kennisbank voor pleziervaart
         en scheepvaarthistorie
 
 

Hé, dat wist ik niet...
  Tips en wetenswaardigheden
Gebruik het zoekveld wanneer je iets niet kunt vinden.
  A     B     C     D     E     F     G     H     I     J     K     L     M     N     O     P     Q     R     S     T     U     V     W     X     Y     Z  

Z

Zaat De grond van een droogvallende laad- en losplaats in een getijdehaven wordt zaat genoemd. Bij laag water ligt het schip op zaat, op een zaat, op de zaat, soms ook zate genoemd. De benaming wordt overigens voor elk stuk grond gebruikt waar een schip droogvalt, dus ook een zand- of modderbank. Goed beheer van "de zaat" bij een laad- en losplaats is noodzakelijk. Schuinaflopende grond bij de walkant wordt het liefst horizontaal gemaakt en onderhouden. Door schroefwater gedraaide putten dienen bij laag water regelmatig gedicht te worden en losliggende stenen verwijderd. Dat voorkomt schade aan het schip bij droogvallen. Zeker bij schepen met vol ruim kan sagging of hogging bij een "slechte zaat" ernstige schade veroorzaken. Verwant: op zwart zaad zitten, zeelingzaad.
 
Zaathout
Zaathout wordt ook wel geschreven als zaadhout. Da's natuurlijk verkeerd want zaat heeft alles te maken met de bodem van een schip, de bodem van een dijk, of een droogvallende getijdeplek, maar zeker niet met zaad van plant, mens of dier. Toegegeven; in Oudnederlands werden d en t naar willekeur gebruikt. Schrijftaal was nog geen gemeengoed en ontbeerde zoiets als het Groene Boekje. Zie b.v. zeelingzaad dat alleen bekend is uit het zeemanswoordenboek van Jacob van Lennep [1856], een woord dat hij toen al verouderd noemde en met een d schreef. Pas in 1865 kwam er een "Woordenlijst voor de spelling der Nederlandse taal" van De Vries en Te Winkel.
Andere benamingen voor zaathout zijn kolsem, kolsum, kolswijn of swin. Het is de langsverbandbalk in de bodem [onder of naast de buikdenning] van een houten spantgebouwd schip, ook wel tegenkiel genoemd en extra zwaar uitgevoerd op de plaats waar de mast staat (nr. 2 op het plaatje). Doorgaans zijn ter weerszijden van dit zaathout meer evenwijdige balken aangebracht, de bijzaathouten of zijdragers, e.e.a. geschoord door blokjes hout, de woutermannetjes. De verlengstukken van het zaathout die aan de binnenkant van de voorsteven oplopen heten vooroploop en die over het slemphout tot tegen de achtersteven lopen achteroploop.
Zaling Een zaling is in principe elk dwarshout, dwars- en/of langszaling, dat horizontaal aan mast of boegspriet (behalve de stampstok) is bevestigd, om het want te spreiden, maar ook als onderschraging van stengen en marsen. Elke zaling heeft een eigen naam: bramzaling, marszaling, langszaling enz.
Zalmschouw De zalmschouw was een riviervissersscheepje met spits toelopende achtersteven. Afhankelijk van de soort vis (trekvissen als zalm, forel, steur, elft, fint, houting en paling) waren er verschillen in uitvoering, inventaris en maatvoering. De afmetingen variëren daardoor van 4,50 meter tot 7,50 a 8 meter, ook de bouwwijze was per werf verschillend. De zalmschouw werd meestal met een bun (beun) gebouwd om de vis levend te vervoeren.
Zandloper Een zandloper is een tijdglas waarvan de oorsprong terug gaat naar het oude China; zie glazen slaan, maar ook de benaming van de ijzeren beschermrand (sleepijzer) aan de onderzijde van het zwaard. In ondiep water kan het zwaard over het zand lopen en schippers gebruiken dit doelbewust om het schip af te stoppen of op zijn plaats te houden. Zie ook getij stoppen. Verder wordt in de visserij het dagmerk van twee kegels met de punt naar elkaar toe ook wel een zandloper genoemd.
ZAR In het spraakgebruik de afkorting voor Zeeaanvaringsreglement, een bij oude varensgasten gebruikte benaming voor de BVA (Bepalingen ter Voorkoming van Aanvaringen op zee). Als pleziervaarder op binnenwater kom je er niet mee in aanraking. De BVA zijn vergelijkbaar met de vaarregels op binnenwater, maar bestaan meer uit richtlijnen dan uit gebods- en verbodsbepalingen en laten veel aan het goed zeemanschap van de schipper over.
Zeedijkvisserij De term zeedijkvisserij wordt gebruikt voor de Zuiderzeevisserij in Friesland ten Noorden van Vollenhove. De bootjes, veelal haringboten werden in het vroege voorjaar, soms al in februari met vele behulpzame handen over de dijk gesleept. Verwant haringboot, slikbak.
Zeeg
Zeeg of zaalt is de kromming of verloop in de deklijn vanaf het voorschip tot het achterschip. Het verschil in centimeters (of vroeger een andere maatvoering) wordt deksprong genoemd. Je trekt een lijn langs de hoogste punten van voor- en achtersteven en meet het verschil tot het diepste punt van het boord. Dat getal is de sprong. Een omgekeerde zeeg (soms spreekt men over "negatieve zeeg") is een bolling in het dek bij sommige wedstrijdzeilboten. Dat noemde men een kattenrug. Oorspronkelijk natuurlijk zonder tussen "n". Kijk voor zo'n katterug bij Mystère.
Meerdere toevoegingen aan "zeeg" (oplopend, sterk, vlak of flauw, gestrekt) zijn te vinden op binnenvaarttaal.
Zeehelden Volgens Van Dale is een zeeheld "iemand die zich dapper gedraagt in zeegevechten". Dus iedere varensgast, van opperbevelhebber tot officier of bemanningslid. Toch hebben onze geschiedschrijvers het bij zeehelden alleen over opperbevelhebbers als schouten-bij-nacht en admiraals (vice- en luitenant-admiraals). Gesneuvelde opperbevelhebbers stierven een heldendood en kregen (ook als ze in bed stierven) een praalgraf. Over varensgasten die hun leven lieten (de echte zeehelden) hoor en vind je niets. Hier de door marinehistoricus Ronald Boudewijn Prud'homme van Reine (in 2004 winnaar van de J.C.M. Warnsinck-prijs) samengestelde top-10 van zeehelden uit de zeventiende eeuw:
  Michiel Adriaanszoon de Ruyter
Maarten Harpertszoon Tromp
Cornelis Tromp
Pieter Pietersen Heijn
Witte Corneliszoon de With
Jacob van Wassenaer Obdam
Jan van Galen
Johan Evertsen de Oude
Jacob van Heemskerk
Pieter Florisse.
Zeelingzaad Dit prachtige Oudnederlandse woord als wetenwaardigheid. Het was de benaming voor de afdruk die een schip in de bodem achterlaat wanneer het vast gezeten heeft.
Zeemans bijgeloof Zie scheepsbijgeloof.
Zeemanschap
Tja, wat is nou zeemanschap? Het BPR spreekt zelfs over "goede zeemanschap" [art. 1.04 en 1.05], terwijl het reglement toch echt voor de binnenvaart is. In oorsprong wordt natuurlijk de vaardigheid en kundigheid ter zee bedoeld en zeemanschap kan alleen verworven worden door oefening en ervaring, waarbij theoretische kennis een onmisbare basis vormt. Met "goede zeemanschap" wordt bedoeld dat men de juiste beslissing kan/moet nemen in situaties welke niet zijn voorzien in de reglementen. Niet alleen op zee, maar ook in de binnenvaart. Ongetwijfeld is zeilen nog altijd de beste leerschool voor zeemanschap. Taalkundig (maar wie ben ik) zou ik niet spreken over "goede zeemanschap", maar over "goed zeemanschap" (zonder e).
Zeemanskost Een alfabetische bloemlezing uit marine- en koopvaardijtaal voor gerechten en dranken en zaken die daarmee te maken hebben. Een paar komen uit het Sparks' en van Dalen woordenboek voor scheepsgebruik van oud radio-officier Johan Karels met de waarschuwing: "Niet geschikt voor mensen die snel rooie oortjes krijgen".
Verwant: Zeemansvoeding in voeger tijden en Victualielijsten uit 1697, 1775 en 1950.

Afbijt. Eertijds bij de marine een vieux van mindere kwaliteit, Het was "Hollandse cognac", ook bekend als "peut".
Apenmelk. Jenevergrog. Oorspronkelijk een avonddrank aan boord bestaande uit jenever en heet water. In luxe vorm met honing, kaneel en citroensap. In de loop van de vorige eeuw plaats gemaakt voor een longdrink van sodawater met afbijt (zie hierboven) of in luxe vorm met cognac of whisky.
Arme jongen. Gerecht van scheepsbeschuit gemengd met vlees en vetresten, vaak geserveerd aan het eind van de reis, wanneer de voorraden geslonken waren. Zie ook Kaaps duifje.
Bacalao. Stokvis, of zeehaas. Deze van oorsprong Spaanse benaming werd bij de Hollandse zeelui gemeengoed voor gedroogde zoute vis. Zie ook labberdaan en bakkeljauw.
Bakkie zweet. Hete koffie, thee of chocolademelk (poeroet).
Beflap. Draadjesvlees, langdurig gestoofd rundvlees, ook als "osselor".
Bezaansschoot aan, "schoot aan" of "schootan". Extra rantsoen sterke drank als beloning voor zwaar werk. De borrel werd verstrekt op het achterdek bij de achtermast, die bezaansmast heet en waar het volk alleen maar kwam om de bezaanschoot aan te halen.
Blauwe hap. Indische maaltijd van hete rijst. De oorsprong van de aanduiding "blauwe" is niet helemaal duidelijk. Volgens Ido Eduard Saueressig werd dit woord in Indische kringen als geuzennaam beschouwd. Hollandse matrozen kregen in de tropen bij de geringste inspanning een rooie kop. Inheemse collega's spraken dan over "roodhuiden" of "rode jongens". Als reactie daarop kregen de Indische matrozen de spotnaam "blauwe jongens" In de jaren 50 bracht de marine deze spotnaam naar Nederland. In mijn diensttijd [1964] werden militairen van Indonesische afkomst nog steeds blauwen genoemd. Ook is er de verklaring dat veel Indo's als baby een blauwige pigmentvlek rond hun stuitje hebben die geleidelijk verdwijnt. Het werd de Mongolenvlek genoemd. Iemand een betere verklaring?
Blinde flens. Pannenkoek.
Bramstaglopers. Kapucijners, eigenlijk grauwe erwten. De naam komt van de houten kralen (ballen) aan een bramstag voor het aanbrengen van een tussenzeil. De bramstag is de langsscheepse ondersteuning aan de voorzijde van de bramsteng. Zie ook raasdonders.
Broek van Bertha. De bijnaam voor een luchtkoker aan boord van marineschepen, maar ook de naam van een mixdrankje dat bestaat uit een borrelglas jenever of gin, citroensap, groene grenadine en ijsblokjes.
Buizen. Bier drinken, stevig doordrinken.
Bullenbeef. Cornedbeef.
Camouflagenet. Andijviestamp, zie ook Zeeuwse wasdag..
Cement. Dikke snert (erwtensoep), stijve aardappelpuree of aan tafel gemengd gewapend beton.
Chow. Maaltijd, ook als "chop chop" of "makan".
Clear water. Heldere soep met weinig "vulling".
Commissarisje. Borrel van half om half jenever en berenburg. Ook bekend als koetsiertje.
Dieptebom. Coctail van veel verschillende soorten drank (uit elke fles een scheut). Ook de benaming voor een vleeskroket [TvhW].
Draadversperring. Maaltijd (oorspronkelijk ontbijt) van rijst met hachee van draadjesvlees met veel sambal (minder vet dan rotmok).
Drijfijs. Zie snert met drijfijs.
Duitse aardappelen. Gebakken aardappelen met corned beef.
Eelt schroeien. Vlees braden.
Galgenmaal. Eten dat niet veel zaaks is. De benaming ontstond op de marine kweekschool voor zeevaart "Prins Hendrik" te Leiden die aan het Galgewater lag. De verbinding tussen de Oude Rijn en de stadsgrachten. Als er teveel "galgenwater" in de snertketel was gedaan en de soep nogal dun was uitgevallen noemde men dit een galgenmaal of minder luguber "galgenwater". De uitdrukking is na opheffing van het internaat in de eerste wereldoorlog zo goed als "verwaterd". [Chb1]. Op de gevel van het inmiddels rijksmonument is nog steeds het merkwaardige marinesymbool van een onklaar anker te zien.

 

De kweekschool met leerlingen aan het Galgewater. Foto wellicht uit 1914 toen de kweekschool overging van opleiding voor de laagste rangen bij de marine naar een vooropleiding voor leerling-officieren.

Gasballen. Spruiten, ook als "sopdotten".
Gattepetiel. Groot vergiet.
Gebakken marinier. Gebakken blikvlees (cornedbeef, boterhamworst, ham uit blik, luncheon meat e.d.) met ui, sambal, knoflook en ketjap. Bij voorkeur op brood. Behoorlijk vette, doch niet onsmakelijke hap. Vele variaties zijn mogelijk.
Gewapend beton. Zie zeven gerechten.
Gortschaften. Ontbijten.
Gouri-schotel. Geen gerecht, maar wel een wetenswaardigheid. In de VOC-tijd een uit China naar Voor-Indië gevoerde groene porceleinen schotel, ook wel vergifschotel genoemd, omdat men geloofde dat hij zou barsten als er vergiftigde spijzen in werden opgediend [Glos].
Grafzerk. Marinebenaming voor de lei of het bord waarop de hofmeester het dagelijks menu schreef.
Grind met specie. Aardappelpuree met erwten.
Groningse rijsttafel. Zie Zeeuwse rijsttafel.
Haas met popi. Gerecht van stokvis (zeehaas) met een saus van gewone zoete stroop.
Haentjesbier. Uit de VOC-tijd. Hollands bier uit de brouwerij "Het Haentje" te Amsterdam.
Handvat. Ribkarbonade.
Hap in elkaar trappen. Maaltijd bereiden.
Hap snert. Een hap snert verwerken is geen lepel erwtensoep, maar een borrel drinken.
Happen. Een glas bier drinken.
Hete rijst. Rijsttafel gebaseerd op de Indische maaltijd van rijst, groente en sambal, maar dan wat milder en met vlees. Bij militairen bekend als blauwe hap.
Hollandse rijsttafel
. Zie Zeeuwse rijsttafel.
Horecapukkel. Dikke pens, bierbuik. (is dit wel marine- of koopvaardijtaal?)
Hors de manoeuvre. Salade van restjes aardappelen en vlees, met appel, bietjes en augurk.
Huppelwater. Jenever.
Ikan kaju splitpen. Rolmops (ikan = vis ; kaju=hout ; splitpen=prikker).
Jachtschotel. Een typisch koopvaardijgerecht om restjes rund- of varkensvlees weg te werken. De kok mengde het vlees met uien, zure appels en aardappelen en voegde naast de kruiderij laurierblad en kruidnagel toe. Het geheel werd bestrooid met paneermeel en in de oven voorzien van een bruin korstje. De bemanning zei dan: "Hij heeft de vleeskamer aangeveegd".
Jopenbier. Dik moutrijk donker bier, dat als middel tegen zwakte en bloedarmoede gold. Genoemd naar een straat in Dantzig [Glos]. Beperkt houdbaar, dus alleen aan het begin van de reis.
Julianakneiter. Krentenbrood.
Kaan of kaantje. De knapperige restanten van in stukjes gesneden reuzel (varkensvet, niervet of rundvet). Oorspronkelijk zelfs van walvisvet, maar dat zal wel niet lekker of niet te eten geweest zijn. Niet specifiek een zeemansgerecht, maar hier toch genoemd vanwege de andere betekenis:
Kaan is/was namelijk ook "De scheldnaam voor den chef van de equipage als deze opper-schipper is. Wordt natuurlijk alleen gebruikt als hij niet in de buurt is, zelfs niet als het gemeenzaam bedoeld is, tenzij de Kaan gevoel voor humor heeft. Maar gebruikt wordt deze uitdrukking wel en dikwijls. Was de chef van de equipage een torpedist, of is hij, zooals in de marinierskazerne, adjudant van de mariniers, dan is het: Klep". (Chb1)
Kaaps duifje. Scheepsbeschuit, geweekt in zout water en belegd met een stuk spek. Genoemd naar de stormvogel (kleine meeuw) van de Zuidelijke Oceaan ter grootte van een houtduif. Zie ook Arme jongen.
Kampersteur. Aardappelpuree met saus en ei.
Kanen. Eten. "Valt er nog iets te kanen"?
Kanepieper. Scheldnaam voor de scheepskok. Ook wel "kanenbraaier". Kaantjes zijn de knapperige restanten van in stukjes gesneden reuzel (varkensvet) of rundvet. Met peper en zout een ouderwetse lekkernij op brood. Hier een link naar Smulweb.
Kansfles. Literfles.
Kapiteinskost. Kapucijners met speklapjes en mosterdsaus.
Kerrieduiker. Een kok die nogal kwistig met kruiden werkt.
Ketelkoek. Nagerecht van meel, melk en stroop, dat in een zak wordt gekookt en aldus een stevige pudding oplevert, die e.v.t. met een draadje in plakken kan worden gesneden om in boter op te bakken [TvhW]. Nagenoeg hetzelfde recept (met rozijnen) staat aan wal bekend als "Jan in de zak", "broeder" of "poffert". Zie ook loerd.
Kip met een gouden speldje. Taaie kip. Ook als "kip met dienstjaren".
Kippenkakken. Kippenpoten.
Kippenkogels. Eieren.
Klamme vaas. Biertje, ook als "kouwe klets", "kouwe toeter", "pot", "pot scheerwater", "slokje eten", "slurfie" en meer.
Knuf. Drankje zonder alcohol, ook als "soffie".
Koes-koes. Onsmakelijk uitziend mengsel van doorgeslagen gort en suiker, dat de volgende dag, als het stijf is, wordt vermengd met limoensap (lem-lem). Goed tegen scheurbuik (blauwschuit). Een goede koes-koes was gistend, maar nog net niet bedorven.
Koetsiertje. Borrel van half om half jenever en berenburg. Ook bekend als commissarisje.
Kommies. Marinenaam voor brood.
Konkelpotje. Koffiepot.
Kopstootje. Combinatie van een glas jonge jenever met bier. Volgens zeggen ontstaan bij de marine. Zie: recht-op-en-neer.
Krotenkoker. Kok ("kroten" is Rotterdams/Dordts voor bieten).
Kruitvatsoep. Soep met tomaten, ui, rijst, peterselie, Spaanse pepers en sambal, veel sambal.
Kwakkie van de chef. Mayonaise, ook als "sap kau yau" (Chinees voor sperma) en "hartkleppenvet".
Laagwater. Einde van de maaltijd. Ook als ander woord voor afwassen (schoonmaken kommaliewant).
Labskous of lobskous. Oud beroemd en berucht zeemansgerecht dat bestaat uit resten van gezouten vlees, zoute haring, aardappelen en/of fijngestampt scheepsbeschuit en uien. Als het "zoutvlees" te droog was werd spek toegevoegd. Oorspronkelijk dus een ratjetoe van restjes. "Lobskous" was de benaming voor alle overgebleven rommel aan boord. In de 20e eeuw verving men het gezouten vlees door cornedbeef en serveerde men de labskous met spiegeleieren, rode bieten en zoute augurk. Wybe van der Wal bestelde in het voorjaar van 2005 deze moderne versie van "labskaus" in de Ratskeller van Bremen. Hij gaf als commentaar: "Volgende keer neem ik toch iets anders. Het is een zeer onbestemd eten". Een hedendaags recept is te vinden op Smulweb.
Lamieren van het gortwater. Niet zo zeer een gerecht, doch een wetenswaardigheid. Vroeger bestond aan boord het ontbijt (vroegkost) voornamelijk uit gort. Wee de kok die bij het aanbreken van de dag (licht worden, lumieren) het gortwater niet aan de kook had. Lamieren is het tegen de kook houden.
Lem. Ook als lemlem. Citroenlimonade met veel vitamine C. Werd tot het midden van de vorige eeuw verstrekt.
Leuning. Marinenaam voor rookworst.
Loerd. Meelgerecht, "Jan-in-de-zak". Zacht gegaarde meelkoek. Zie ook: ketelkoek.
Luchtpostpapier. Dun gesneden (Leidse) kaas.
Lurkemmer. Drinkglas of mok.
Maandsaus. Tomatenketchup.
Mannenpudding. Stevige kost, pittige kost of sambal.
Mastiek. Plakkerige kaas, smeerkaas.
Matrozenkost. Gerecht van bruine bonen, (dop)erwten, prei, ui, spek, leverworst en yoghurt of karnemelk.
Matrozenmutsje. Koffie met ferme scheut voorhanden zijnde sterke drank.
Mee of Mede. Niet specifiek een zeemansdrank, maar eertijds toch "voor de cajuyt" wel meegenomen. "Een aangename drank die van honing en water gemaakt wordt. Neem agt stoop water en zoveel honing dat er een ei op dryven kan; doet daar by drie citroenschillen; kookt dit, en schuimt het wel als de schuim op komt. Neem het als dan van het vuur en doet er de drie citroenen in stukken gesneden by; giet het in een tobbe of open vat dat schoon is en laat het drie dagen werken. Schuim het vervolgens wel en giet het klare gedeelte in een vaatje en laat het open staan tot het ophoudt met gisten. Stop het vervolgens dicht toe en in drie maanden tyds zal ze zeer goed en bekwaam zyn om afgetapt te worden".
Middel tegen zeeziekte. Geen speciale benaming. Volgens Arthur van Schendel [1874-1946] was dit in de VOC tijd een feilloos recept: "Roer twee delen olie met een deel honing tot het zalvig wordt. Voeg daar een derde fijn mosterdpoeder aan toe. Nuttig dat met scheepsbeschuit" (dubbelgebakken brood). Je had natuurlijk ook nog poleponze: "Een zeker preservatief, dat uit brandewyn, suiker, nootemuskaat en citroensap bereid werd, waarmede ze die geenen, die op zee ziek worden, verkwikken". Nieuwe maats werd wel aanbevolen een stuk spek aan een touwtje weg te slikken en het daarna terug te halen. Volgens oud premier en voormalig onderzeebootcommandant Piet de Jong was pornografie ook een beproefd middel. Nieuwe gasten die zeeziek werden stuurde hij wel te kooi met een sexboekje. Een tijdje later waren ze dan aardig opgeknapt. Zie ook zoetwatermatroos.


Zeezieke passagiers aan boord van een emigrantenschip [1820]

Mogen wij zwijgen? Ondefinieerbare massa van blikvoer (gehakt, aardappelen, slappe groente?). Van oorsprong de titel van een nogal "heftige" film uit het stomme tijdperk. De film propageerde het onderzoek naar het vaderschap. Menig marineman wilde het "vaderschap" van zijn opgeschepte prut ook wel onderzoeken...
Mom. Dik krachtig hopvrij bier uit Brunswijk, genoemd naar de eerste brouwer, Christiaan Mumme. Het werd veelal vanuit Europa op de schepen naar Azië meegevoerd [Glos].
MSF korrels. Gekleurde muisjes, traditioneel ontbijtbeleg, ook bekend als "technicolor". MSF = Marine Sanatorium Fonds.
Namokken. Toetje eten.
Nassi Purmerend. Rijst met boter en suiker.
Nooitgedacht. Gerecht van kapucijners met boterhamworst, nasikruiden en -groenten. De "uitvinder" van dit gerecht, die zomaar wat doorelkaar husselde zou geroepen hebben: "Nooit gedacht dat het zo lekker zou smaken".
Oorlam. Borrel jenever; tot 1895 door de Nederlandsche Marine 's morgens en 's middags aan elke matroos uitgereikt. Na 1846 beperkt tot meerderjarige manschappen. De oorsprong van het woord ligt in het Maleis. Op Kaap de Goede Hoop was het sinds de VOC tijd gebruikelijk dat de kolonisten Indische bannelingen als bedienden hadden. Door hen werden de Hollanders die op thuisreis de Kaap aandeden "orang lama datang" genoemd. Vrij vertaald: oudgediende of bekwaam man. Het werd verkort tot orang lama en vervolgens verbasterd tot oorlam. In Indië zelf werden Europeanen trouwens hoedendragers genoemd. De tijd die de thuisvaarders aan de Kaap doorbrachten werd oorlammentijd genoemd. De "oorlammen", de hoedendragers dus, stonden bekend om hun drankzucht en zo zou de naam bij de borrel terecht zijn gekomen. Oorspronkelijk ging het om Kaapse wijn: "In een eenvoudig dranklokaal kostte de wijn drie stuivers per fles. Voor het genot van muziek en dans steeg de prijs tot zes stuivers, voor het comfort van fatsoenlijk meubilair en gratis pijp en tabak naar acht stuivers en zij die de biljartkamer gebruikten betaalden zelfs tien stuivers per fles" [AS]. Met de oorlam werd later vooral jenever, rum (kelduivel) en brandewijn (brandemoris) bedoeld.
Zie ook pimpelen.
Op je merk liggen. Genoeg gegeten hebben, voldaan. Verwijzing naar het Plimsollmerk.
Opbakken. Opdienen van het eten.
Opsnit. Broodbeleg (vleeswaren).
Oranjerats. Gerecht bestaande uit wortelen, witte bonen, uien en pastinaken, of simpelweg hutspot (aardappelen met peen en uien).
Osselor. Draadjesvlees, langdurig gestoofd rundvlees, ook als "beflap".
Peut. Hollandse cognac, eertijds bij de marine een vieux van mindere kwaliteit, ook bekend als "afbijt".
Pikheet. Theepauze. De uitdrukking stamt uit de zeiltijd. Omdat het ingieten van hete pek (pik) in de breeuwnaden niet onderbroken mocht worden, werd vooraf pauze gehouden om koffie of thee te drinken.
Poerlepap. Eigenlijk "poerlepap van baadje". Alleen vermeld als wetenswaardigheid, want de samenstelling is onbekend. De poerlepap was een lekkernij in Indië, speciaal te Makassar omstreeks 1890-1910. Wat poerlepap precies was zal wel altijd een geheim blijven, doch het was smakelijk en zag er uit als chocoladevla. Baadje was een te Makassar geboren kadraaier, die de poerlepap maakte en aan boord onder de maats verkocht in zulke hoeveelheden, dat een afzonderlijke prauw nodig was voor het vervoer naar de schepen. Als Baadje van wal stak - zo tegen half twaalf, na vastwerken (alklaar) - dan schreeuwden de seiners van de duiventil: "Sein op, Baadje poft", en kwamen de maats met schaftblikjes aan dek gehold om de poerlepap in ontvangst te nemen [Chb].
In 't Juttertje, een bijvoegsel van de Heldersche Courant van zaterdag 16 dec 1922 vinden we onder de kop marine-herinnering het volgende:
Baadje hield er een warong op na met allerlei heerlijkheden, zoals gebakken vis, garnalen, pisang koekjes, vruchten in verschillende soorten en last not least poerlepap. Het was een lekker kostje, een donkere pap waarin blijkbaar vele vruchten waren verwerkt, voornamelijk papaja.  Maar als men dan eens aan Baadje vroeg hoe de samenstelling was hield hij zich leuk van den domme. Baadje zou aan zijn naam gekomen zijn omdat zijn groot- of overgrootvader (zolang bestond de zaak al) eens van een "Jan" een oud marinebaadje had gekregen waarmee hij zich tijdens het uitoefenen van het bedrijf dan tooide.
Over het woord poerlepap is nauwelijks iets te vinden. Was het een superlatief? Reeds in 1883 schreef auteur A.C. de Zwart in zijn Hoe de zoon van den pionier President werd  "Ja, ja, ik weet wel wat ge daarmede zeggen wilt. Poerlepeper en poerlepap ! Dat hij zoo ontzettend vloekt".
Poeroet. Hete chocolademelk.
Poespas. Weke stamppot waarvan de samenstelling niet altijd duidelijk is. Oorspronkelijk de hutspot van de Groenlandvaarders. Later een gerecht van vlees, gort of droge rijst en groenten. De onomatopee poesh-pash dankt haar naam waarschijnlijk aan het soppend geluid dat het gerecht maakte als je het omroerde.
Popi. Gewone zoete stroop, onmisbaar onderdeel van het gortschaften. Popi werd ook wel aangeduid als "heldenmoed" en de pot met popi als "lefpul", want zoetigheid bij het eten (haas met popi) gold eigenlijk als afschrikwekkend verval.
Potage periodique. Tomatensoep.
Punten en strepen. Erwten met worteltjes.
Pijpetijd. Bartijd (5 uur 's middags).
Raasdonders. Ook als "roldonders" (Vlaardingen) of "Hellevoetse raasdonders". Kapucijners met vet, doorbakken spek of gerookt spek, geserveerd met (gebakken) aardappelen of rijst en garnituur; een luxe versie van bramstaglopers. De Hellevoetse variant bestaat uit gekruide kapucijners met gehaktballetjes, gegarneerd met hamrolletjes en mayonaise. [TvhW]
Recht-op-en-neer. Oorspronkelijk een andere naam voor een oorlam. Het zou ontleend zijn aan de grote zeilvaart, waar het scheepsvolk bij het ophieuwen van het anker landurig moest rondlopen aan de gangspil . Zwaar werk. Als de ankerkabel "recht op en neer stond" en het anker op punt stond los te komen werd wel een oorlam verstrekt. Tegenwoordig ook de bijnaam voor een kopstootje. Dat is een combinatie van een glas bier en een glas jonge jenever. Bedoeld als een slok jenever gevolgd door een slok bier, ooit ontstaan door een weddenschap wie de meeste drank kon verdragen zonder om te vallen. Huidige stappers gebruiken het bij indrinken juist wel om snel de hoogte te krijgen. Een andere methode is om het glaasje jenever in een gevuld bierglas te laten zakken en het dan zo snel mogelijk achterover te slaan.
Restaurant "Zeezicht". Eetzaal / -ruimte aan boord. Ook als messroom, vreetschuur, cafetaria, cafetaris of kortweg CAF.
Roerganger. Het is de vraag of dit mixdrankje een zeemansoorsprong heeft. Het bestaat uit een borrelglas whisky, een half borrelglas apricotlikeur en een borrelglas hete sterke koffie.
Rotmok. Ook wel "Rijsttafel-belazer", Rijst met hachee, of een stoofpot van restjes vlees. De naam zou ontstaan zijn doordat een schepeling op het idee kwam vlees- en vetresten met een gesnipperd uitje in een mok op het vuur te zetten en te laten "snurken", hetgeen de kok te bar werd en die "rot mok" de kombuis uitsmeet, waarop een stevig robbertje gevochten werd.
Rumstel. Rum cola.
Rijsttafel belazer. Zie Zeeuwse rijsttafel.
Salmagundi. Volgens "The Pirates" van Douglas Botting zou dit een stevige pot van/voor piraten zijn als zij een koopvaarder met welvoorzien victualieruim te pakken kregen. Maar ook aan wal. Het bestond uit geroosterd vlees in brokken (van welke oorsprong dan ook) gemarineerd in gekruide wijn, gemengd met kool, ansjovis, pekelharing, hardgekookte eieren, uien, olijven en wat maar meer voor handen was. Het geheel werd sterk gekruid met knoflook, zout, pepers en mosterdzaad, overgoten met olie en azijn en verslonden met bier en rum. Kortom een pittige hap. In latere tijd keurig omschreven als allerhande opgewarmd vlees, "meerendeels van klein gesneden gebraad, met eene saus" en hedendaagse recepten spreken over een gemengde salade van kip, kalkoen, vlees, vis en groente of een ragout daarvan, waarbij soms de naam ratatouille opduikt. Dat laatste is niet juist, want salmagundi is en was een maaltijd op basis van vlees, terwijl ratatouille (Frans) of warmoesschotel (Nederlands) een stoofpotje gemengde groenten is.
Verwant: boekanier.
Scheepsbeschuit. Een hoofdbestanddeel van de scheepsvoeding vanaf de 16e eeuw was hart broot of kaak, dit als tegenstelling tot gewoon week brood. Het deeg van tarwe- of roggemeel werd zonder gist twee maal gebakken tot droge zeer goed houdbare koeken. Als je een indruk wilt krijgen is hier een benaderingsrecept (geen tweebak) van koken en zo:
Vier kopjes bloem, 1 kopje water en een theelepeltje zout.
Kneed in een kom de ingrediënten tot een stevig deeg.
Rol het deeg uit op een vlakke ondergrond waar je een beetje bloem op gestrooid hebt.
De deegplak moet ruim 1 cm dik zijn.
Snij het deeg in plakken van ongeveer 7 cm.
Leg ze op een bakblik en prik er met een vork gaatjes in.
Zet het bakblik in een hete over (350 graden).
Als de beschuiten lichtbruin zijn (na ongeveer een uur) zijn ze klaar; draai ze af en toe.
De keiharde beschuiten werden geweekt in water of thee, of in brokken meegekookt in een "soep" van zoutvlees.
Schoot aan! of "schootan!". Uitroep/uitnodiging om een borrel te drinken. Waarschijnlijk ontstaan als beloning voor het harde werken dat nodig was bij het aanhalen van de schoten om zo scherp mogelijk aan de wind te kunnen zeilen.
Schurfie. Warm prutje van restjes vlees, (zoete) aardappelen, uien, knoflook, ketchup en sambal, of in het algemeen de benaming voor een opgewarmd prakkie.
Snelvuur. Een kop of mok hete chocolademelk (poeroet). De naam heeft niets te maken met een bepaalde methode van vuren, maar met de maatregelen ter beperking van het drankmisbruik. Toen op 7 Juli 1902 voor  de "Algemeene bond voor Nederlandsche marinematrozen" een eigen bondsgebouw werd opgericht plaatste men op het buffet naast de biertap een grote ketel, die de vorm had van een granaat, en bestemd was om er hete chocolademelk uit te tappen. Al snel was het in zwang om "een kop snelvuur" te bestellen.
Snert met drijfijs. Erwtensoep met dobbelsteentjes spek. Drijfijs slaat ook op de dobbelsteentjes knolselderij.
Sopdotten. Spruiten, ook als "gasballen".
Spekplank. Houten vleessnijplank met handvat en opvanggootje.
Staalmannetje. Klein tarwebrood, het rantsoen voor één man. De verstrekking werd ingevoerd op aandringen van het Tweede Kamerlid A.P. Staalman in de dagen dat scheepsbeschuit nog in zeer grote hoeveelheden uitgereikt werd en vers brood aan boord een zeldzaamheid was. De "Staalmannetjes" werden in Den Helder in de marine-bakkerij gebakken.
Sterven-op-straat-worst. Cervelaatworst.
Strontzwiepersoep. Ossenstaartsoep.
Stijverijstkoker. Scheldnaam voor scheepskok.
Theewater. Avondmaaltijd, niet de warme, maar de broodmaaltijd. Oorspronkelijk werd 's avonds theewater (of iets wat er op leek) verstrekt dat waarschijnlijk alleen maar diende om het hard brood of scheepsbeschuit in te weken.
Tom Okker Speciaal. Marinenaam voor een veerkrachtige gehaktbal uit blik. Ambachtelijke ballen van de kok zijn "officiersballen".
Torpedistenbloed. Koffie voor het wachtsvolk, uiteraard zonder melk. Eigenlijk wordt een "torpedistenbakkie" bedoeld, een bak sterke koffie waar je "torpedistenbloed" van krijgt.
Troet. In water, melk of karnemelk gekookte meelspijs.
Vetpieper, vetsmelter. Scheldnaam voor scheepskok.
Vetslof . Botervlootje.
Vette hap . Marineuitdrukking voor gewoon warm eten. Soep, aardappelen, groente en vlees.
Victualiën. De aan boord meegevoerde mondvoorraad; eten en drinken.
Vlampijpen. Macaroni.
Vliegende schijven. Dikke plakken gebakken boterham- of bloedworst.
Vreetijzers. Bestek.
Vreugdewipper. Flesopener, ook als "bierspanner" of "bierbaco".
Vijfschaft. Lamsvleesgerecht waaraan vijf ingredienten worden toegevoegd. Aardappelen, uien, wortelen, bruine bonen en zure appelen. In plaats van lamsvlees ook wel gerookt spek en rookworst.
Wortelwater. Sinas.
Zeehaas. Stokvis, vroeger een vrijdaggerecht bij de marine. Stokvis is gefileerde gezouten kabeljauw welke op stokken uitgehangen werd tot het door zon en wind plankhard droog geworden was. In droge omstandigheden zeer lang houdbaar en alleen te eten na minimaal 24 uur weken in water of melk.
Zeemansverdriet. Zeemansverdriet is kort verdriet. Het is de vraag of dit mixdrankje een zeemansoorsprong heeft. Het bestaat uit een half borrelglas cointreau, een half borrelglas drambuie en een paar ijsblokjes in een bekerglas, aangevuld met spuitwater. Weg verdriet!
Zeeuwse rijsttafel. Gerecht van droge rijst met kapucijners of bruine bonen, met kaantjes en garnituur (gehakte uitjes, gesmoorde uitjes, uienringetjes, gesneden augurk en piccalilly). Wanneer het pittig gemaakt wordt met pepers en sambal is het een "rijsttafel belazer" en wanneer de rijst vervangen wordt door gekookte aardappelen is het een "Groningse rijsttafel" of een "Hollandse rijsttafel".
Zeeuwse wasdag. Stamppot rauwe andijvie, zie ook camouflagenet.
Zeikfilters. Niertjes.
Zeven gerechten. Aardappelen, rijst, stokvis (zeehaas), boter, meel, geb. uien en augurken. De zeven gerechten stonden afzonderlijk op tafel en konden naar eigen inzicht met mosterd, peper en zout gemengd worden tot "gewapend beton".
Zoetwatermatroos. Het zou een beproefd middel tegen zeeziekte zijn. Doe drie borrelglaasjes oude of jonge jenever in een beker. Knijp de neus dicht en drink de beker in één teug leeg. Zo nodig herhalen. Zie ook middel tegen zeeziekte.
Zwampudding. Nagerecht met sabayou (schuimende saus).
Zweetsokkie. Supervette tostie met twee plakken kaas en veel sambal, aan alle kanten beboterd en in de koekepan gebakken.

Zeemanstaal Zie uitdrukkingen.
Zeemansvoeding in vroeger tijd Eind 19e eeuw had de gewone zeeman het nog steeds niet best. In het boek "Vier jaar voor de mast" van Frank T. Bullen, staat de door de Engelse Board of Trade van koopvaardijschepen vastgestelde schaal van te verstrekken rantsoenen.

Bij de Engelse koopvaardij had iedere opvarende recht op:
Vier dagen per week 0,68 kg zout vlees met been en 0,23 kg meel, uitgezonderd de zaterdagen; dan mag dit laatste vervangen worden door 0,23 kg rijst, maar het behoeft in 't geheel niet te worden verstrekt. Op de overige dagen van de week  0,68 kg gezouten spek en 0,2 kg spliterwten. Verder per dag 0,45 kg scheepsbeschuit, 3,5 gram thee, 14,2 gram koffie en 3,5 liter water. Tenslotte per week nog 0,3 kg suiker en 0,5 pint azijn. In de maandenlange reizen bood dit weinig variatie en de kwaliteit van het gezouten vlees, spek en scheepsbeschuit liep hard achteruit.

Op Franse koopvaardijschepen werd voor lagere kosten een veel gevarieerdere voeding voorgezet:
Het ontbijt bestond uit koffie, vers brood en een glaasje cognac. Het middagmaal doorgaans uit 0,23 kg vlees, een dikke soep, wat brood en 0.5 pint wijn. Het avondmaal volgde om 16.00 uur en was een waar festijn. Afwisselend werden opgediend linzensoep, vermicelli, macaroni of een stamppot van groenten, vlees en kruiden; voorts nog brood en 0,5 pint wijn.

Bij de Nederlandse koopvaardij (alleen gegevens uit de VOC-tijd) had iedere opvarende recht op:
Per week 3 tot 5 pond hartbroot (scheepsbeschuit), 1 tot 1,5 pond vlees of spek, 1 pond stokvis en 0,5 pond boter. Verder per dag 1 canne water, 1 canne bier, 1 tot 4dl brandemoris, 1 mutsje (1/6 ltr) spijsolie, 1 mutsje azijn en voor de hele reis 4 à 5 Edammer of Goudse kazen. Bonen, gort, grauwe erwten en bokking (gerookte haring) moesten "nae 't noot doet" aan boord zijn, evenals een aantal manden met zondrogers (gedroogde haring).
In de praktijk kreeg men dat zelden want er werd door de botteliers in die tijd naar harte lust gesjoemeld. Op de Amsterdamse Crenghenmarckt konden licht beschimmelde grutterswaren gekocht worden en stinkend vlees kon met een lading zout in tonnen. Een paar maden meer of minder in de kaas deden ook geen kwaad. Warmoes (groente) en fruit kwam al helemaal niet aan de orde, maar werd soms wel onderweg ingenomen. Kaap de Goede Hoop bijvoorbeeld. Verder uit dezelfde tijd nog een victualiënlijst voor een tocht van een jaar en een overzicht van de "lijftocht" op een oorlogsschip voor een maand, ieder uitgaande van een equipage van 100 man.

Merkwaardigerwijs werd door chirurgijn Nicolaus De Graaff [1619 - 1688], die bekend stond om zijn snijdende pen, het volgende milde oordeel over de voeding op de VOC-schepen vastgelegd: ‘t Schaffen op de schepen van d’ Oost-Indische Compagnie, insonderheyd op d’uytreyse gaat seer orderlijk, en niemant behoeft gebrek te lijden; dewijl alles, so spijs als drank overvloedig onder ‘t scheepsvolk word uytgedeeld, en worden de bakken driemaal des daags vol opgeschaft; te weten, yder baks volk alle morgen een volle bak warme grutten met pruymen gekookt, en over de selve boter of ander vet; ‘s middaags een bak witte erten en een bak Stokvis met boter en mostaard; uytgeseyd op Son- en Donderdag, wanneer sy ‘s middaags een bak met grauwe Err’ten, en daar na een bak met vlees of spek krijgen. Yder man krijgt alle weken vier pond brood, en dagelijks een kan bier, so lang ‘t selve duurd; ook olie, azijn, boter, spaanse en franse wijn, so veel tot gezonheyd en redelijk onderhoud van noden is. Op papier ziet dat er prima uit, maar in de praktijk was het verschafte eten en drinken volkomen ongeschikt voor menselijke spijsvertering en op lange reizen was vaak de helft van de bemanning niet in staat dienst te doen. Het sterftecijfer op de Indiëreizen lag op twintig tot dertig procent, maar het was geen uitzondering dat van een bemanning van 140 koppen slechts 40 terugkeerden omdat de rest was gestorven [Me4, blz.150]. Lees verder over het leven aan boord hoofdstuk 6 van "Het Oost-Indisch avontuur. Duitsers in dienst van de VOC (1600-1800)" van Roelof van Gelder in de Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren.
Verwant: VOC mentaliteit.
Zeemijl 1 zeemijl = 1852 m = 1 meridiaanminuut = per uur 1 knoop .
De meridiaanminuut kan worden afgemeten op de staande rand van een waterkaart.
Zie ook de schippersmaatlat, een herleidingtabel..
Zeetjalk Na de opening van het Kielerkanaal in 1895 nam de handel via Hamburg naar de Oostzee sterk toe. Groningse werven begonnen zeewaardige tjalken te bouwen, breder dan vijf meter en met een flinke holte van twee meter. De volle hoge kop en kont werden versterkt met horizontale spanten (stringers) en over de kattensporen in het ruim liep een verstevigd zaathout of kolsum voor meer langsverband.
Zeevaart Wetenswaardigheden over onze maritieme historie. Veel scheepstypen worden beschreven.
Zeevast
Van de aanwijzingen die de Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij KNRM geeft bij het opleiden van redders kunnen ook watersporters profiteren. Redders van de KNRM spreken uit ervaring als ze aanbevelingen en tips geven. In dit kader heeft de KNRM het project Zeevast gestart. Het is een serie folders (boekjes) m.b.t. preventie van watersportongevallen. Te bestellen of te downloaden via www.knrm.nl.
In de serie zijn reeds verschenen:
-We konden nog net Ankeren...
-Vanmorgen deed hij het nog...
-Dit is me nog nooit gebeurd...
-Gelukkig kan ik het nog navertellen...
-In nood... en dan?
-Zien en gezien worden
-Uw reddingvest werkt alleen als u het aanheeft
Veiligheidsrichtlijnen.
Voorkomen van motorstoringen.
Preventie van ongevallen.
Voorkomen van onderkoeling.
Noodprocedures voor pleziervaartuigen.
Zichtbaarheid aan boord.
Doe-het-zelf test van reddingvesten.
Verwant: veiligheid.
Zeewaardig
Een veel gestelde vraag. Wanneer is een schip zeewaardig? Een eenvoudig antwoord is er niet. Men zegt wel dat een schip zo zeewaardig is als de bemanning, maar vermoeidheid bij zware zeegang kan zelfs bij echte "buienkauwers" een gevaarlijke factor worden. Doorgaans is het de bemanning die het schip verloren doet gaan en niet het schip dat de bemanning in de steek laat. Daarom hanteert men liever de omgekeerde redenatie. Een schip is onzeewaardig bij onvoldoende sterkte, stabiliteit of reservedrijfvermogen; bij gebreken aan het schip of de voortstuwing; bij onvoldoende of onbekwame bemanning, onvoldoende brandstof, proviand en/of uitrusting. Er zijn voor het schip echter een aantal vuistregels. I.v.m. de zeegang wordt een scheepje van minder dan 7m lengte als niet zeewaardig beschouwd. Overkomend water moet snel afvloeien en niet naar binnen kunnen. Ramen niet in rubbers, maar b.v. in aluminium en het securityglas van voldoende dikte, want het geweld van een grote golf kan een raam in één klap doen springen. Het classificatiebureau Lloyd's Register of Shipping schrijft voor zeegaande jachten zelfs een glasdikte/oppervlakte verhouding voor:
- 6mm tot een oppervlakte van 0,45m²
- 8mm tot een oppervlakte van 0,80m²
- 9mm tot een oppervlakte van 1,00m²
- 10mm tot een oppervlakte van 1,25m²
- 12mm voor een oppervlakte >  1,25m²
De vorm van het onderwaterschip bij voorkeur rondspant, S-spant of multiknik. Standpijpen van toilet (gerief) en gootsteen moeten afsluitbaar zijn. Er moet een bilgepomp met groot debiet aanwezig zijn. De inboardmotor moet maritiem geinstalleerd zijn, d.w.z. geen (auto) ribbeltjesslang in het koelsysteem en luchtinlaten van de machinekamer moeten voorzien zijn van dorades. Er dient een waterafscheider in de brandstoftoevoer aanwezig te zijn. De kuip, al of niet zelflozend, moet van de kajuit gescheiden zijn door een waterdicht schot dat tot dekhoogte reikt. Het volume van de kuip moet zodanig zijn dat wanneer deze mocht vollopen, de boot voldoende stabiliteit en drijfvermogen behoudt. Aan dek zijn lifelines gespannen voor aanklikken wanneer iemand uit de kuip naar het voordek moet, want ook bij goed weer kan een struikelpartij fataal zijn.
Verder zijn een marifoon of EPIRB (noodzender), een noodantenne en goede reddings- /drijfmiddelen / vuurpijlen noodzakelijk. Uiteraard moeten kommaliewant en vooral zware voorwerpen zeevast gestouwd zijn. Probeer je maar eens voor te stellen wat een schuivende accu of gasfles kan aanrichten. Bij nieuw gebouwde schepen is de CE-categorie een leidraad. A en B duiden een behoorlijke mate van zeewaardigheid aan. Bij categorie C is het schip ontworpen voor niet meer dan kustwateren en bij D moet je beslist van zee wegblijven.
N.B. De schepen en bemanning in dit filmpje zijn zeewaardig.
Zeilen Kortst mogelijke definitie: Het voortbewegen van een vaartuig d.m.v. uitgespannen doek met gebruik making van de wind;-)
Benamingen van de verschillende onderdelen van zeilen.
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
10.
11.
12.
13.
14.
15.
16.
17.
18.
19.
voorlijk
voet- of onderlijk
achterlijk
bovenlijk
halshoek
schoothoek
tophoek of top
tophoek of piek
klauwhoek
staaldraad in voorlijk
lijk[e]touw
rattestaart
reefknuttels
reefkous
baan of kleed
ronding
zeillat
zeillatzakje
reeflijn
De benamingen van de zeilen van een vierkantgetuigd schip zijn te vinden bij de afbeelding van een bark en op de pagina windjammers. Zie ook razeil.
Verwant: spriettuig, gaffelzeil. Kijk voor "Zeiltermen van A tot Z" op beterzeilen.nl.
Zeillatten Zeillatten (nr. 17 hierboven) zijn dunnen latjes van hout of kunststof die bij het achterlijk (3) van het zeil in daar genaaide lattenzakjes (18) geschoven worden. Ze dienen om het achtergedeelte van het grootzeil te verstijven en daarmee het klapperen of sabelen van het achterlijk tegen te gaan.
Zeilpunt Het zeilpunt is het zwaartepunt van een zeiloppervlak, ook wel omschreven als het aangrijpingspunt van de resultante van de drukkrachten op het zeil. Het gaat om de totaal door windkracht veroorzaakte kracht op de zeilen. De richting van die kracht is ongeveer haaks op de zeilstand. Bij een tuigage van meer zeilen kan het zeilpunt van de totale tuigage wiskundig worden samengestel uit het zeilpunt van de afzonderlijke zeilen. Het is een lastige materie. In werkelijkheid ligt het aangrijpingspunt veelal voorlijker dan het zeilpunt. Een deskundige kan b.v. aan de hand van de stabiliteit, de toe te laten winddruk, het lateraalvlak en de hoogteligging van het zeilpunt voor een zeilvaartuig het toelaatbare zeiloppervlak bepalen [Me7].
Zie ook Wikipedia.
Zeilroede De benaming van het vaarwater van Lemmer naar de Groote Brekken. De roede was een lengtemaat die lokaal nogal varieerde, maar werd ook gebruikt als aanduiding voor een rak, een recht stuk waterweg tussen twee bochten, boeien of andere wateren, dat afhankelijk van de wind bezeild kon worden.
Zeilschip Definitie volgens Scheepvaartinspectie: "Een schip, al dan niet voorzien van middelen tot werktuiglijke voortstuwing, voldoende zeilen voerend om alleen daarmee veilig te kunnen varen, te beoordelen naar normen die in verband met de vorm en de afmetingen van het schip door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden vastgesteld. Een schip dat onder zeil vaart en tegelijkertijd zijn mechanische middelen tot voortbewegen gebruikt is voor de wet een motorschip".
Zeilschepen kunnen voor de wind, met ruime wind, met halve wind, aan de wind, hoog aan de wind en in/op de wind zeilen. Bij voor de wind, ruime wind en halve wind hoeft het schip niet te kruisen en heeft de vaarweg bezeild. Bij een versmalling zal je daarvoor uit moeten wijken. Aan de hand van een afbeelding met zeilstanden wordt e.e.a. duidelijk. Voor zeilschepen onderling gelden speciale uitwijkregels.
Zeilschool zeilcursus.nl.
Zeilstanden Voor de wind, ruime wind, halve wind, aan de wind, hoog aan de wind, in de wind. Allemaal zeilstanden. Uitleg met afbeeldingen op de pagina zeilstanden.
Zeilsteen
De zeilsteen was een magneetsteen. Italiaanse zeelui zouden rond 1190 uitgevonden hebben dat het mineraal magnetiet gebruikt kon worden om de Noordrichting te bepalen. Een andere methode - de afgebeelde zeilsteen uit de 18e eeuw zal volgens het scheepvaartmuseum voornamelijk hiervoor gebruikt zijn - was om een langwerpig stuk ijzer te magnetiseren, door er met de zeilsteen langs te strijken. Het gemagnetiseerde ijzer werd dan op een drijver of pen geplaatst om als kompas te dienen.
Zeilstrijken Letterlijk uit het [NvW]: "Het zeilstrijken is de saluatie, de groet of eerbewijzing die de schepen der steden of republieken, wanneer zij voorbij een Koninklijk schip of voorbij een vesting zeilen, afleggen. Zij doen ter begroeting 9 of 11, maar ontmoeten zij een admiraal 15 eerschoten en de wimpel wordt van boven op de grote mast tezamen getrokken of wat ingehaald; ook laat men de twee marszeilen wat schieten, gedurende de tijd dat het Koninklijk schip voorbij zeilt, of totdat men de vesting achter zich krijgt. Dan wordt ook ter eerbewijzing zulks met 7 of 9 schoten beantwoordt. Dit geschiedt van alle schepen, die in de Sont bij Kroonenburg voorbij zeilen, en de koopvaardijschepen bewijzen deze eer aan alle oorlogsschepen".
Verwant: salueren.
Zeiltekens De officiële zeiltekens en bijbehorende klassen waren te vinden op de site van watersportnet. Helaas bestaat de site niet meer. Daarna was er een verwijzing naar een pagina op de site van Jense reclameletters. Ook die is verdwenen of gewijzigd. Inmiddels weer gevonden op beterzeilen.nl. Verder een verwijzing naar een Engelse site met sailmarks.
Zelfbouw
Bij zelfbouw of verbouw van je schip zijn minimum afmetingen, maar ook ergonomische maatcriteria voorhanden. Denk aan de zithoogte van een bank, de hoek van een rugleuning of de helling van een zitting. Wat is de beste hoogte van het werkblad in de kombuis? Wat is een comfortabele dikte van kussens? Hoe breed moet een kooi zijn? Hoeveel ruimte op het toilet om fatsoenlijk je gerief te kunnen doen? Enfin, noem maar op.

Voor het samenstellen van onderstaande gegevens zijn diverse publicaties geraadpleegd. Tenzij anders aangegeven zijn alle maten gemiddelden en in centimeters.

Klik op het plaatje voor meer informatie over gemiddelde lichaamsmaten en beelvorming bij onderstaande tabel voor bepalende maten bij zelfbouw.

 
Doorgangen
breedte op schouder en heuphoogte 50-60
Doucheruimte
vloeroppervlak; in combinatie met toilet en wastafel is dit ook de afmeting vóór of naast pot en wastafel. 60 x 60
Kajuitbanken
zithoogte vanaf het midden van de zitting bovenkant kussen tot plafond 90-97
zitbreedte/diepte vanaf leuning 45-55
kniehoogte vanaf vloer tot bovenkant kussen 40-45
rugleuning vanaf bovenzijde kussen ( tussen kussen en leuning mag in de hoogte een opening van 15-20cm zitten). 40-50
hoek rugleuning verticaal 10º
hoek zitting horizontaal 0º-5º
dikte kussens 10
hoogte bovenzijde kussen tot onderkant tafel (dijbeenruimte). 17-20
afstand zitting tot tafelblad bij dinette waar tafelblad kan zakken tot slaapplaats.
(bij een tafelbladbreedte van 90 - 100cm ontstaat dan een kooi van 190 - 200cm)
0
Kajuittrap
tree diepte 35-40
tree hoogte 15-25
Kombuis
hoogte werkblad 85-100
oppervlak werkblad buiten gootsteen en kooktoestel 0,3m²
afmeting spoelbak 30x30
Kooien
lengte, (pas op bij lange mensen, neem dan persoonlengte + 10) 190
breedte enkele kooi op heup- en schouderhoogte 60-65
breedte enkele kooi bij voeteneinde 45
breedte dubbele kooi op heup- en schouderhoogte 120
breedte dubbele kooi bij voeteneinde 70
hoogte boven de kooi 50-60
minimale dikte kussens/matras 10
Kuip
banklengte per persoon 55-60
zitbreedte/diepte 45-55
hoogte rugleuning 35-45
kniehoogte 40-45
doorloophoogte buiskap 160
middenpad tussen banken 60
Stahoogte
gemiddeld voor alle ruimten 185-190
Toiletruimte
(WC, plee, gerief)
breedte met gesloten deur 60-65
ruimte voor de pot (in combinatie met douche minimaal 60x60) 35-40
hoogte boven de pot 90-97
zithoogte van de pot 40-45
Watertank
verbruik per persoon per dag excl. douchen 4-10 liter
Zelflozende kuip Een goede zelflozende kuip behoort geheel afgesloten te zijn van de rest van het schip, met spuigaten naar de zijkant of loospijpen naar de bodem. Beide systemen werken niet optimaal als de bodem van de kuip maar net boven de waterlijn zit. De spuigaten hebben dan het nadeel dat je bij weinig golfslag al water binnen krijgt. De loospijpen hebben het nadeel dat bij achteruit slaan schroefwater omhoog gestuwd wordt. Een zelflozende kuip werkt dus pas als de kuipvloer minstens 25 tot 30 cm boven de waterlijn zit, liefst hoger. Bij behoorlijke golfslag zal weliswaar water door de spuigaten naar binnen komen, maar ook direct afvloeien. Soms wordt onder de waterlijn gebruikt gemaakt van zelflozers. Dat zijn klepjes die tijdens varen door onderdruk opengaan en bij vaart minderen weer sluiten.
Zetboord Of spatplank. Een losse plank, die bij een diepgeladen schip bovenop het boeisel wordt gezet om de boordrand te verhogen tegen overkomend buiswater.
Zielverkoper Het werven van scheepsvolk voor VOC of marine geschiedde veelal door tussenkomst van logement- of volkhouders die tevens scheepsagent waren. Vaak waren dat ex-prostituees. Zij gaven het scheepsvolk onderdak, voeding en na aanmonstering een schaars gevulde zeemanskist. Op die manier stak de (aspirant)zeeman zich in diepe schuld, waarvoor hij een schuldbekentenis, transportbrief of ceel ondertekende. De waarde bedroeg zo'n 150 gulden. Omdat de gage van gemiddeld 9 gulden per maand pas werd uitbetaald wanneer het daadwerkelijk was verdiend en niet na overlijden, verkocht de logementhouder de ceel vaak eerder aan opkopers voor minder dan de helft. Dit "ceel verkopen" verbasterde en zo verwierf de logementhouder de naam van "zielverkoper" en de opkoper ceel- of zielkoper. Hier een Oudnederlandse beschrijving uit 1775. De toestanden in deze volkslogementen, waar de bazen zoveel mogelijk slachtoffers trachtten op te bergen en min of meer gevangen hielden tot er weer bemanning voor een uitgaande vloot gemonsterd werd, waren bijzonder slecht, zodat de nieuw gemonsterde bemanning, vuil, haveloos, uitgeplunderd, ondervoed en vol ongedierte de reis aanvaardde. Dit was mede oorzaak van het uitbreken van scheepsepidemieën door besmetting. Vlektyfus zou zich gedurende de 18e eeuw gaan ontwikkelen tot een plaag in de scheepvaart, ernstiger dan scheurbuik, malaria, tyfus en dysenterie uit de 17e eeuw tezamen [Czc]. Tot in de 20e eeuw plukten sommige kapiteins hun bemanning nog min of meer op dezelfde wijze. Het was dan wel geen zielverkopen, maar toch een winstgevend zaakje. Ze hadden een slapkist (afgeleid van slobchest, sloppe = working trousers) waaruit eenmaal per week kleren, laarzen, schoenen, tabak etc tegen hoge prijs werden verkocht [VvdM].
Zie ook de uitdrukking.

Zog Het zog is de plaats waar het vlak (bodem) van een schip aan de achterkant begint te rijzen. Het spoor van borrelend, schuimend, in beroering gebracht water, achter een zich verplaatsend schip wordt dan ook kielzog genoemd.
Zolderbak De zolderbak of zolderschuit is een dekschuit die specifiek gebruikt wordt door bedrijven in bagger- en waterbouw.
Zomerbed Gemiddelde hoogte- en breedtemaat van een rivier in de zomer.
Zomp Zomp, somp, zompe, zoomp of reggeschip, ook wel praam. Het is de Overijsselse naam voor een varkenstrog (varkenszoomp), maar duikt als aanduiding voor dit scheepstype - dat ontstaan zou zijn uit de veel oudere pot - voor het eerst rond de 17e eeuw op. De zomp is een eigenzinnig sloepvormig, maar platbodemd open rivierscheepje van ca 12 meter met een naar binnen gebogen voorsteven en een naar achter taps toelopend vlak. De rechte opgeboeide boorden (zijkanten) met zijzwaarden zijn afneembaar en verbonden d.m.v. krombouten.
Zonnepaneel Zonnepanelen aan boord zijn geen wondermiddel. Althans als ze in geringe mate worden ingezet. Een paneel van 50 watt bijvoorbeeld levert op onze breedtegraad in een etmaal zo'n 16 ampère, of anders gezegd, een capaciteit van 16Ah  (4 x 50 watt / 12) en dan nog alleen als gemiddelde in de periode april t/m september. Voor zeilers misschien toch net voldoende ter compensatie van het dagelijks tekort. Ikzelf had op mijn motorboot twee panelen van 100 watt. Daar heb je wel wat aan. De gemiddelde theoretische opbrengst is 4 x 200watt / 12 = 66 ampère en dat klopt aardig. Dagen stilliggen met een compressorkoelkast, regelmatig Senseo-gebruik en 's avonds TV-DVD was geen enkel probleem.
Voor het onderhoud van accu's tijdens de winterstop is een klein paneel overigens ideaal. Zonneschijn is niet nodig. Daglicht geeft voor dit doel al voldoende energie. In een oude Waterkampioen stond de volgende redactietip. Koop in een elektronicawinkel voor nog geen 10 euro een computerventilator en monteer die onder een dekventilatiekoker. Sluit daarop een ankerlichtschakelaartje aan, dat als het donker wordt automatisch aanschakelt en je hebt de zaak prima voor elkaar. Accu's in conditie, overdag bijladen, 's nachts wat ontladen (0,1-0,2 ampère) en een condensvrij schip door goede ventilatie.
Een zonnepaneel dient aangesloten te worden via een speciale laadregelaar met blokkeringdiode. Deze zorgt ervoor dat de accu niet overladen wordt en voorkomt ('s nacht) ontlading via het paneel. De draaddikte dient aangepast te worden aan de capaciteit van het zonnepaneel. Het voorbeeldpaneel van 50 watt levert theoretisch maximaal 4 amp (50 gedeeld door 12). Als we de vuistregel "draaddoorsnede = stroomsterkte (Amp) gedeeld door drie" hanteren betekent dit een draaddoorsnede van 1,5mm. Natuurlijk wordt deze laadstroom nooit bereikt. De waarde geldt bij maximale zonneschijn, optimale invalshoek en "lege" accu. Bij een boordsysteem met meerdere accu's met scheidingsdiode dient het paneel met laadregelaar tussen accu + en scheidingsdiode geïnstalleerd te worden. Het is dan aan te bevelen per accu een eigen zonnepaneel te gebruiken, hoewel Aqua Solar in Sneek complete systemen levert met een regelaar voor meerdere accu's.
Verwant: MPPT regelaaar.
Zuiderzee
Zo'n 180 eeuwen geleden kon over land naar Engeland gelopen worden en zelfs in de Romeinse tijd hadden de Nederlanden nog altijd meer vaste grond dan nu. Zuiderzee en Waddenzee bestonden niet en het vaste land (veengrond) liep door tot boven de huidige Waddeneilanden. De monding van de Rijn bevond zich bij het huidige Katwijk, met onderweg veel aftakkingen, waaronder de Isala (Gelderse IJssel) en de Eem, die via een moerasdelta in het kleine zoetwaterige Fliemeer, de Romeinen noemden het Flevo Lacus (Flevomeer), uitmondden. Die Romeinen deden twee dingen waardoor uiteindelijk (mogelijk) de Zuiderzee ontstond. Ze leidden het water van de Rijn voor een groot deel af naar de IJssel door het bouwen van een krib bij de splitsing van Rijn en Waal en door het bouwen van de Drususgracht, die de verbinding vormde tussen Rijn en IJssel en zij kanaliseerden de Vecht om op die manier van de Rijn in het Flevomeer te kunnen komen. Dit had tot gevolg dat het Flevogebied steeds meer waterbezwaar kreeg en dit rustige binnenmeer woeliger werd. In de eeuwen daarna volgden dan ook veel overstromingen waardoor de grotere Almere (Almare) ontstond. Haar oevers liepen door tot voorbij het huidige Dronten, terwijl de zee bleef oprukken. Het landschap bestond voornamelijk uit wouden en moerasgebieden, waarin groot wild, als beren, elanden en wilde zwijnen voorkwamen. Het was moeilijk begaanbaar en het enorme veengebied liep westwaarts helemaal door tot de Vormt, de enorme bult zand en keien uit de laatste IJstijd, waarop Urk is gebouwd en nu nog voor watersporters een gevaarlijke ondiepte is. In de periode 10e - 14e eeuw met als dieptepunt de zware herfststorm van 1170, waarbij het zoute water zelfs tot de muren van de stad Utrecht kwam, werd geleidelijk het door vele overstromingen brak geworden Almere - waaraan de plaatsen Alkmaar en Almere hun naam danken - veranderd in een gapende binnenzee die diep in de Nederlanden stak.
Zuidwester

Een zuidwester is een hoofddeksel met kinband en een lange flap aan de achterzijde om te voorkomen dat water in de nek loopt. Het gebruik verdient voorkeur boven een capuchon omdat de zuidwester met het hoofd kan meedraaien. De schipper of visser kan gewoon doorgaan met zijn bezigheden. De originele zuidwester was net als oliegoed gemaakt van met lijnolie geimpregneerd katoen. De naam zuidwester is afgeleid van de meest voorkomende Zuidwestelijke windrichting in onze streken.

Zuiger Een zuiger is onderdeel van het zeiltuig. "De stagzuiger is een ring of hoepel uit taai hout, dikwijls essehout of rotan, maar ook van metaal, waarvan meerdere exemplaren rond een mast of stag zitten om er langsscheepse zeilen aan te slaan". [Me7]

Stagzuigers:  links metaal -  rechts hout
Zwaaikom
Een verbreding in het vaarwater, meestal een kanaal, waar voor grotere schepen gelegenheid is om te keren. Hoewel het aantrekkelijk lijkt, is het verboden hier ligplaats te nemen [Art 7.02i].
Zwaanshals De woorden zwaanshals en zwanenhals worden vaak met dezelfde of zelfs omgekeerde betekenis gebruikt. In scheepstaal is dat eigenlijk onjuist. Een zwaanshals is een gebogen metalen haak welke in het zwaansoog valt als draaibare bevesting van de giek aan de mast. Een zwanenhals is een gebogen in- of uitlaat, slang, pijp of buis, waarbij de bocht voorkomt dat water binnenkomt. Thuis wordt het waterslot (sifon) als stankafsluiter naar het riool ook zo genoemd.
Zwaard
Een ophaalbare plank of metalen plaat, die langsscheeps in het midden van een zeilboot is aangebracht: midzwaard, of twee stuks (lijzwaarden) welke op of bij de kimmen zijn geplaatst: kimzwaarden, of twee schilden, die aan weerskanten ongeveer midscheeps aan de buitenzijde zijn aangebracht: zijzwaarden, of  als ophaalbare scheg: schegzwaard aan het achterschip of roer: roerzwaard of linnet. Het zwaard dient als "kiel" om het verlijeren, de drift, van het schip tegen te gaan, maar men spreekt pas van een zwaard als het omhoog of omlaag gelaten kan worden. Midzwaard en kimzwaard worden ook wel valkiel genoemd en zijn gemonteerd in een zwaardbun of zwaardkast. Zijzwaarden van binnenschepen zijn kort en breed (rondzwaard), die van vissersschepen lang en smal (zeezwaard) omdat ze op ruim water hun werk diepstekend beter doen. Bij aan- of in de wind laat de schipper het zwaard aan de lage (lij) kant zakken. Het zijzwaard is bevestigd met een zwaardbout of worgel, die door een gat in de verdikte kop gaat, die dwars over het lichaam van het zwaard ligt en de binnen- en buitenposten bij elkaar houdt. Aan de voorkant is het zwaard beschermd tegen stoten door een aanvaringsklamp of stootklos, die op het boeisel zit. Het zwaard zelf loopt langs een stoot- of zwaardklamp en net boven de waterlijn een geleider, de strijkklamp met aan de achterkant een glijijzer (glij-ijzer) een stalen steun naar het boeisel. Daarboven is meestal nog een kabellat of schuurlijst aangebracht om de krachten beter te verdelen en slijtage aan de huid te voorkomen. Met een aan het boeisel van het achterschip bevestigde zwaardloper wordt de zwaardval geborgd, de lijn waarmee de stand van het zwaard wordt geregeld. Volgens overlevering gaf de schipper met een ongeteerde bovenpost aan dat hij geen bootlening had en dus kredietwaardig was.
Zwavelvrije diesel Er kan beter gesproken worden over zwavelarme diesel. Vanaf 2004 wordt aan dieselolie geen zwavel meer toegevoegd. Het te verwaarlozen natuurlijk gehalte bedraagt minder dan 10mg per kilo. Puik voor het milieu, beter voor de smering en een prima bacteriedoder, maar slecht voor de houdbaarheid. Da's dus een probleem voor de pleziervaart waar boten vaak lang werkeloos aan wal liggen en nu ineens te maken krijgen met de dieselbacterie. Een situatie die nog verergerd werd toen vanaf 2009 tussen de 3.5% en 7% biodiesel moest worden toegevoegd. Kort gezegd: zwavelvrije diesel + toegevoegde biobrandstof + condens = bacteriegroei in de tank en uiteindelijk in het gehele systeem.
Verwant: biodiesel, GTL diesel, NExBTL.
Zwei De verdraaiing in een huidplank van een houten schip of de staalplaat van een stalen schip. Het betreft de huidgangen die naar voor- en/of achtersteven lopen. Bij geklonken schepen kende men het werkwoord zweien. Het was het "uit de haak" zetten van stalen hoekprofielen. Als een spant "in de haak" stond (dat is een hoek kleiner dan 90°), kon men niet of moeilijk bij de klinknagel komen.

"uit de haak"

"in de haak"
Zwemplateau Een zwemplateau is vooral bij wat hogere plezierjachten (strijkijzers)  ideaal om vanaf het schip te zwemmen of bij man overboord iemand snel binnen te halen. Als je bij een bestaand schip besluit een plateau te maken sta je voor de keus: vast of vrijdragend. Met het lozingsverbod (2009) is het verleidelijk te kiezen voor een vast plateau dat tevens dienst kan doen als vuilwatertank. Het kan goed gaan, maar pas op. Je waterlijn wordt verlengd, theoretisch zal het schip zelfs sneller gaan, maar de stuureigenschappen kunnen heel nadelig worden beïnvloed omdat het roer te ver naar voren komt te liggen. Denk in ieder geval aan de constructie van een opstapje onder water. Verwant: trimvlak
Zwierboom
(zwaaiboom)
Als iemand even snel aan wal gezet moest worden was het bij een binnenschip niet noodzakelijk om helemaal af te meren. Er werd dan gebruik gemaakt van een zwier- of zwaaiboom. In feite een bakspier, zoals op zeeschepen werd gebruikt om sloepen te kunnen bezorgen, maar dan niet met een lummel aan de scheepswand, maar uitzwaaiend vanaf dek of gangboord. Zeg maar langs de dennenboom. De zwier- of zwaaibomen waren meestal aan beide zijden van het schip. Op het kroonvaarders community forum schreef ex NRM (Nieuwe Rijnvaart Maatschappij) kapitein Bertus: "We lieten het voorschip dan tegen de schuine wal zakken, de matroos pakte de meerdraad met voldoende loos, ging aan de zwierboom hangen en "zwierde" zichzelf naar de wal en legde de draad om de paal. Als het schip leeg was en achterover hing en hij slechts alleen was op het voorschip bonden we een lijn aan het einde van de zwierboom en legden er bv een steen op voor het geval de boom vanzelf terug mocht draaien naar boord. Ook de loodsen in de bovenrijn, waarvan sommige met de fiets aan boord kwamen omdat ze wisten dat ze 's avonds in de buurt van hun eigen woonplaats waren gingen met fiets en al aan de wal zoals op de foto is te zien".
Zwikken Zwikken is het aanslaan van een (water)vat, maar ook de benaming van een kaartspel.
Zijroer
Zijroer of stuurboordroer. De kogge was een van de eerste schepen met een stevenroer, d.w.z. een roer dat aan de achterzijde midscheeps was bevestigd of aangehangen, zoals we dat nu nog kennen en waarvan de uitvinding wordt toegeschreven aan de Chinezen. Vóór die tijd maakte men gebruik van een zijroer, oorspronkelijk niet meer dan een roeispaan (roerspaan) welke bedoeld was om de boot, evenals - nu nog - de Venetiaanse gondels, voort te bewegen d.m.v. peddelen of wrikken. Op oude afbeeldingen, zoals hieronder een Egyptisch vaartuig, wordt deze roeispaan altijd aan de rechterzijde, stuurboord aangetroffen. Men neemt aan dat de benaming stuurboord hier dan ook vandaan komt.
Uitzonderingen bevestigen de regel. In 1863 werd bij Nydam (Sleeswijk-Holstein) in een turfmoeras een grote open roeiboot gevonden met een lengte van 23,7 meter en een zijroer dat aan bakboord hing. Het eikenhouten vaartuig dateert uit 300 n.Chr en kon worden geroeid met 15 paar riemen. Het staat nu bekend als de "Nydamboot".
Zijschroef
    
Omdat in de crisisjaren van de vorige eeuw veel kleine schippers de ombouw naar motorschip niet konden betalen ontstond niet alleen de opduwer, maar voor schepen op ruim water een nog goedkopere oplossing; de zijschroef, die al snel tot "lamme arm/vlerk" gedoopt werd. Hierbij werd gebruik gemaakt van een dieselmotortje dat veelal toch al onder een motorkap op het voordek aanwezig was om de mast te kunnen strijken (reggen) en heffen en het ankerlier aan te drijven. Het was vaak een liggend type, d.w.z. een horizontaal bewegende zuiger. Dwars over het voordek kwam via een vertraging met vrijloop een aftakas naar een haakse tandwielkast, die aan (meestal) stuurboord buitenboord stak. Van daaruit liep een lange as met schroef, die met de gland en een uithouder om de schroef vrij van het schip te houden, aan een davit hing. Via een handliertje kon de schroefas schuin naar beneden zakken, waarbij de schroef al naar gelang de belading op de meest gunstige diepte onder water gelaten kon worden. Het wieleffect (aan stuurboord koos men voor een links draaiende schroef) zorgde ervoor dat het geheel via de uithouder stijf tegen de scheepshuid drukte. Een keerkoppeling werd niet gebruikt, de schroefas zou immers achteruit draaiend door het wieleffect van de schroef naar buiten zwaaien waarbij de as uit de tandwielkast kon breken. Afstoppen en achteruitvaren was dus niet mogelijk, hoewel sommige schepen voor het remmen een zware ketting bij de kont op de bodem konden laten zakken. Bezoeker Pier Bruinsma vertelde dat in de jaren vijftig de schepen zelfs met twee zijschroeven waren uitgerust. Bij het laden en lossen werd de schroef aan de kant van de kade omhooggehaald en aan de andere kant weer neer gelaten ze moesten inmers weer weg kunnen varen. Er stond dan meestal een Deutz dieseltje op het voordek. "Ik heb ze in die jaren genoeg zien varen en in de haven van Amsterdam lagen ze te laden en lossen. Als we in het Merwedekanaal zwommen moesten we uitkijken voor zulke schepen".
Uitgebreide informatie over zijschroeven op Binnenvaarttaal.
Zijzwaard Zie zwaard.

 

  A     B     C     D     E     F     G     H     I     J     K     L     M     N     O     P     Q     R     S     T     U     V     W     X     Y     Z  

Heel graag op- of aanmerkingen
.

Op alle materiaal (layout, tekst en afbeeldingen) rust het auteursrecht van schipper Cees e.a.
Overname van artikelen of delen daarvan is slechts geoorloofd na schriftelijke toestemming.

Mocht je ondanks alle in acht genomen zorgvuldigheid menen rechten te kunnen ontlenen
aan in deze pagina gebruikt materiaal, laat de schipper dat dan zo spoedig mogelijk weten.

verantwoording