruiken dit doelbewust om het schip af te stoppen of op zijn plaats te houden. Zie ook getij stoppen. Verder wordt in de visserij het dagmerk van twee kegels met de punt naar elkaar toe ook wel een zandloper genoemd.
ZAR In het spraakgebruik de afkorting voor Zeeaanvaringsreglement, een bij oude varensgasten gebruikte benaming voor de BVA (Bepalingen ter Voorkoming van Aanvaringen op zee). Als pleziervaarder op binnenwater kom je er niet mee in aanraking. De BVA zijn vergelijkbaar met de vaarregels op binnenwater, maar bestaan meer uit richtlijnen dan uit gebods- en verbodsbepalingen en laten veel aan het goed zeemanschap van de schipper over.
Zeeg
Kromming of verloop in de deklijn vanaf het voorschip tot het achterschip. Het verschil in centimeters (of vroeger een andere maatvoering) wordt deksprong genoemd. Je trekt een lijn langs de hoogste punten van voor- en achtersteven en meet het verschil tot het diepste punt van het boord. Dat getal is de sprong.
Zeehelden Volgens Van Dale is een zeeheld "iemand die zich dapper gedraagt in zeegevechten". Dus iedere varensgast, van opperbevelhebber tot officier of bemanningslid. Dat waren de bootsmannen, corporaels, constapels, quartiermeesters, matrozen, half-wassen braemssems en jongens, alsmede provoost, bottelier, kock, trompetter, lootsman en maeten. Kortom, de hele santemekraam van pekbroeken en varensgezellen. Toch hebben onze geschiedschrijvers het bij zeehelden alleen over opperbevelhebbers als schouten-bij-nacht en admiraals (vice- en luitenant-admiraals). Gesneuvelde opperbevelhebbers stierven een heldendood en kregen (ook als ze in bed stierven) een praalgraf. Over varensgasten die hun leven lieten (de echte zeehelden) hoor en vind je niets.
Hier de door marinehistoricus Ronald Boudewijn Prud'homme van Reine (in 2004 winnaar van de J.C.M. Warnsinck-prijs) samengestelde top-10 van zeehelden uit de zeventiende eeuw:
Zeelingzaad Dit prachtige Oudnederlandse woord als wetenwaardigheid. Het was de benaming voor de afdruk die een schip in de bodem achterlaat wanneer het vast gezeten heeft.
Zeemans bijgeloof Zie scheepsbijgeloof.
Zeemanschap Tja, wat is nou zeemanschap? Het BPR spreekt zelfs over "goede zeemanschap" [art. 1.04 en 1.05], terwijl het reglement toch echt voor de binnenvaart is. In oorsprong wordt natuurlijk de vaardigheid en kundigheid ter zee bedoeld en zeemanschap kan alleen verworven worden door oefening en ervaring, waarbij theoretische kennis een onmisbare basis vormt. Met "goede zeemanschap" wordt bedoeld dat men de juiste beslissing kan/moet nemen in situaties welke niet zijn voorzien in de reglementen. Niet alleen op zee, maar ook in de binnenvaart. Ongetwijfeld is zeilen nog altijd de beste leerschool voor zeemanschap. Taalkundig (maar wie ben ik) zou ik niet spreken over "goede zeemanschap", maar over "goed zeemanschap" (zonde e).
Zeemanskost Er zijn typische benamingen voor typische zeemansgerechten en -dranken. Maar er is ook marine- en koopvaardijtaal voor gewoon eten en drinken en zaken die daarmee te maken hebben. Een paar komen uit het Sparks' en van Dalen woordenboek voor scheepsgebruik van Johan Karels met de waarschuwing: "Niet geschikt voor mensen die snel rooie oortjes krijgen".

Afbijt. Eertijds bij de marine een vieux van mindere kwaliteit, Het was "Hollandse cognac", ook bekend als "peut".
Arme jongen. Gerecht van scheepsbeschuit gemengd met vlees en vetresten, vaak geserveerd aan het eind van de reis, wanneer de voorraden geslonken waren. Zie ook Kaaps duifje.
Bacalao. Stokvis, of zeehaas. Deze van oorsprong Spaanse benaming werd bij de Hollandse zeelui gemeengoed voor gedroogde zoute vis. Zie ook labberdaan en bakkeljauw.
Bakkie zweet. Hete koffie, thee of chocolademelk.
Beflap. Draadjesvlees, ook als "osselor".
Bezaansschoot aan, "schoot aan" of "schootan". Extra rantsoen sterke drank als beloning voor zwaar werk. De borrel werd verstrekt op het achterdek bij de achtermast, die bezaansmast heet en waar het volk alleen maar kwam om de bezaanschoot aan te halen.
Blinde flens. Pannenkoek.
Bramstaglopers. Kapucijners, eigenlijk grauwe erwten. De naam komt van de houten kralen (ballen) aan een bramstag voor het aanbrengen van een tussenzeil. De bramstag is de langsscheepse ondersteuning aan de voorzijde van de bramsteng. Zie ook raasdonders.
Broek van Bertha. De bijnaam voor een luchtkoker aan boord van marineschepen, maar ook de naam van een mixdrankje dat bestaat uit een borrelglas jenever of gin, citroensap, groene grenadine en ijsblokjes.
Buizen. Bier drinken, stevig doordrinken.
Cement. Snert, erwtensoep.
Chow. Maaltijd, ook als "chop chop" of "makan".
Clear water. Heldere soep met weinig "vulling".
Commissarisje. Borrel van half om half jenever en berenburg. Ook bekend als koetsiertje.
Dieptebom. Coctail van veel verschillende soorten drank (uit elke fles een scheut). Ook de benaming voor een vleeskroket [TvhW].
Draadversperring. Maaltijd (oorspronkelijk ontbijt) van rijst met hachee van draadjesvlees met veel sambal (minder vet dan rotmok).
Duitse aardappelen. Gebakken aardappelen met corned beef.
Gasballen. Spruiten, ook als "sopdotten".
Gattepetiel. Groot vergiet.
Gewapend beton. Zie zeven gerechten.
Gortschaften. Ontbijten.
Gouri-schotel. Geen gerecht, maar wel een wetenswaardigheid. In de VOC-tijd een uit China naar Voor-Indië gevoerde groene porceleinen schotel, ook wel vergifschotel genoemd, omdat men geloofde dat hij zou barsten als er vergiftigde spijzen in werden opgediend [Glos].
Grind met specie. Aardappelpuree met erwten.
Groningse rijsttafel. Zie Zeeuwse rijsttafel.
Haentjesbier. Uit de VOC-tijd. Hollands bier uit de brouwerij "Het Haentje" te Amsterdam.
Haas met popi. Gerecht van stokvis (zeehaas) met een saus van gewone zoete stroop.
Hap in elkaar trappen. Maaltijd bereiden.
Hap snert. Een hap snert verwerken is geen lepel erwtensoep, maar een borrel drinken.
Happen. Een glas bier drinken.
Hollandse rijsttafel. Zie Zeeuwse rijsttafel.
Horecapukkel. Dikke pens, bierbuik. (is dit wel marine- of koopvaardijtaal?)
Hors de manoeuvre. Salade van restjes aardappelen en vlees, met appel, bietjes en augurk.
Huppelwater. Jenever.
Jachtschotel. Een typisch koopvaardijgerecht om restjes rund- of varkensvlees weg te werken. De kok mengde het vlees met uien, zure appels en aardappelen en voegde naast de kruiderij laurierblad en kruidnagel toe. Het geheel werd bestrooid met paneermeel en in de oven voorzien van een bruin korstje. De bemanning zei dan: "Hij heeft de vleeskamer aangeveegd".
Jopenbier. Dik moutrijk donker bier, dat als middel tegen zwakte en bloedarmoede gold. Genoemd naar een straat in Dantzig [Glos].
Julianakneiter. Krentenbrood.
Kaaps duifje. Scheepsbeschuit, geweekt in zout water en belegd met een stuk spek. Genoemd naar de stormvogel (kleine meeuw) van de Zuidelijke Oceaan ter grootte van een houtduif. Zie ook Arme jongen.
Kampersteur. Aardappelpuree met saus en ei.
Kanen. Eten. "Valt er nog iets te kanen"?
Kanepieper. Scheldnaam voor de scheepskok. Ook wel "kanenbraaier".
Kansfles. Literfles.
Kapiteinskost. Kapucijners met speklapjes en mosterdsaus.
Kerrieduiker. Een kok die nogal kwistig met kruiden werkt.
Ketelkoek. Nagerecht van meel, melk en stroop, dat in een zak wordt gekookt en aldus een stevige pudding oplevert [TvhW].
Kip met een gouden speldje. Taaie kip. Ook als "kip met dienstjaren".
Kippenkakken. Kippenpoten.
Kippenkogels. Eieren.
Klamme vaas. Biertje, ook als "kouwe klets", "kouwe toeter", "pot", "pot scheerwater", "slokje eten", "slurfie" en meer.
Knuf. Drankje zonder alcohol, ook als "soffie".
Koes-koes. Onsmakelijk uitziend mengsel van doorgeslagen gort en suiker, dat de volgende dag, als het stijf is, wordt vermengd met limoensap (lem-lem). Goed tegen scheurbuik (blauwschuit). Een goede koes-koes was gistend, maar nog net niet bedorven.
Koetsiertje. Borrel van half om half jenever en berenburg. Ook bekend als commissarisje.
Kommies. Marinenaam voor brood.
Konkelpotje. Koffiepot.
Kopstootje. Combinatie van een glas jonge jenever met bier. Volgens zeggen ontstaan bij de marine. Zie: recht-op-en-neer.
Kruitvatsoep. Soep met tomaten, ui, rijst, peterselie, Spaanse pepers en sambal, veel sambal.
Kwakkie van de chef. Mayonaise, ook als sap "kau yau" (Chinees voor sperma).
Laagwater. Einde van de maaltijd. Ook als ander woord voor afwassen (schoonmaken kommaliewant).
Labskous of lobskous. Oud beroemd en berucht zeemansgerecht dat bestaat uit resten van gezouten vlees, zoute haring, aardappelen en/of fijngestampt scheepsbeschuit en uien. Als het "zoutvlees" te droog was werd spek toegevoegd. Oorspronkelijk dus een ratjetoe van restjes. "Lobskous" was de benaming voor alle overgebleven rommel aan boord. In de 20e eeuw verving men het gezouten vlees door cornedbeef en serveerde men de labskous met spiegeleieren, rode bieten en zoute augurk. Wybe van der Wal bestelde in het voorjaar van 2005 deze moderne versie van "labskaus" in de Ratskeller van Bremen. Hij gaf als commentaar: "Volgende keer neem ik toch iets anders. Het is een zeer onbestemd eten". Een hedendaags recept is te vinden op Hollandse pot.
Lamieren van het gortwater. Niet zo zeer een gerecht, doch een wetenswaardigheid. Vroeger bestond aan boord het ontbijt voornamelijk uit gort. Wee de kok die bij het aanbreken van de dag (licht worden, lumieren) het gortwater niet aan de kook had. Lamieren is het tegen de kook houden.
Leuning. Marinenaam voor rookworst.
Loerd. Meelgerecht, "Jan-in-de-zak". Zacht gegaarde meelkoek.
Luchtpostpapier. Dun gesneden (Leidse) kaas.
Maandsaus. Tomatenketchup.
Mannenpudding. Stevige kost of sambal.
Matrozenkost. Gerecht van bruine bonen, (dop)erwten, prei, ui, spek, leverworst en yoghurt of karnemelk.
Matrozenmutsje. Koffie met ferme scheut voorhanden zijnde sterke drank.
Mee of Mede. Niet specifiek een zeemansdrank, maar eertijds toch "voor de cajuyt" wel meegenomen. "Een aangename drank die van honing en water gemaakt wordt. Neem agt stoop water en zoveel honing dat er een ei op dryven kan; doet daar by drie citroenschillen; kookt dit, en schuimt het wel als de schuim op komt. Neem het als dan van het vuur en doet er de drie citroenen in stukken gesneden by; giet het in een tobbe of open vat dat schoon is en laat het drie dagen werken. Schuim het vervolgens wel en giet het klare gedeelte in een vaatje en laat het open staan tot het ophoudt met gisten. Stop het vervolgens dicht toe en in drie maanden tyds zal ze zeer goed en bekwaam zyn om afgetapt te worden".
Middel tegen zeeziekte. Geen speciale benaming. Volgens Arthur van Schendel [1874-1946] was dit in de VOC tijd een feilloos recept: "Roer twee delen olie met een deel honing tot het zalvig wordt. Voeg daar een derde fijn mosterdpoeder aan toe. Nuttig dat met scheepsbeschuit" (dubbelgebakken brood). Je had natuurlijk ook nog poleponze: "Een zeker preservatief, dat uit brandewyn, suiker, nootemuskaat en citroensap bereid werd, waarmede ze die geenen, die op zee ziek worden, verkwikken". Nieuwe maats werd wel aanbevolen een stuk spek aan een touwtje weg te slikken en het daarna terug te halen. Zie ook zoetwatermatroos.


Zeezieke passagiers aan boord van een emigrantenschip [1820]

Mogen wij zwijgen? Ondefinieerbare massa van blikvoer (gehakt, aardappelen, slappe groente?). Van oorsprong de titel van een nogal "heftige" film uit het stomme tijdperk. De film propageerde het onderzoek naar het vaderschap. Menig marineman wilde het "vaderschap" van zijn opgeschepte prut ook wel onderzoeken...
Mom. Dik krachtig hopvrij bier uit Brunswijk, genoemd naar de eerste brouwer, Christiaan Mumme. Het werd veelal vanuit Europa op de schepen naar Azië meegevoerd [Glos].
Namokken. Toetje eten.
Nassi Purmerend. Rijst met boter en suiker.
Nooitgedacht. Gerecht van kapucijners met boterhamworst, nasikruiden en -groenten. De "uitvinder" van dit gerecht, die zomaar wat doorelkaar husselde zou geroepen hebben: "Nooit gedacht dat het zo lekker zou smaken".
Oorlam. Borrel jenever; tot 1895 door de Nederlandsche Marine 's morgens en 's middags aan elke matroos uitgereikt. Na 1846 beperkt tot meerderjarige manschappen. De oorsprong van het woord ligt in het Maleis. Op Kaap de Goede Hoop was het sinds de VOC tijd gebruikelijk dat de kolonisten Indische bannelingen als bedienden hadden. Door hen werden de Hollanders die op thuisreis de Kaap aandeden "orang lama datang" genoemd. Vrij vertaald: "oudgediende". Het werd verkort tot orang lama en vervolgens verbasterd tot oorlam. In Indië zelf werden Europeanen trouwens hoedendragers genoemd. De tijd die de thuisvaarders aan de Kaap doorbrachten werd oorlammentijd genoemd. De "oorlammen", de hoedendragers dus, stonden bekend om hun drankzucht en zo zou de naam bij de borrel terecht zijn gekomen. Mogelijk werd met oorlam niet alleen jenever bedoeld, maar ook rum (kelduivel) en brandewijn (brandemoris) en volgens sommige publicaties ook aangelengde drank. Zie ook pimpelen.
Opbakken. Opdienen van het eten.
Opsnit. Broodbeleg (vleeswaren).
Oranjerats. Gerecht bestaande uit wortelen, witte bonen, uien en pastinaken, of simpelweg hutspot (aardappelen met peen en uien).
Peut. Hollandse cognac, eertijds bij de marine een vieux van mindere kwaliteit, ook bekend als "afbijt".
Pikheet. Theepauze. De uitdrukking stamt uit de zeiltijd. Omdat het ingieten van hete pek (pik) in de breeuwnaden niet onderbroken mocht worden, werd vooraf pauze gehouden om koffie of thee te drinken.
Poerlepap. Eigenlijk "poerlepap van baadje". Alleen vermeld als wetenswaardigheid, want de samenstelling is onbekend. De poerlepap was een lekkernij in Indië, speciaal te Makassar omstreeks 1890-1910. Wat poerlepap precies was zal wel altijd een geheim blijven, doch het was smakelijk en zag er uit als chocoladevla. Baadje was een te Makassar geboren kadraaier, die de poerlepap maakte en aan boord onder de maats verkocht in zulke hoeveelheden, dat een afzonderlijke prauw nodig was voor het vervoer naar de schepen. Als Baadje van wal stak - zo tegen half twaalf, na vastwerken - dan schreeuwden de seiners van de duiventil: "Sein op, Baadje poft", en kwamen de maats met schaftblikjes aan dek gehold om de poerlepap in ontvangst te nemen.
Poespas. Weke stamppot waarvan de samenstelling niet altijd duidelijk is. Oorspronkelijk de hutspot van de Groenlandvaarders. Later een gerecht van vlees, gort of droge rijst en groenten.
Popi. Gewone zoete stroop, onmisbaar onderdeel van het gortschaften. Popi werd ook wel aangeduid als "heldenmoed" en de pot met popi als "lefpul", want zoetigheid bij het eten (haas met popi) gold eigenlijk als afschrikwekkend verval.
Potage periodique. Tomatensoep.
Punten en strepen. Erwten met worteltjes.
Pijpetijd. Bartijd (5 uur 's middags).
Raasdonders. Ook als "roldonders" (Vlaardingen) of "Hellevoetse raasdonders". Kapucijners met vet, doorbakken spek of gerookt spek, geserveerd met (gebakken) aardappelen of rijst en garnituur; een luxe versie van bramstaglopers. De Hellevoetse variant bestaat uit gekruide kapucijners met gehaktballetjes, gegarneerd met hamrolletjes en mayonaise. [TvhW]
Recht-op-en-neer. Kopstootje. Traditionele combinatie van een glas bier en een glas jonge jenever. Bedoeld als een slok jenever gevolgd door een slok bier, ooit ontstaan door een weddenschap wie de meeste drank kon verdragen zonder echt dronken te worden. Huidige stappers gebruiken het bij indrinken juist wel om snel de hoogte te krijgen. Een andere methode is om het glaasje jenever in een gevuld bierglas te laten zakken en het dan zo snel mogelijk achterover te slaan.
Restaurant "Zeezicht". Messroom, vreetschuur.
Roerganger. Het is de vraag of dit mixdrankje een zeemansoorsprong heeft. Het bestaat uit een borrelglas whisky, een half borrelglas apricotlikeur en een borrelglas hete sterke koffie.
Rotmok. Ook wel "Rijsttafel-belazer", Rijst met hachee, of een stoofpot van restjes vlees. De naam zou ontstaan zijn doordat een schepeling op het idee kwam vlees- en vetresten met een gesnipperd uitje in een mok op het vuur te zetten en te laten "snurken", hetgeen de kok te bar werd en die "rot mok" de kombuis uitsmeet, waarop een stevig robbertje gevochten werd.
Rumstel. Rum cola.
Rijsttafel belazer. Zie Zeeuwse rijsttafel.
Salmagundi. Volgens "The Pirates" van Douglas Botting zou dit een stevige pot van/voor piraten zijn als zij een koopvaarder met welvoorzien victualieruim te pakken kregen. Maar ook aan wal. Het bestond uit geroosterd vlees in brokken (van welke oorsprong dan ook) gemarineerd in gekruide wijn, gemengd met kool, ansjovis, pekelharing, hardgekookte eieren, uien, olijven en wat maar meer voor handen was. Het geheel werd sterk gekruid met knoflook, zout, pepers en mosterdzaad, overgoten met olie en azijn en verslonden met bier en rum. Latere recepten spreken over een gemengde salade van kip, kalkoen, vlees, vis en groente of een ragout van allerhande opgewarmd vlees, "meerendeels van klein gesneden gebraad, met eene saus".
Verwant: boekanier.
Schoot aan! of "schootan!". Uitroep/uitnodiging om een borrel te drinken. Waarschijnlijk ontstaan als beloning voor het harde werken dat nodig was bij het aanhalen van de schoten om zo scherp mogelijk aan de wind te kunnen zeilen.
Schurfie. Warm prutje van restjes vlees, (zoete) aardappelen, uien, knoflook, ketchup en sambal, of in het algemeen de benaming voor zelf iets warms klaarmaken.
Snelvuur. Een kop of mok hete chocolademelk. De naam heeft niets te maken met een bepaalde methode van vuren, maar met de maatregelen ter beperking van het drankmisbruik. Toen op 7 Juli 1902 voor  de "Algemeene bond voor Nederlandsche marinematrozen" een eigen bondsgebouw werd opgericht plaatste men op het buffet naast de biertap een grote ketel, die de vorm had van een granaat, en bestemd was om er hete chocolademelk uit te tappen. Al snel was het in zwang om "een kop snelvuur" te bestellen.
Snert met drijfijs. Erwtensoep met dobbelsteentjes spek.
Staalmannetje. Klein tarwebrood, het rantsoen voor één man. De verstrekking werd ingevoerd op aandringen van het Tweede Kamerlid A.P. Staalman in de dagen dat scheepsbeschuit nog in zeer grote hoeveelheden uitgereikt werd en vers brood aan boord een zeldzaamheid was. De "Staalmannetjes" werden in Den Helder in de marine-bakkerij gebakken.
Sterven-op-straat-worst. Cervelaatworst.
Strontzwiepersoep. Ossenstaartsoep.
Stijverijstkoker. Scheldnaam voor scheepskok.
Theewater. Avondmaaltijd, niet de warme, maar de broodmaaltijd. Oorspronkelijk werd 's avonds theewater (of iets wat er op leek) verstrekt dat waarschijnlijk alleen maar diende om het hard brood of scheepsbeschuit in te weken.
Tom Okker Speciaal. Marinenaam voor een veerkrachtige gehaktbal uit blik. Ambachtelijke ballen van de kok zijn "officiersballen".
Torpedistenbloed. Koffie voor het wachtsvolk, uiteraard zonder melk. Eigenlijk wordt een "torpedistenbakkie" bedoeld, een bak sterke koffie waar je "torpedistenbloed" van krijgt.
Troet. In water, melk of karnemelk gekookte meelspijs.
Vetpieper, vetsmelter. Scheldnaam voor scheepskok.
Vetslof . Botervlootje.
Victualiën. De aan boord meegevoerde mondvoorraad; eten en drinken.
Vijfschaft. Lamsvleesgerecht waaraan vijf ingredienten worden toegevoegd. Aardappelen, uien, wortelen, bruine bonen en zure appelen. In plaats van lamsvlees ook wel gerookt spek en rookworst.
Vlampijpen. Macaroni.
Vliegende schijven. Dikke plakken gebakken boterhamworst.
Vreugdewipper. Flesopener, ook als "bierspanner" of "bierbaco".
Wortelwater. Sinas.
Zeehaas. Stokvis, vroeger een vrijdaggerecht bij de marine. Stokvis is gefileerde gezouten kabeljauw welke op stokken uitgehangen werd tot het door zon en wind plankhard droog geworden was. In droge omstandigheden zeer lang houdbaar en alleen te eten na een nacht weken in water of melk.
Zeemansverdriet. Zeemansverdriet is kort verdriet. Het is de vraag of dit mixdrankje een zeemansoorsprong heeft. Het bestaat uit een half borrelglas cointreau, een half borrelglas drambuie en een paar ijsblokjes in een bekerglas, aangevuld met spuitwater. Weg verdriet!
Zeeuwse rijsttafel. Gerecht van droge rijst met kapucijners of bruine bonen, met kaantjes en garnituur (gehakte uitjes, gesmoorde uitjes, uienringetjes, gesneden augurk en piccalilly). Wanneer het pittig gemaakt wordt met pepers en sambal is het een "rijsttafel belazer" en wanneer de rijst vervangen wordt door gekookte aardappelen is het een "Groningse rijsttafel" of een "Hollandse rijsttafel".
Zeeuwse wasdag. Stamppot rauwe andijvie.
Zeikfilters. Niertjes.
Zeven gerechten. Aardappelen, rijst, stokvis (zeehaas), boter, meel, geb. uien en augurken. De zeven gerechten stonden afzonderlijk op tafel en konden naar eigen inzicht met mosterd, peper en zout gemengd worden tot "gewapend beton".
Zoetwatermatroos. Het zou een beproefd middel tegen zeeziekte zijn. Doe drie borrelglaasjes oude of jonge jenever in een beker. Knijp de neus dicht en drink de beker in één teug leeg. Zo nodig herhalen. Zie ook middel tegen zeeziekte.
Zwampudding. Nagerecht met sabayou (schuimende saus).
Zweetsokkie. Supervette tostie met twee plakken kaas en veel sambal, aan alle kanten beboterd en in de koekepan gebakken.

Zeemanstaal Zie uitdrukkingen.
Zeemans
voeding
Eind 19e eeuw had de gewone zeeman het niet best. In het boek "Vier jaar voor de mast" van Frank T. Bullen, staat de door de Engelse Board of Trade van koopvaardijschepen vastgestelde schaal van te verstrekken rantsoenen. Iedere opvarende had recht op:
Vier dagen per week 0,68 kg zout vlees met been en 0,23 kg meel, uitgezonderd de zaterdagen; dan mag dit laatste vervangen worden door 0,23 kg rijst, maar het behoeft in 't geheel niet te worden verstrekt. Op de overige dagen van de week  0,68 kg gezouten spek en 0,2 kg spliterwten. Verder per dag 0,45 kg scheepsbeschuit, 3,5 gram thee, 14,2 gram koffie en 3,5 liter water. Tenslotte per week nog 0,3 kg suiker en 0,5 pint azijn. In de maandenlange reizen bood dit weinig variatie en de kwaliteit van het gezouten vlees, spek en scheepsbeschuit liep hard achteruit.
Op Franse koopvaardijschepen werd daarentegen voor lagere kosten een veel gevarieerdere voeding voorgezet. Het ontbijt bestond uit koffie, vers brood en een glaasje cognac. Het middagmaal doorgaans uit 0,23 kg vlees, een dikke soep, wat brood en 0.5 pint wijn. Het avondmaal volgde om 16.00 uur en was een waar festijn. Afwisselend werden opgediend linzensoep, vermicelli, macaroni of een stamppot van groenten, vlees en kruiden; voorts nog brood en 0,5 pint wijn.
Van de Nederlandse koopvaardij uit die dagen is mij niets bekend. Wel is beschreven waar het scheepsvolk 200 jaar eerder recht op had, maar zelden kreeg.  Per week 3 tot 5 pond hartbroot (scheepsbeschuit), 1 tot 1,5 pond vlees of spek, 1 pond stokvis en 0,5 pond boter. Verder per dag 1 canne water, 1 canne bier, 1 tot 4dl brandemoris, 1 mutsje (1/6 ltr) spijsolie, 1 mutsje azijn en voor de hele reis 4 à 5 Edammer of Goudse kazen. Bonen, gort, grauwe erwten en bokking (gerookte haring) moesten "nae 't noot doet" aan boord zijn, evenals een aantal manden met zondrogers (gedroogde haring). In de praktijk werd door de botteliers echter naar harte lust gesjoemeld. Op de Amsterdamse Crenghenmarckt konden licht beschimmelde grutterswaren gekocht worden en stinkend vlees kon met een lading zout in tonnen. Een paar maden meer of minder in de kaas deden ook geen kwaad. Warmoes (groente) en fruit kwam al helemaal niet aan de orde, maar werd soms wel onderweg ingenomen. Kaap de Goede Hoop bijvoorbeeld. Verder uit dezelfde tijd nog een victualiënlijst voor een tocht van een jaar en een overzicht van de "lijftocht" op een oorlogsschip voor een maand, ieder uitgaande van een equipage van 100 man.
Merkwaardigerwijs werd door chirurgijn Nicolaus De Graaff [1619 - 1688], die bekend stond om zijn snijdende pen, het volgende milde oordeel over de voeding op de VOC-schepen vastgelegd: ‘t Schaffen op de schepen van d’ Oost-Indische Compagnie, insonderheyd op d’uytreyse gaat seer orderlijk, en niemant behoeft gebrek te lijden; dewijl alles, so spijs als drank overvloedig onder ‘t scheepsvolk word uytgedeeld, en worden de bakken driemaal des daags vol opgeschaft; te weten, yder baks volk alle morgen een volle bak warme grutten met pruymen gekookt, en over de selve boter of ander vet; ‘s middaags een bak witte erten en een bak Stokvis met boter en mostaard; uytgeseyd op Son- en Donderdag, wanneer sy ‘s middaags een bak met grauwe Err’ten, en daar na een bak met vlees of spek krijgen. Yder man krijgt alle weken vier pond brood, en dagelijks een kan bier, so lang ‘t selve duurd; ook olie, azijn, boter, spaanse en franse wijn, so veel tot gezonheyd en redelijk onderhoud van noden is. Op papier ziet dat er prima uit, maar in de praktijk was het verschafte eten en drinken volkomen ongeschikt voor menselijke spijsvertering en op lange reizen was vaak de helft van de bemanning niet in staat dienst te doen. Het sterftecijfer op de Indiëreizen lag op twintig tot dertig procent, maar het was geen uitzondering dat van een bemanning van 140 koppen slechts 40 terugkeerden omdat de rest was gestorven [Me4, blz.150]. Lees verder over het leven aan boord hoofdstuk 6 van "Het Oost-Indisch avontuur. Duitsers in dienst van de VOC (1600-1800)" van Roelof van Gelder in de Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren.
Verwant: VOC mentaliteit.
Zeemijl 1 zeemijl = 1852 m = 1 meridiaanminuut = per uur 1 knoop .
De meridiaanminuut kan worden afgemeten op de staande rand van een waterkaart.
Zie ook de schippersmaatlat, een herleidingtabel..
Zeevaart Wetenswaardigheden over onze maritieme historie. Veel scheepstypen worden beschreven.
Zeevast
Van de aanwijzingen die de Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij KNRM geeft bij het opleiden van redders kunnen ook watersporters profiteren. Redders van de KNRM spreken uit ervaring als ze aanbevelingen en tips geven. In dit kader heeft de KNRM het project Zeevast gestart. Het is een serie folders (boekjes) m.b.t. preventie van watersportongevallen. Te bestellen of te downloaden via www.knrm.nl.
In de serie zijn reeds verschenen:
-We konden nog net Ankeren...
-Vanmorgen deed hij het nog...
-Dit is me nog nooit gebeurd...
-Gelukkig kan ik het nog navertellen...
-In nood... en dan?
-Zien en gezien worden
-Uw reddingvest werkt alleen als u het aanheeft
Veiligheidsrichtlijnen.
Voorkomen van motorstoringen.
Preventie van ongevallen.
Voorkomen van onderkoeling.
Noodprocedures voor pleziervaartuigen.
Zichtbaarheid aan boord.
Doe-het-zelf test van reddingvesten.
Zeewaardig Een veel gestelde vraag. Wanneer is een schip zeewaardig? Een eenvoudig antwoord is er niet. Men zegt wel dat een schip zo zeewaardig is als de bemanning, maar vermoeidheid bij zware zeegang kan zelfs bij echte "buienkauwers" een gevaarlijke factor worden. Men hanteert liever de omgekeerde redenatie. Een schip is onzeewaardig bij onvoldoende sterkte, stabiliteit of reservedrijfvermogen; bij gebreken aan het schip of de voortstuwing; bij onvoldoende of onbekwame bemanning, onvoldoende brandstof, proviand en/of uitrusting. Er zijn voor het schip echter een aantal vuistregels. I.v.m. de zeegang wordt een scheepje van minder dan 7m lengte als niet zeewaardig beschouwd. Overkomend water moet snel afvloeien en niet naar binnen kunnen. Ramen niet in rubbers, maar b.v. in aluminium en het securityglas van voldoende dikte, want het geweld van een grote golf kan een raam in één klap doen springen. Het classificatiebureau Lloyd's Register of Shipping schrijft voor zeegaande jachten zelfs een glasdikte/oppervlakte verhouding voor:
- 6mm tot een oppervlakte van 0,45m²
- 8mm tot een oppervlakte van 0,80m²
- 9mm tot een oppervlakte van 1,00m²
- 10mm tot een oppervlakte van 1,25m²
- 12mm voor een oppervlakte >  1,25m²
De vorm van het onderwaterschip bij voorkeur rondspant, S-spant of multiknik. Standpijpen van toilet (gerief) en gootsteen moeten afsluitbaar zijn. Er moet een bilgepomp met groot debiet aanwezig zijn. De inboardmotor moet maritiem geinstalleerd zijn, d.w.z. geen (auto) ribbeltjesslang in het koelsysteem en luchtinlaten van de machinekamer moeten voorzien zijn van dorades. Er dient een waterafscheider in de brandstoftoevoer aanwezig te zijn.
Verder zijn een marifoon of EPIRB (noodzender) en goede reddings- /drijfmiddelen / vuurpijlen noodzakelijk. Uiteraard moeten kommaliewant en vooral zware voorwerpen zeevast gestouwd zijn. Probeer je maar eens voor te stellen wat een schuivende accu of gasfles kan aanrichten. Bij nieuw gebouwde schepen is de CE-categorie een leidraad. A en B duiden een behoorlijke mate van zeewaardigheid aan. Bij categorie C is het schip ontworpen voor niet meer dan kustwateren en bij D moet je beslist van zee wegblijven.
Zeilen Kortst mogelijke definitie: Het voortbewegen van een vaartuig d.m.v. uitgespannen doek met gebruik making van de wind;-)
Benamingen van de verschillende onderdelen van zeilen.
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
10.
11.
12.
13.
14.
15.
16.
17.
18.
19.
voorlijk
voet- of onderlijk
achterlijk
bovenlijk
halshoek
schoothoek
tophoek of top
tophoek of piek
klauwhoek
staaldraad in voorlijk
lijk[e]touw
rattestaart
reefknuttels
reefkous
baan of kleed
ronding
zeillat
zeillatzakje
reeflijn
De benamingen van de zeilen van een vierkantgetuigd schip zijn te vinden bij de afbeelding van een bark en op de pagina windjammers.
Zeilroede De benaming van het vaarwater van Lemmer naar de Groote Brekken. De roede was een lengtemaat die lokaal nogal varieerde, maar werd ook gebruikt als aanduiding voor een rak, een recht stuk waterweg tussen twee bochten, boeien of andere wateren, dat afhankelijk van de wind bezeild kon worden.
Zeilschip Definitie volgens Scheepvaartinspectie: "Een schip, al dan niet voorzien van middelen tot werktuiglijke voortstuwing, voldoende zeilen voerend om alleen daarmee veilig te kunnen varen, te beoordelen naar normen die in verband met de vorm en de afmetingen van het schip door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden vastgesteld. Een schip dat onder zeil vaart en tegelijkertijd zijn mechanische middelen tot voortbewegen gebruikt is voor de wet een motorschip".
Zeilschepen kunnen voor de wind, met ruime wind, met halve wind, aan de wind, hoog aan de wind en in/op de wind zeilen. Bij voor de wind, ruime wind en halve wind hoeft het schip niet te kruisen en heeft de vaarweg bezeild. Bij een versmalling zal je daarvoor uit moeten wijken. Aan de hand van een afbeelding met zeilstanden wordt e.e.a. duidelijk. Voor zeilschepen onderling gelden speciale uitwijkregels.
Zeilschool zeilschool.pagina.
Zeilstanden Voor de wind, ruime wind, halve wind, aan de wind, hoog aan de wind, in de wind. Allemaal zeilstanden. Uitleg met afbeeldingen op de pagina zeilstanden.
Zeilsteen
De zeilsteen was een magneetsteen. Italiaanse zeelui zouden rond 1190 uitgevonden hebben dat het mineraal magnetiet gebruikt kon worden om de Noordrichting te bepalen. Een andere methode - de afgebeelde zeilsteen uit de 18e eeuw zal volgens het scheepvaartmuseum voornamelijk hiervoor gebruikt zijn - was om een langwerpig stuk ijzer te magnetiseren, door er met de zeilsteen langs te strijken. Het gemagnetiseerde ijzer werd dan op een drijver of pen geplaatst om als kompas te dienen.
Zeilstrijken Letterlijk uit het [NvW]: "Het zeilstrijken is de saluatie, de groet of eerbewijzing die de schepen der steden of republieken, wanneer zij voorbij een Koninklijk schip of voorbij een vesting zeilen, afleggen. Zij doen ter begroeting 9 of 11, maar ontmoeten zij een admiraal 15 eerschoten en de wimpel wordt van boven op de grote mast tezamen getrokken of wat ingehaald; ook laat men de twee marszeilen wat schieten, gedurende de tijd dat het Koninklijk schip voorbij zeilt, of totdat men de vesting achter zich krijgt. Dan wordt ook ter eerbewijzing zulks met 7 of 9 schoten beantwoordt. Dit geschiedt van alle schepen, die in de Sont bij Kroonenburg voorbij zeilen, en de koopvaardijschepen bewijzen deze eer aan alle oorlogsschepen".
Zeiltekens De officiële zeiltekens en bijbehorende klassen waren te vinden op de site van watersportnet. Helaas bestaat de site niet meer. Daarna was er een verwijzing naar een pagina op de site van Jense reclameletters. Ook die is verdwenen of gewijzigd. Het is om moedeloos van te worden.  De meest complete op dit moment is de pagina zeiltekens op de site van Pieter Moerman.
Zelfbouw Bij zelfbouw of verbouw van je schip zijn minimum afmetingen, maar ook ergonomische maatcriteria voorhanden. Voor het samenstellen van onderstaande gegevens zijn diverse publicaties geraadpleegd. Tenzij anders aangegeven zijn alle maten gemiddelden en in centimeters.
Doorgangen
breedte op schouder en heuphoogte 50-60
Doucheruimte
vloeroppervlak; in combinatie met toilet en wastafel geldt de afmeting vóór pot en wastafel. Zie ook toiletruimte. 60 x 60
Kajuitbanken
zithoogte vanaf het midden van de zitting bovenkant kussen tot plafond 90-97
zitbreedte/diepte vanaf leuning 45-55
kniehoogte vanaf vloer tot bovenkant kussen 40-45
rugleuning vanaf bovenzijde kussen ( tussen kussen en leuning mag in de hoogte een opening van 15-20cm zitten). 40-50
hoek rugleuning verticaal 10º
hoek zitting horizontaal 0º-5º
dikte kussens 10
hoogte bovenzijde kussen tot onderkant tafel (dijbeenruimte). 17-20
afstand zitting tot tafelblad bij dinette waar tafelblad kan zakken tot slaapplaats.
(bij een tafelbladbreedte van 90 - 100cm ontstaat dan een kooi van 190 - 200cm)
0
Kajuittrap
tree diepte 35-40
tree hoogte 15-25
Kombuis
hoogte werkblad 85-100
oppervlak werkblad buiten gootsteen en kooktoestel 0,3m²
afmeting spoelbak 30x30
Kooien
lengte, (pas op bij lange mensen, neem dan persoonlengte + 10) 190
breedte enkele kooi op heup- en schouderhoogte 60-65
breedte enkele kooi bij voeteneinde 45
breedte dubbele kooi op heup- en schouderhoogte 120
breedte dubbele kooi bij voeteneinde 70
hoogte boven de kooi 50-60
dikte kussens/matras 10
Kuip
banklengte per persoon 55-60
zitbreedte/diepte 45-55
hoogte rugleuning 35-45
kniehoogte 40-45
doorloophoogte buiskap 160
middenpad tussen banken 60
Stahoogte
gemiddeld voor alle ruimten 185-190
Toiletruimte
(Gerief)
breedte met gesloten deur 60-65
ruimte voor de pot 35-40
hoogte boven de pot 90-97
zithoogte van de pot 40-45
Watertank
verbruik per persoon per dag excl. douchen 4-10 liter
Zelflozende kuip Een goede zelflozende kuip behoort geheel afgesloten te zijn van de rest van het schip, met spuigaten naar de zijkant of loospijpen naar de bodem. Beide systemen werken niet optimaal als de bodem van de kuip maar net boven de waterlijn zit. De spuigaten hebben dan het nadeel dat je bij weinig golfslag al water binnen krijgt. De loospijpen hebben het nadeel dat bij achteruit slaan schroefwater omhoog gestuwd wordt. Een zelflozende kuip werkt dus pas als de kuipvloer minstens 25 tot 30 cm boven de waterlijn zit, liefst hoger. Bij behoorlijke golfslag zal weliswaar water door de spuigaten naar binnen komen, maar ook direct afvloeien. Soms wordt onder de waterlijn gebruikt gemaakt van zelflozers. Dat zijn klepjes die tijdens varen door onderdruk opengaan en bij vaart minderen weer sluiten.
Zetboord Of spatplank. Een losse plank, die bij een diepgeladen schip bovenop het boeisel wordt gezet om de boordrand te verhogen tegen overkomend buiswater.
Zielverkoper Het werven van scheepsvolk geschiedde veelal door tussenkomst van logement- of volkhouders die tevens scheepsagent waren. Vaak waren dat ex-prostituees. Zij gaven het scheepsvolk onderdak, voeding en na aanmonstering een schaars gevulde zeemanskist. Op die manier stak de (aspirant)zeeman zich in diepe schuld, waarvoor hij een schuldbekentenis, transportbrief of ceel ondertekende. Omdat de gage pas werd uitbetaald wanneer het daadwerkelijk was verdiend, verkocht de logementhouder de ceel voor een aanzienlijk hoger bedrag aan derden (meestal de Compagnie). Dit "ceel verkopen" verbasterde en zo verwierf de logementhouder de naam van "zielverkoper". Hier een Oudnederlandse beschrijving uit 1775. Tot in de 20e eeuw plukten sommige kapiteins hun bemanning nog min of meer op dezelfde wijze. Het was dan wel geen zielverkopen, maar toch een winstgevend zaakje. Ze hadden een slapkist (afgeleid van slobchest, sloppe = working trousers) waaruit eenmaal per week kleren, laarzen, schoenen, tabak etc tegen hoge prijs werden verkocht [VvdM].
Zie ook de uitdrukking.
Zog Het zog is de plaats waar het vlak (bodem) van een schip aan de achterkant begint te rijzen. Het spoor van borrelend, schuimend, in beroering gebracht water, achter een zich verplaatsend schip wordt dan ook kielzog genoemd.
Zolderbak
Zomerbed Gemiddelde hoogte- en breedtemaat van een rivier in de zomer.
Zomp
Zonnepaneel Zonnepanelen aan boord zijn geen wondermiddel. Althans als ze in geringe mate worden ingezet. Een paneel van 50 watt bijvoorbeeld levert op onze breedtegraad in een etmaal zo'n 16 ampère, of anders gezegd, een capaciteit van 16Ah  (4 x 50 watt / 12) en dan nog alleen als gemiddelde in de periode april t/m september. Voor zeilers misschien toch net voldoende ter compensatie van het dagelijks tekort. Ikzelf had op mijn motorboot twee panelen van 100 watt. Daar heb je wel wat aan. De gemiddelde theoretische opbrengst is 4 x 200watt / 12 = 66 ampère en dat klopt aardig. Dagen stilliggen met een compressorkoelkast, regelmatig Senseo-gebruik en 's avonds TV-DVD was geen enkel probleem.
Voor het onderhoud van accu's tijdens de winterstop is een klein paneel overigens ideaal. Zonneschijn is niet nodig. Daglicht geeft voor dit doel al voldoende energie. In een oude Waterkampioen stond de volgende redactietip. Koop in een elektronicawinkel voor nog geen 10 euro een computerventilator en monteer die onder een dekventilatiekoker. Sluit daarop een ankerlichtschakelaartje aan, dat als het donker wordt automatisch aanschakelt en je hebt de zaak prima voor elkaar. Accu's in conditie, overdag bijladen, 's nachts wat ontladen (0,1-0,2 ampère) en een condensvrij schip door goede ventilatie.
Een zonnepaneel dient aangesloten te worden via een speciale laadregelaar met blokkeringdiode. Deze zorgt ervoor dat de accu niet overladen wordt en voorkomt ('s nacht) ontlading via het paneel. De draaddikte dient aangepast te worden aan de capaciteit van het zonnepaneel. Het voorbeeldpaneel van 50 watt levert theoretisch maximaal 4 amp (50 gedeeld door 12). Als we de vuistregel "draaddoorsnede = stroomsterkte (Amp) gedeeld door drie" hanteren betekent dit een draaddoorsnede van 1,5mm. Natuurlijk wordt deze laadstroom nooit bereikt. De waarde geldt bij maximale zonneschijn, optimale invalshoek en "lege" accu. Bij een boordsysteem met meerdere accu's met scheidingsdiode dient het paneel met laadregelaar tussen accu + en scheidingsdiode geïnstalleerd te worden. Het is dan aan te bevelen per accu een eigen zonnepaneel te gebruiken, hoewel Aqua Solar in Sneek complete systemen levert met een regelaar voor meerdere accu's.
Zuiderzee
Zo'n 180 eeuwen geleden kon over land naar Engeland gelopen worden en zelfs in de Romeinse tijd hadden de Nederlanden nog altijd meer vaste grond dan nu. Zuiderzee en Waddenzee bestonden niet en het vaste land (veengrond) liep door tot boven de huidige Waddeneilanden. De monding van de Rijn bevond zich bij het huidige Katwijk, met onderweg veel aftakkingen, waaronder de Isala (Gelderse IJssel) en de Eem, die via een moerasdelta in het kleine zoetwaterige Fliemeer, de Romeinen noemden het Flevo Lacus (Flevomeer), uitmondden. Die Romeinen deden twee dingen waardoor uiteindelijk (mogelijk) de Zuiderzee ontstond. Ze leidden het water van de Rijn voor een groot deel af naar de IJssel door het bouwen van een krib bij de splitsing van Rijn en Waal en door het bouwen van de Drususgracht, die de verbinding vormde tussen Rijn en IJssel en zij kanaliseerden de Vecht om op die manier van de Rijn in het Flevomeer te kunnen komen. Dit had tot gevolg dat het Flevogebied steeds meer waterbezwaar kreeg en dit rustige binnenmeer woeliger werd. In de eeuwen daarna volgden dan ook veel overstromingen waardoor de grotere Almere (Almare) ontstond. Haar oevers liepen door tot voorbij het huidige Dronten, terwijl de zee bleef oprukken. Het landschap bestond voornamelijk uit wouden en moerasgebieden, waarin groot wild, als beren, elanden en wilde zwijnen voorkwamen. Het was moeilijk begaanbaar en het enorme veengebied liep westwaarts helemaal door tot de Vormt, de enorme bult zand en keien uit de laatste IJstijd, waarop Urk is gebouwd en nu nog voor watersporters een gevaarlijke ondiepte is. In de periode 10e - 14e eeuw met als dieptepunt de zware herfststorm van 1170, waarbij het zoute water zelfs tot de muren van de stad Utrecht kwam, werd geleidelijk het door vele overstromingen brak geworden Almere - waaraan de plaatsen Alkmaar en Almere hun naam danken - veranderd in een gapende binnenzee die diep in de Nederlanden stak.
Zwaaikom
Een verbreding in het vaarwater, meestal een kanaal, waar voor grotere schepen gelegenheid is om te keren. Hoewel het aantrekkelijk lijkt, is het verboden hier ligplaats te nemen [Art 7.02i].
Zwaanshals De woorden zwaanshals en zwanenhals worden vaak met dezelfde betekenis gebruikt. Dat is onjuist. Een zwaanshals is een omgebogen luchtpijp of uitlaat, in ieder geval een slang of buis, om te voorkomen dat water binnenkomt. Een zwanenhals is een gebogen metalen haak als draaibare bevesting van de giek aan de mast van oud-Hollandse schepen.
Zwaard
Een ophaalbare plank of metalen plaat, die langsscheeps in het midden van een zeilboot is aangebracht, midzwaard, of twee stuks (lijzwaarden) welke op of bij de kimmen zijn geplaatst, kimzwaarden, of twee schilden, die aan weerskanten ongeveer midscheeps aan de buitenzijde zijn aangebracht, zijzwaarden. Het zwaard dient als "kiel" om het verlijeren, de drift, van het schip tegen te gaan, maar men spreekt pas van een zwaard als het omhoog of omlaag gelaten kan worden. Midzwaard en kimzwaard worden ook wel valkiel genoemd en zijn gemonteerd in een zwaardbun of zwaardkast. Zijzwaarden van binnenschepen zijn kort en breed (rondzwaard), die van vissersschepen lang en smal (zeezwaard) omdat ze op ruim water hun werk diepstekend beter doen. Bij aan- of in de wind laat de schipper het zwaard aan de lage (lij) kant zakken. Het zijzwaard is bevestigd met een zwaardbout of worgel, die door een gat in de verdikte kop gaat, die dwars over het lichaam van het zwaard ligt en de binnen- en buitenposten bij elkaar houdt. Aan de voorkant is het zwaard beschermd tegen stoten door een aanvaringsklamp of stootklos, die op het boeisel zit. Het zwaard zelf loopt langs een stoot- of zwaardklamp en onder water een geleider, de strijkklamp. Vaak is net boven de waterlijn nog een kabellat aangebracht om de krachten beter te verdelen. Met een aan het boeisel van het achterschip bevestigde zwaardloper wordt de stand geregeld. Volgens overlevering gaf de schipper met een ongeteerde bovenpost aan dat hij met afbetaald spul voer.
Zwei De verdraaiing in een huidplank van een houten schip of de staalplaat van een stalen schip. Het betreft de huidgangen die naar voor- en/of achtersteven lopen. Bij geklonken schepen kende men het werkwoord zweien. Het was het "uit de haak" zetten van stalen hoekprofielen. Als een spant "in de haak" stond (dat is een hoek kleiner dan 90°), kon men niet of moeilijk bij de klinknagel komen.

"uit de haak"

"in de haak"
Zwem
plateau
Een zwemplateau is vooral bij wat hogere schepen ideaal om vanaf het schip te zwemmen of bij man overboord iemand snel binnen te halen. Als je bij een bestaand schip besluit een plateau te maken sta je voor de keus: vast of vrijdragend. Met het lozingsverbod (2009) is het verleidelijk te kiezen voor een vast plateau dat tevens dienst kan doen als vuilwatertank. Het kan goed gaan, maar pas op. Je waterlijn wordt verlengd, theoretisch zal het schip zelfs sneller gaan, maar de stuureigenschappen kunnen heel nadelig worden beïnvloed omdat het roer te ver naar voren komt te liggen. Denk in ieder geval aan de constructie van een opstapje onder water. Verwant: trimvlak
Zwierboom
Als iemand even snel aan wal gezet moest worden was het bij een binnenschip niet noodzakelijk om helemaal af te meren. Er werd dan gebruik gemaakt van een zwierboom. In feite een bakspier, zoals op zeeschepen werd gebruikt om sloepen te kunnen bezorgen, maar dan niet met een lummel aan de scheepswand, maar uitzwaaiend vanaf dek of gangboord. Op het kroonvaarders community forum schreef ex NRM (Nieuwe Rijnvaart Maatschappij) kapitein Bertus: "We lieten het voorschip dan tegen de schuine wal zakken, de matroos pakte de meerdraad met voldoende loos, ging aan de zwierboom hangen en "zwierde" zichzelf naar de wal en legde de draad om de paal. Als het schip leeg was en achterover hing en hij slechts alleen was op het voorschip bonden we een lijn aan het einde van de zwierboom en legden er bv een steen op voor het geval de boom vanzelf terug mocht draaien naar boord. Ook de loodsen in de bovenrijn, waarvan sommige met de fiets aan boord kwamen omdat ze wisten dat ze 's avonds in de buurt van hun eigen woonplaats waren gingen met fiets en al aan de wal zoals op de foto is te zien".
Zwikken Het aanslaan van een (water)vat.
Zijroer
Zijroer of stuurboordroer. De kogge was een van de eerste schepen met een stevenroer, d.w.z. een roer dat aan de achterzijde midscheeps was bevestigd, zoals we dat nu nog kennen. Vóór die tijd maakte men gebruik van een zijroer, oorspronkelijk niet meer dan een roeispaan (roerspaan) welke bedoeld was om de boot, evenals - nu nog - de Venetiaanse gondels, voort te bewegen d.m.v. peddelen of wrikken. Op oude afbeeldingen, zoals hieronder een Egyptisch vaartuig, wordt deze roeispaan altijd aan de rechterzijde, stuurboord aangetroffen. Men neemt aan dat de benaming stuurboord hier dan ook vandaan komt.
Uitzonderingen bevestigen de regel. In 1863 werd bij Nydam (Sleeswijk-Holstein) in een turfmoeras een grote open roeiboot gevonden met een lengte van 23,7 meter en een zijroer dat aan bakboord hing. Het eikenhouten vaartuig dateert uit 300 n.Chr en kon worden geroeid met 15 paar riemen. Het staat nu bekend als de "Nydamboot".
Zijschroef
Omdat in de crisisjaren van de vorige eeuw veel kleine schippers de ombouw naar motorschip niet konden betalen ontstond niet alleen de opduwer, maar voor schepen op ruim water een nog goedkopere oplossing; de zijschroef, die al snel tot "lamme arm/vlerk" gedoopt werd. Hierbij werd gebruik gemaakt van een benzinemotortje dat veelal toch al onder een motorkap op het voordek aanwezig was om de mast te kunnen strijken (reggen) en heffen en het ankerlier aan te drijven. Het was vaak een liggend type, d.w.z. een horizontaal bewegende zuiger. Dwars over het voordek kwam via een vertraging met vrijloop een aftakas naar een haakse tandwielkast, die aan (meestal) stuurboord buitenboord stak. Van daaruit liep een lange as met schroef, die met de gland en een uithouder om de schroef vrij van het schip te houden, aan een davit hing. Via een handliertje kon de schroefas schuin naar beneden zakken, waarbij de schroef al naar gelang de belading op de meest gunstige diepte onder water gelaten kon worden. Het wieleffect (aan stuurboord koos men voor een links draaiende schroef) zorgde ervoor dat het geheel via de uithouder stijf tegen de scheepshuid drukte. Een keerkoppeling werd niet gebruikt, de schroefas zou immers achteruit draaiend door het wieleffect van de schroef naar buiten zwaaien waarbij de as uit de tandwielkast kon breken. Afstoppen en achteruitvaren was dus niet mogelijk. Bezoeker Pier Bruinsma vertelde dat in de jaren vijftig de schepen zelfs met twee zijschroeven waren uitgerust. Bij het laden en lossen werd de schroef aan de kant van de kade omhooggehaald en aan de andere kant weer neer gelaten ze moesten inmers weer weg kunnen varen. Er stond dan meestal een Deutz dieseltje op het voordek. "Ik heb ze in die jaren genoeg zien varen en in de haven van Amsterdam lagen ze te laden en lossen. Als we in het Merwedekanaal zwommen moesten we uitkijken voor zulke schepen".
Zijzwaard Zie zwaard.

 

Heel graag op- of aanmerkingen.

Op alle materiaal (layout, tekst en afbeeldingen) rust het auteursrecht van schipper Cees e.a.
Overname van artikelen of delen daarvan is slechts geoorloofd na schriftelijke toestemming.

Mocht je ondanks alle in acht genomen zorgvuldigheid menen rechten te kunnen ontlenen
aan in deze pagina gebruikt materiaal, laat de schipper dat dan zo spoedig mogelijk weten.

verantwoording