Hé, dat wist ik niet...

Tips en wetenswaardigheden
Gebruik het vaartips-zoekveld wanneer je iets niet kunt vinden.
Geen zoekveld? Klik dan op het huisje (home) rechtsboven.

K

Kaag
Kaai Zeeuws- Zuidhollandse benaming voor kade. Oorspronkelijke betekenis: "Gemetselde oeverkant. De kaaijen dienen om in steden, die door wateren doorsneden zijn, ruimte te winnen of bij landingsplaatsen onmiddelijk aan den oever eene grootere waterdiepte te verkrijgen, dan anders het geval zoude zijn" [Mw].
De uitgang aai is kenmerkend. Een stukje nostalgie (sorry, moet even):
In de vijftiger jaren in Dordrecht noemden we buurman Arie uit de Touwdraaiershof "Ome Aai". Hij was spantenbuiger bij scheepswerf De Biesbosch en had een stalen kajuitmotorboot voor zichzelf (Ford benzinemotortje met slinger, zonder vrijloop en zonder keerkoppeling, dus niet af te stoppen) en een bunroeiboot voor zijn zoon Arie (mijn vriendje) gebouwd. Bij Tante Hennie en Ome Aai at ik boterhammen met stroopjesvet (stropiesvet). Op lange winteravonden maakte Ome Aai scheepsmodellen. Rond een houten mal klopte hij het blik van opengeknipte conservenblikjes in model, om tot prachtige "stalen" sleepboten te solderen. Ome Aai had last van zijn maag en slikte per dag zowat een half buisje Chefarine 4: "Met één tabletje voelt U zich een ander mens, opgewekt en in staat met plezier uw werk te doen". Hoe kon hij weten dat de pijnstiller juist funest was voor zijn maag? Ome Aai is in mijn herinnering niet eens vijftig geworden....
Zie ook kaaien hieronder.
Kaaien
In Oudnederlands betekent kaaien "van richting veranderen", maar sommige bronnen verwijzen naar het aan de kaai of kade liggen. Beide verklaringen slaan hout, want de ra's werden gestreken (van richting veranderd) aan de kade. We onderscheiden, wat ik voor het gemak maar noem, dwars- en langsscheeps kaaien. Van oudsher werd dwarsscheeps gekaaid, d.w.z. dat de ra met de toppenenden of een kaailijn (talie) zodanig scheef getrokken wordt, dat de ene kant naar beneden en de andere naar boven wijst. Dit werd gedaan om het schip in de haven minder breedte te laten innemen (alleen de brede onder- en marsera's werden gekaaid). Langsscheeps kaaien is een methode die tegenwoordig vooral op nieuwe schoolschepen wordt toegepast. De mast wordt eenvoudigweg een aantal graden gedraaid, waarbij dus alle ra's meedraaien tot de ranokken niet meer buiten boord steken. Op schepen met een spriettuig werd gekaaid door het lossen van de greelband en afhankelijk van de grootte, de spriet met de hand of met een talie in langsscheepse richting onderuit te trekken. Verwant: brassen, ra, trijsen.
Kaaier Een motorschip krijgt niet zo gauw een kaaier. Het is een  zijdelingse duw, slinger, of gier van je schip, meestal veroorzaakt door een plotselinge windvlaag. Bij zeilschepen kan het een "klapgijp" veroorzaken. Toch kan je met een motorschip een "beste kaaier" krijgen als je voorbij een spuisluis, of achter het schroefwater van een binnenvaartschip langs gaat. Op zee een "valse kaaier" van een zijdelings tegen het schip brekende golf. Verwant: broach.
Kaapstander
Andere benamingen: aardewind, windas, gangspil of catena. Een werktuig om zware lasten te verplaatsen, bestaande uit een wiel op een verticale as met handspaken of windbomen. Hantspaeck. Een hout, niet ongelijck aen een yzere koevoet, daer men iets mede omzet, wint ofte verzet) [NW], waar veel schepelingen tegelijk tegen duwen om b.v. het anker te hieuwen, maar ook om schoten aan te halen of landvasten strak te zetten. Als de windas horizontaal geplaatst is om zeilen te hijsen b.v, ziet hij eruit als een braadspil en wordt ook zo genoemd. Het Latijnse woord catena (ketting) wordt ook wel gebruikt als aanduiding voor de grens voor het bemanningsverblijf, het officiele domein van de bemanning, waar de kapitein hen niet dient te volgen.
Kaarselade
Kabbelaris Oorspronkelijke, maar inmiddels bijna vergeten, benaming voor een nestenschijf of kettingschijf.
Kabelaring
Dik gedraaid eindloos touw dat rond het hele schip loopt net onder het gangboord en bedoeld is om bescherming te bieden bij afmeren aan oevers die hoger zijn dan het vrijboord. Tegenwoordig toegepast als sier en om het schip een stoer uiterlijk te geven. Terug in de tijd was een kabelarum, kabelaringh of kabel larga een stevig stuk kabeltouw dat als eerste driemaal om de spindel van de kaapstander ging om het anker op te halen en met seizings aan de ankertros werd bevestigd, die te zwaar was om rechtstreeks om de spindel te leggen. Op de kabelaring waren op afstand van een vadem een aantal muizings aangebracht als stopper voor de seizings. Het werkte net zo als een kabelaring in de huidige zeesleperij. Dat is een stuk kabel van ± 40 meter met aan het eind een vaam ketting met haak dat gebruikt wordt om b.v. een gebroken tros binnen te halen. Die kabelaring zit vast aan de beting en de ketting wordt met een nekslag om de tros gelegd. Met een winch (lier) kan nu de tros in gedeelten ter lengte van de kabelaring worden binnengehaald, in bochten worden opgeschoten en gezekerd, waarna de ketting telkens een stukje verder wordt aangeslagen, net zolang tot de gehele tros is binnen gesjord. Dit moeizame proces gebeurt meestal onder de meest barre omstandigheden.

Het vroegere hieuwen van het anker m.b.v. kaapstander en kabelaring.
1. ankerkabel.
2. meerdere seizings achter muizings.
3. kabelaring (touw zonder eind).
4. gangspil of kaapstander.
5. handspaken; andere benamingen: windboom, barkoen, kattekop.
Kabelgat Bergruimte (meestal onder de bak) voor dekdienstinventaris; verf, touwwerk, gereedschappen, dekkleden e.d. In de zeiltijd ook wel als bemanningsverblijf gebruikt, of daar pal onder. (Vgl N.W. 1671 Kabelgat. Een afschutzel ofte kamer voor in 't schip op zommige in 't hol, op anderen in 't verdeck, of op de koebrugge, daer de touwen in bewaert worden. Op schepen naer Indien, dienen zy tot slaepplaets der soldaten; de kooyen, welcke boven elkander in 't rondt staen, zyn zeer eng en naeuw).
Kabellengte Een lengte van één tiende zeemijl: 185 meter. Zie ook de schippersmaatlat, een herleidingtabel. Oorspronkelijk de lengte van een kabel zoals die door de lijnbanen werd geslagen van 120 amsterdamse vademen (204 meter). Bij de Marine is een kabellengte 225 meter.
Kagenaar
Kajuit In een klein zeegaand roei-, zeil- of motorvaartuig is het de ruimte voor passagiers. Aan boord van grote zeeschepen is de kajuit het verblijf voor de commandant. Op binnenschepen spreken we over een roef. Beide werden vroeger wel aangeduid als Coot (achteronder). De aanduiding GSAK voor pleziervaart op binnenwater is dus eigenlijk onjuist... Verwant: kampanje, theehut.
Kajuitfries Een fries is een sierlijst -bovenlijst of kroonlijst- in de antieke bouworde, maar ook terug te vinden op traditionele zeilschepen. Het is de kajuitfries als omlijsting van de toegang tot de kajuit en meestal doorgetrokken als waterschot tussen gangboord en kuip. De opstaande rand voorkomt buiswater in de kuip. Ook de kajuitfries is vaak uitgevoerd als sierlijst. Zie prinswerk.
Kalfdek Een bij sommige binnenvaartschepen toegepaste truc om meer laadvermogen te krijgen. Boven het gangboord werd een hoger dek aangebracht om het minimum vrijboord te verhogen (meer diepgang). Het behoort geschreven te worden als kalffdek, want het werd vernoemd naar Ir. J.A. Kalff, minister van Waterstaat in het tweede kabinet-Colijn [1933-1935]. Later ook verbasterd als kalverdek.
Kalkaanslag Zie gele aanslag.
Kameel
Algemeen wordt aangenomen dat de scheepskameel in 1691 werd uitgevonden door de Amsterdammer Meeuwis Meendertsz. Bakker. In 1775 noemt Egbert Buys in zijn "Nieuw en Volkomen Woordenboek van Konsten en Weetenschappen" echter Cornelius Meyer als uitvinder. Het "loffelijk middel" bestond uit twee afzonderlijke houten caissons waarvan de binnenkant de negatiefvorm van een scheepsromp had. De caissons waren verdeeld in waterdichte kamers die konden worden gevuld door inlaten. De bijna geheel gezonken caissons werden aan weerszijden van het schip geplaatst en door middel van kabels aan elkaar bevestigd. Daarna werden de kamers leeggepompt, waardoor het schip gelicht werd. Het geheel van schip en kamelen kon dan voorzichtig onder eigen zeil de ondiepte van Pampus passeren, of werd door waterschepen naar diep vaarwater gesleept. Cornelis van Yk schreef in 1697: "Zelden zijn nieuw-gevonden konsten ten eersten tot het toppunt haarer volmaaktheid gesteigerd. Want zoo heeft men al voor veele jaren, om onze Groote en diepgaande Scheepen in Zee te brengen, wegens de Ondiepheid onzer Rivieren, en Zeegaten, getragt, dezelve, waar 't mogelijk, door ledig Vatwerk, zo Pypen, als Voeder-vaten, op te ligten, en te doen ryzen. Dog was dit Werk, om het by een-schikken der Vaten, een ellendige Talmery, en veel Arbeids onderworpen". Hij noemde de kamelen wanschepsels, maar tegelijkertijd: "Een loffelijk middel om Scheepen wel 5 a 6 en meerdere Voeten te ligten en over Slijke en Zande te brengen". Kamelen bleven in gebruik tot in 1824 het "Groot-Noordhollands Kanaal" werd geopend.
Scheepvaartmuseum Amsterdam
model van een kameel-caisson.
Kampanje Verhoogd achtergedeelte van een schip, ontstaan uit het achterkasteel van de middeleeuwse schepen, en later dienend tot onderkomen van de staf. Het bovengelegen achterdek of kampanjedek deed dienst als uitkijk- en kommandopost van de wachtdoende officier. De kampanje (of uit het Engels overgenomen "poop") strekte zich gewoonlijk uit van/rond de bezaansmast tot het hek. Op het plaatje het gehele dek rond de achterste mast. In de VOC-tijd werd het hoogste dek op het achterschip bovenet genoemd, in sommige publicatie boevennet, maar dat is onjuist, want dat was het traliewerk van hout of touw over de opening van het schip, 't geen den genen die enteren willen afweert [Witsen, blz 485]. De kapiteinskajuit bevond zich geheel achterin, op oorlogsschepen voorafgegaan door de "kerk". In de kerk bevond zich de bekokering van de bezaansmast, rondom voorzien van geweerrekken en verder dienend als opslag voor trommels, sabels en ander wapentuig. De kapitein moest door de kerk om in zijn kajuit te komen. Voor de deur van de kerk stond een marinier op wacht.
Verwant galjoen.

Frans galjoen met gespannen boeven- of enternet
Kanaalpeil Waterstanden op binnenwater worden aangegeven t.o.v. NAP (Normaal Amsterdams Peil). Op waterkaarten wordt dat aangegeven als KP (Kanaalpeil). Omdat het KP ook vaak de naam van het gebied (de boezem) krijgt, kan de gebruikte afkorting ook een andere zijn, b.v. FZP (Fries Zomerpeil), WP (Winschoterpeil) etc. Brughoogten staan aangegeven t.o.v. dat kanaalpeil, waarbij de ANWB waterkaarten i.v.m. de watersport als maatstaf meestal de waterstand in de zomer hanteren en dat alles in decimeters. Maar hoe gaan we met die getallen om?
Stel je boot heeft een kruiphoogte van 2.50m. Op de kaart staat een brughoogte van 27. Het Kanaalpeil is aangegeven als KP = NAP + 3. Dat betekent dat de doorvaarhoogte 2.70 meter is bij een voor dat kanaal normale waterstand van 30cm boven NAP. Geen probleem, je kan er onderdoor met een speling van 20cm.
Maar op een peilschaal bij de brug lees je dat het kanaalpeil op dit moment KP = NAP - 2 is. Wat nu.
Heel simpel, het water staat 5dm lager dan normaal. De doorvaarthoogte is dus hoger, n.l. 2.70m + 50cm = 3.20m. Geen probleem, je kan er onderdoor met een speling van 70cm.
Ander voorbeeld.
Op de peilschaal staat KP = NAP + 6.
Nu is er wel een probleem. Het water staat 3dm hoger dan normaal. De doorvaarthoogte is dus lager n.l. 2.70m - 30cm = 2.40m. Je kan er niet onderdoor!
Kanevas Ook canvas, kanefas of kanifas: grof doek, zeildoek. De oude Egyptenaren gebruikten papyrusvezel; de zeilen op Chinese jonken waren van grasvezel. Zeilen van Hollands kanefas waren van vlas en werden geprezen om hun kwaliteit, beduidend beter dan het latere katoen, rameevezel of hennep.
Kanons De meervoudsvorm van kanon is "kanonnen", althans voor landrotten. Op vaartips wordt bij oude schepen de zeemansvorm "kanons" gebruikt.
Kaperbrief "Hunne Hoogmogende Heeren der Staten Generaal" verleenden volgens aloud gebruik aan ondernemende schippers toestemming om voor eigen kosten en risico 's lands vijanden te benadelen. Er moest voor die vergunning een lief bedrag neergeteld worden en behaalde buit moest bij het prijsgerecht [prijzenhof] der admiraliteit van de thuishaven worden ingeleverd. Daarna volgde naar recht en billijkheid een verdeling tussen het land en de kaapvaarder. Zo'n commissiebrief werd meestal na een jaar of zes ongeldig verklaard en alleen betrouwbare kapers die in staat waren opnieuw een zeer hoge cautie te storten mochten doorgaan. Het spreekt vanzelf dat er vaak verschil in inzicht was over "recht en billijkheid", zodat veel kaapvaarders "ter vrije nering" vaarden en hun prijzen van de hand deden in havens waar de overheid minder moeilijk deed, zoals Ierland, Marokko, de Afrikaanse kust en de Middellandse zee.
Bron o.m.: "Oordeel over Klaas Compaen" van Willem de Geus (pseudoniem van W.P.L. Spruit).
Kapiteintje Een kapiteintje is een kajuitsdweil / -zwabber.
Kardeel Een geslagen lijn of tros bestaat uit meerdere, in ieder geval drie, in elkaar gedraaide strengen. Deze strengen heten kardelen. Oorspronkelijk de benaming voor een zeilval, of het hijstouw (zware takel), waarmee men de onderraas ophijst. Mollema noemt de vallen van de onderraas kordeels. Vroeger ook gebruikt als duiding voor een wimpel- of vlaggetouw. Verder was kardeel of kordeel een verbastering van quartel of kwarteel, een spekton bij de walvisvangst, een traanvat van twaalf steekkan (bijna 240 liter). Verwant: touw, splitsen, bindsel, trenzen.
Karveel
Kast
Kasteel
De versterkte bouwsels op voor- en achterschip van Middeleeuwse schepen [koggen en kraken], later overdadig versierd. De kastelen waren bedoeld als gevechtspost en het voorkasteel ook voor loden en ankeren. In de 16e eeuw besloegen ze zelfs meerdere dekken, maar in de 17e eeuw werd het voorkasteel geleidelijk verlaagd om tenslotte geheel te verdwijnen [galjoenen]. Verwant: kampanje.
Katschip
Katten Een weinig gebruikte manier van ankeren in slechte grond. Twee ankers worden in elkaars verlengde aan één ankerlijn als een tandem bevestigd. De lijn of ketting tussen de twee ankers moet wel strak liggen. Men noemt dit gekat ankeren of een "katting".  Het was echter ook de benaming voor het ophangen van een stokanker aan de boeg als geen ankerkluis aanwezig was. Omdat het anker lelijk heen en weer kon zwaaien werd het horizontaal stijf tegen de buslappen (dubbele plankenrij) van de boeg getrokken met een vis- of kiptakel en daarna vastgesjord met een rustlijn. Deze manier van bergen heette katten en vissen. Verder is katten de benaming voor het reven van het grootzeil, waarbij de halshoek - het zeil bij de onderhoek van de mast - middels een katlijn of dempgording omhoog gehaald wordt. Een andere manier is geien, waarbij men de nok van de gaffel met de geilijn laat zakken. "Geien" is Oudnederlands voor hijsen.
Kavelen Op klein gebied blijven laveren om ander (gunstiger) tij af te wachten. Uit een oude publicatie: In den vloed zeilen om de ebbe afte wachten. Tij kavelen: eb en vloed berekenen. Verwantschap met overtijden: 't schip met de meest dienstige stromen voort laten drijven en het in tegentij stoppen en voor anker leggen.
Keen
Keer-
koppeling
De functie van een keerkoppeling is om de draairichting van de motor naar wens links- of rechtsom met gereduceerd toerental over te brengen op de schroefas. De keerkoppeling heeft ook een neutraalstand en wordt over het algemeen bediend door één handle, waarmee ook het gas wordt geregeld. Bij zwaardere types wordt de bediening hydraulisch overgebracht. Op het typeplaatje kan je de vertraging aflezen. A = vertraging vooruit, B = vertraging achteruit. Moderne keerkoppelingen hebben meestal geen verschil in vertraging vooruit/achteruit. Da's handig, want dan kan bij dezelfde keerkoppeling zowel een links- of rechtsdraaiende schroef toegepast worden.
Tip: wanneer de keerkoppeling niet meer werkt - zowel vooruit als achteruit grijpt hij niet meer aan - zal het vrijwel zeker niet aan de keerkoppeling liggen maar aan een defecte demperplaat.
Keesje Schipper Cees als kleine jongen. De schippersterm keesje (geen hoofdletter) betekent echter iets anders. Als een tros over een grote afstand geworpen moet worden, of te zwaar is, bevestigt men een dunnere stevige hieuw-, werp- of vanglijn. Het keesje is een verzwaring (vroeger een leren zandzakje) aan het uiteinde van zo'n werplijn en dient om het werpen makkelijker te maken. In plaats daarvan kan ter verzwaring alleen een knoop worden gelegd, het ape(n)vuistje. Het geheel (lijn + verzwaring) wordt ook wel keesje genoemd. Op KNOOPenzo, de site van Theo Slijkerman kan je zien hoe zo'n keesje geknoopt wordt.

Het werpen van een keesje.
Kegelschip Binnenschepen met gevaarlijke lading voeren blauwe kegels of blauwe lichten. Hoe meer kegels hoe gevaarlijker de lading, hoe verder je uit de buurt moet blijven. Schepen met meerdere kegels krijgen soms voorschutting. Officieel moet je minstens de volgende afstand houden: 1 kegel 10 meter, 2 kegels 50 meter, 3 kegels 100 meter. Mocht je toch samen met een kegelschip in een sluiskolk belanden, rook dan niet en doof e.v.t. waakvlammen.
Kempenaar
Kentering Twee betekenissen: Het omslaan van je schip of stil water op het moment dat eb overgaat in vloed of omgekeerd. zie getijwater.
Kerden Kerden was het schrapen van hout, in het bijzonder de mast, alvorens opnieuw te impregneren met lijnolie of later sublimaat (kwikchloride). Een bewerking die naast het breeuwen, teren en lapzalven van de romp gebruikelijk was.
Kettinglengte Een lengte ketting is 27,5 meter, afgeleid van de eertijds bij de marine gebruikelijke lengte van de stukken ketting van een ankerketting. De ankerketting bestond uit 8 stukken van 15 vaam = 27,432 mtr. In het eerste en laatste stuk zat een wartel om het kinken te voorkomen. De harpen waarmee de stukken aan elkaar verbonden werden, waren met de ronde kant naar het anker toe geplaatst, zodat ze bij het uitlopen van de ketting nergens achter konden haken. De azijnzuurhoutenkettingkabelopsluitpen (tevens het kleinste voorwerp aan boord met de langste naam) werd tot ongeveer 1890 gebruikt om de harpbout te borgen; nadien werden metalen pennen gebruikt. Na een ministeriele beschikking [6-8-1931] werd de ankerketting verdeeld in stukken van 25 meter.
Kettingvaart
Deze Franse uitvinding werd toegepast in Frankrijk en Duitsland op stromend water, moeilijk vaarwater met kolkingen en in lange tunnels. De boot haakt zich aan een ketting die op de bodem van het vaarwater ligt. Bij het voorschip komt de ketting via een geleiderol uit het water, waar een motorisch aangedreven kaapstander of nestenschijf de schalmen pakt. De ketting loopt in de gehele lengte door of over het schip en verdwijnt via de geleiderol op de achtersteven weer in het water. In Duitsland is het op een moeilijk traject bij de Domfelsen tot 1945 in gebruik geweest. In Frankrijk nog veel langer in het Canal de Saint Quentin, waar een kettingsleepboot, remorqueur of toueur, de schepen in een rampe door de 5670m lange tunnel van Riqueval trok. De dienst is door modernisering en verbeterde ventilatie van de tunnel in 2006 opgeheven. De toueurs hebben daar dan precies een eeuw dienst gedaan. Koos Fernhout ontdekte evenwel een Russische site met prachtige foto's van een enorme kettingsleepboot op de rivier de Yenisei. Deze toueur (in het Russisch tyep, volgens Koos uitgesproken als toewer) is nog steeds in bedrijf en gebruikt geen ketting, maar een staaldraad. Het betreft een serie van 26 foto's. Het cyrillisch woord rechtsboven betekent "volgende".
Keulenaar
Keulse vloed Benaming voor een tegendraadse of dwarse stroming, die kan ontstaan wanneer een obstakel dwars in een sterk stromende rivier ligt. Verwant: neer.
Kibbeling
Kibbelingen zijn lekkerbekjes.
Hoho zal je zeggen: "Kibbelingen zijn toch gebakken stukjes kabeljauw in beslag en lekkerbekjes gebakken visfilet in beslag?" Ja, tegenwoordig wel, maar zo was het niet.
Kabeljauw klopt, want kibbelingen waren de uitgesneden (gekibbelde) en gezouten kelen en wangen van de kabeljauw. "De kopers voor dat armoedige spul kwamen van de Haarlemmerdijk of uit de Jordaan" [AjhZ]. De ongezouten wangetjes werden gebakken en heetten lekkerbekjes.
Doordat de Atlantische kabeljauw inmiddels door overbevissing vrijwel is verdwenen wordt tegenwoordig kibbeling van goedkopere witvissoorten aangeboden. Het zijn de soorten die je vroeger als "een visje voor de kat" kocht. Het minder smakelijke product wordt met veel kruidenpoeder en een dipsausje toch voor (bijna) kabeljauwprijs verkocht. Toevallig zag ik vandaag [augustus 2010]  in de bijlage "Vrouw" van de "Telegraaf" een recept voor "kabeljauwwangen in beslag met witbier". Dat zijn dus echte lekkerbekjes. Alleen nog even een visboer vinden die gekibbelde wangetjes kan leveren...  :-)
Verwant: haring, paling, makreel, garnaal.
Kielhalen Zie straffen aan boord.
Kielschip De benaming wordt gebruikt voor rondspantschepen met kiel en stevens. De kiel is een lange rechte balk midden onder het schip, welke voor en achter overgaat in stevens. Stevens zijn de - min of meer - verticale balken die voor en achter het schip afsluiten en waaraan de einden van de gangen van de scheepshuid zijn bevestigd. Oudhollandse kielschepen hadden weliswaar ronde kimmen maar een vrij vlakke bodem. Hendrik Willem van Loon ziet de uitgeholde boomstam als voorloper van de kiel en schreef in 1934: "Scheepsbouwers in het Noorden van Europa begonnen een rij planken langs de boorden van hun boomstamkano's te bevestigen. Natuurlijk was het zoo, dat hoe hooger deze balustrade, deze scheepswand werd, en hoe meer lading het vaartuig kon vervoeren, hoe dieper de oorspronkelijke, uitgeholde boomstam in het water terecht kwam. Totdat die onfortuinlijke boomstam, die eerst het geheele schip geweest was, eindelijk gedegradeerd werd tot een heel gewone kiel, en als kiel heeft hij de eeuwen ovrleefd tot op de huidige dag, een kiel, die tien of twintig of veertig voet onder het watervlak ligt". Verwant: rompvorm.
Kielzog Kielzog is een spoor van borrelend, schuimend, in beroering gebracht water, achter een zich verplaatsend schip. Kielzog veroorzaakt zuiging omdat het door het schip verdrongen water weer terugstroomt. Zie ook zog.
Kil Een kil is een kleine kreek. Dat kan je bepaald niet zeggen van de Dordtsche Kil, de druk bevaren getijrivier in de provincie Zuid-Holland die de Oude Maas verbindt met het Hollandsch Diep en de Hoeksche Waard scheidt van het Eiland van Dordrecht.
Killen Het zeil dusdanig draaien dat de wind er niet goed in blaast, of het zeil dat slap hangt als de wind door een ander zeil onderschept wordt. Het schip zal snelheid verliezen of stil komen te liggen.
Kilometerraai Bord of paal met een getal aan de oever van rivieren en kanalen dat de afstand tot een bepaald markeringspunt in kilometers of tienden daarvan aangeeft. Bij rivieren beginnend bij de bron.Tegenwoordig gaan steeds meer vaarwegbeheerders van kanalen over tot markering per 500m. Je kan de bordjes/paaltjes uitstekend gebruiken voor het bepalen van je snelheid. Neem op een recht stuk kanaal zonder stroming en niet teveel wind met een vast toerental de tijd in seconden tussen twee hectometer stukken (200m) op. Als je dat met 5 vermenigvuldigt heb je de tijd die je over één kilometer doet. (Bij markering per 500m vermenigvuldig je natuurlijk met 2). Deze waarde deel je op 3600 (seconden in een uur). Als uitkomst heb je dan de grondsnelheid in kilometers. Noteer daarbij het toerental van de motor en herhaal de procedure met andere toerentallen. Voortaan kan je dan met redelijke nauwkeurigheid de toerenteller op niet stromend water als snelheidsmeter gebruiken. Geheel anders dan de methode die op zee vanaf de 17e eeuw tot lang in het schroeftijdperk werd toegepast. Het was "The Dutchman's log" of het gissen buiten boord. Een voorwerp werd tot buiten de boeggolf te water geworpen en met een zandloper, later een chronometer, werd de tijd bepaald die nodig was om twee op de verschansing gemerkte punten te passeren. Dit gaf dan niet de grondsnelheid, maar de snelheid door het water (logvaart).Vóór die tijd moest men het doen met zogpeilen. Aan het kielzog was een trage of snelle voorgang te bemerken (ook weer ten opzichte van het water en niet van de grond). Kort zog was een langzame vaart. Men sprak dan van het schip vertiert weinig. Verwant: log.
Kim
Twee betekenissen:
-Ronding of knik waar de bodem (het vlak) van een schip overgaat in de zijkant. Komt van kieming (op het plaatje: nr.4).
-Horizon, de overgang in de verte van water naar lucht; bij een heiige horizon of anderszins onduidelijke waarneming spreekt men van een harige kim.
Kimkielen Of slingerkielen. Inplaats van een enkelvoudige diepstekende kiel wordt op rondspant motorjachten wel gebruik gemaakt van kimkielen om slingeren te verminderen. De kielen worden schuinstekend haaks aan de kim bevestigd en bij knikspanten zelfs horizontaal net boven de kim. In dat geval spreken we over stabilisatievinnen, die langer en smaller zijn en ongeveer van midscheeps tot achter lopen. Kimkielen zullen veelal zo geconstrueerd worden dat ze even diep steken als het diepste punt, waardoor het schip rechtopstaand kan droogvallen. Het achteraf plaatsen van kimkielen zonder de ontwerper te raadplegen kan vervelende gevolgen hebben. Te ver naar achteren maakt de boot loefgierig, te ver naar voren lijgierig. Verwant koplastig en stuurlastig.
Kink Een kink in de kabel is een valse (verkeerde, of te korte) slag of draai in een lijn, tros, ketting of staaldraad, maar een gewone lus wordt ook wel kink genoemd. Het woord zou komen van krink (kreuk). Zeelui noemen het ook wel asshole. Zie ook opschieten.
Kisten Het bij slecht weer laten dobberen van je schip. Door het motorloos drijven zal het schip afhankelijk van de bovenbouw een bepaalde positie ten opzichte van de wind innemen. Hoewel hierbij praktisch geen water wordt overgenomen zal het schip hevig gaan slingeren. In oude zeemanstaal "daveren". Bij een rondspant redelijk veilig, maar een marteling voor de bemanning. Hier komt de uitdrukking "Laat je niet kisten" vandaan. Bij een zeilschip, wel gestuurd, maar geen zeil bij, heet het "voor top en takel" varen. Als de stuurstand is vastgezet: "kaal liggen".
Kits
Klamphouwer
Oud woord voor een scheepstimmerman. Het was een verantwoordelijk beroep; zijn aanspreektitel was dan ook "baas". Hij was oorspronkelijk belast met het maken en onderhouden van de klampen, de houten klossen welke in vele vorm en benaming aan boord van een zeilschip aanwezig waren om het lopend touwwerk te beleggen. Op het plaatje een aantal gekende klampen met hun benaming. In later tijd kwam het woord terug toen scheepstimmerman en kabelgast (manusje van alles) verenigd werden in één functie, de matroos/klamphouwer, die naast timmerwerk allerlei klusjes opknapte. Bij de marine en rederijen op Indië werd de timmerman ook wel "kajoe" of baas kajoe genoemd. Kajoe is Maleis voor hout.
Klapgijp Het onverwachts van de ene naar de andere kant slaan van het zeil, op een voordewindse koers. Een gevaarlijke toestand, want het zal niet de eerste keer zijn dat iemand een hersenschudding oploopt of overboord slaat door een klap van de giek. De kans op zo'n gijp is het grootst wanneer men binnen de wind zeilt, d.w.z. wanneer de wind schuin van achteren komt van de kant waarnaar het grootzeil staat. Het is te voorkomen door een bulletalie aan te brengen. Dat is een lijn van de giek naar het voorschip. Het grootzeil kan nu nog wel met een bolling naar de verkeerde kant, maar de giek gaat niet mee. Sommige zeilers noemen dat een Chinese gijp, hoewel dat eigenlijk de situatie is waarbij juist wel de giek naar het andere boord komt terwijl het bovenste deel blijft steken tegen b.v. want of zaling. De oorzaak is meestal een niet goed aangehaalde schoot, waardoor de giek tijdens gijpen omhoog komt.
Klapmuts Naast de naam voor een muts (kapoets) met omgeslagen rand of oorkleppen meerdere betekenissen:
- Het kleine driehoekige plechtje dat het boeisel van voor- of achterschip bij elkaar houdt. De klapmuts bij de achtersteven als afsluiting van een ruimte onder de helmstok werd wel achterhuisje genoemd.
- Klein zeil (moonsail of moonraker) op hooggetuigde windjammers boven het scheizeil (skysail).
- Bepaald soort zeehond.
- Porceleinen kom in de vorm van een omgekeerde klapmuts.
- Bepaald type brandewijnglas.
- Friese zilveren "goudgulden" met de afbeelding van een kop met klapmuts (17e eeuw).
Klapschroef Een steeds terugkerende discussie. Moet de scheepsschroef tijdens zeilen nu wel of niet vastgezet worden? D.w.z. de keerkoppeling "in z'n werk", om onnodige slijtage te voorkomen. Ervaring leert dat een meedraaiende schroef in ieder geval minder remmende werking heeft. Of een watergesmeerde schroefas dat aan kan is de vraag en of de koppeling ertegen kan hangt af van de manier van smeren. Een telefoontje naar de leverancier biedt uitkomst. Soms dient een aparte smeervoorziening aangebracht te worden. Bij een hydraulische koppeling kan de schroefas niet eens vastgezet worden met afgezette motor. In alle gevallen valt een klapschroef te overwegen. Het is een keuze tussen minder rendement bij varen op de motor en meer rendement bij varen onder zeil. Een klapschroef wordt bij motoraandrijving automatisch geopend door de middelpuntvliedende kracht. Bij zeilen en uitgeschakelede motor zorgt de waterdruk dat de bladen zich sluiten. Er zijn echter ook systemen waarbij de schroefbladen automatisch de gunstigste stand kiezen bij een gegeven motortoerental en tijdens zeilen automatisch in een stand komen met de minste waterweerstand (vaanstand). Wist je trouwens dat het middenstuk van een scheepsschroef met verstelbare bladen "dobbelsteen" wordt genoemd? Verwant: schroef, slip en spoed.
Zie ook klapschroef of vaste schroef voor een vergelijking.
Klaren Het uit de war halen van lijnen, kettingen of andere vastgelopen zaken. Een anker waarvan lijn of ketting in de war zit, zal voor het uitbrengen geklaard moeten worden. "Klarigheid maken", b.v. alles gereed maken voor meren of ontmeren, is hiervan afgeleid. Het tegenovergestelde van onklaar. Het symbool van de marine is een onklaar anker, een ankerschacht waar zich een touw om slingert.
Kleed De grootte van vlaggen wordt (werd) opgegeven in kleden, gemeten aan de hijs, het verticale gedeelte dat wordt aangeslagen aan de vlaggelijn. Men spreekt b.v. over een  ¾-kleeds-, 1½-kleeds-, 2¼-kleeds vlag enz. Een kleedlengte is 50cm en over het algemeen wordt de verhouding lengte-breedte van 3:2 aangehouden. Op oude afbeeldingen is te zien dat onze voorouders groot vlagden. Een korvet uit 1832 toont een (minstens) achtkleeds natievlag (4 meter aan de hijs). Zie ook natievlag en vlagvoering.
Klens
De klens is een steek waarmee een rondhout of tros kan worden vastgemaakt, maar wordt ook gebruikt als tijdelijke steek wanneer een permanente oogsplits aan b.v. leuver of hondsvot nog ontbreekt.
Klik Andere benaming voor de onderzijde, de hak van het roer (Zeeland), maar meer gebruikelijk voor de kop, de helm van de roerkoning, het bevestigingspunt van de helmstok of roerarm.
Klipper
Klompje Bij bruggen waar voor bediening betaald moet worden staat altijd een bord met het tarief. De brugwachter zal een klompje aan een hengel presenteren, waar je geacht wordt gepast geld in te doen. Helaas zijn er ook brugwachters (toegegeven, steeds minder) bij gratis provinciale- of gemeentelijke bruggen, die dit als een aantrekkelijke bijverdienste zien en even zo vrolijk "klompen". Natuurlijk staat het vrij de man of vrouw een fooi te geven, maar het hoeft absoluut niet, want geen tariefbord is kosteloze doorvaart. Bij zelfbedieningsbruggen in b.v. de turfroute speelt een ander verhaal. Vooral in de vakantietijd worden de zelfbedieningvonders met graagte door kinderen bediend voor een extra zakcentje. Over het algemeen zal de schipper dit als plezierig ervaren en een kleine bijdrage kan de kop niet kosten. De procedure (gehannes bij harde wind) van afmeren, brug opendraaien, door de brug varen, weer afmeren en brug sluiten, hoeft dan niet.
Kloot
O.m. bij tjalken en aken is het grootzeil d.m.v. touwlussen (rakbanden), die voorzien zijn van houten kralen om de mast bevestigd. De kralen heten kloten. Het zeil wordt gehesen m.b.v. een takel, dat is een lijn, ook wel loper of zeilval, die door een éénschijfsblok (katrol) loopt. Zo'n takel heet een enkeljol. Wanneer tijdens het hijsen de zeilval te dicht tegen de mast gehouden wordt, kan een rakband met zijn kloten tegen het blok lopen, waardoor verder hijsen onmogelijk is.
Verder is het een benaming voor de platte- of bolle schijf boven op mast of vlaggenstok, waar de kloot dient om het kopse hout tegen inwateren te beschermen. Als een schipper in vroeger tijden zijn bodemerij (bootlening) had afgelost werd de mastkloot verguld, zodat iedereen kon zien dat hij met "eigen spul" voer. In sommige delen van het land werd dit ook wel kenbaar gemaakt door de bovenste post van het zwaard niet te teren maar blank te lakken, of - bij motorschepen - de oculus te vergulden. Verwant: mast.
Kluiver De kluiver is een zeil dat op een kluiverboom of boegspriet gevoerd kan worden. Van oudsher op platbodems. De kluiver is bedoeld voor ruimere koersen om meer snelheid te krijgen. Bovendien maakt een kluiver het schip loefwaardiger (althans minder loefgierig) vanwege de extra druk van voren.
Knarr
Kniekeurder Zie hout in de vroegere scheepsbouw. Iedere werf van betekenis beschikte over een speciale vakman: de kniekeurder. Tegen het voorjaar trok deze specialist naar Duitsland om in bepaalde streken te zoeken naar kromgegroeide eiken. Hij bezat het vermogen om aan de stam van deze krommers te kunnen zien of de boom met een minimum aan afval tot spant, wrang of kanteling (kniestuk) verwerkt zou kunnen worden. Haakse verbindingen hoefden dan niet karbeel te worden uitgevoerd (pen en gat met schoor- of steekband).
Knikspant
en rondspant

Een rondspant onderwaterschip is eigenlijk het meest zeewaardig. De kim loopt rond weg, waardoor het schip zeer natuurlijk in het water ligt. Weliswaar is de zijdelingse schommeling wat langer dan bij een knikspant maar heel voorspelbaar en de eindstabiliteit (de maximale helling die het schip kan maken om nog overeind te komen) is hoog. De variant, waarbij de overgang tussen romp en kiel ook zonder scherpe hoek verloopt heet S-spant. Omdat in de staalbouw ronde vormen moeilijk en tijdrovend zijn wordt in de jachtbouw meestal gekozen voor een knikspant, waarbij min of meer rechte platen kunnen worden gebruikt. Bijkomend voordeel op binnenwater is de geringere diepgang en de hoge aanvangsstabiliteit (het schip gaat weinig scheef als je aan boord stapt). In ruw water gedragen knikspanten zich echter wreed, de schommeling verloopt niet vloeiend, maar snel met rukken (korte slingerperiode) en de eindstabiliteit (het kenterpunt) is laag. Verder zijn knikspanten wat gevoeliger voor verlijeren. De veel toegepaste dooskiel met motor of ballast waardoor het zwaartepunt zo laag mogelijk komt te liggen verhoogt de eindstabiliteit echter aanmerkelijk. Voor zeegaande jachten wordt wel een dubbele, of zelfs meervoudige knik gebruikt, de multiknikspant, waarmee de rondspantvorm benaderd wordt. Toch werd in vroeger eeuwen zelfs met platbodemd schepen handel gedreven op b.v. de Oostzee. Dat deze reizen niet ongevaarlijk waren laat zich raden. Zie ook andere rompvormen.
KNMC De Koninklijke Nederlandsche Motorboot Club (KNMC) is een landelijke club met vijf districten en is als verbond vertegenwoordigd in vele officiële overlegorganen en neemt als een van de participanten in Vaarbewijs- en Marifoonexamens CV, examens voor de vaarbewijzen en marifoon af. De KNMC is al meer dan 90 jaar "Koninklijk". De in 1907 als Nederlandsche Motorboot Club (NMC) opgerichte vereniging verwierf het predikaat in 1916, als dank voor haar activiteiten tijdens de Eerste Wereldoorlog. De NMC nam toen het initiatief tot oprichting van het "Watersport-steunfonds voor de Binnenschipperij" voor binnenschippers in moeilijkheden. Ook gaf zij een brochure uit getiteld: "De motorboot als vervoermiddel van de Militair Geneeskundige Dienst". Verder stelde de vereniging haar kaarten van waterwegen beschikbaar als legerkaarten. Tevens verstrekte zij de militaire leiding een lijst van Nederlandse binnenschepen en van eigenaren van buitenboordmotoren. Het leger maakte daar dankbaar gebruik van en uit erkentelijkheid voor de bewezen diensten verleende H. M. de Koningin de NMC op 17 juli 1916 - op voordracht van Prins Hendrik als voorzitter van het Rode Kruis - het predikaat "Koninklijk". Nog steeds draagt de KNMC deze titel met ere. Het aantal individuele leden van de KNMC is al een aantal jaren vrij stabiel. Het schommelt rond de 540. De KNMC heeft ooit wel meer leden geteld (ruim 600), maar behoort door het karakter van de club beslist niet tot de megaverenigingen. Omdat dit ook niet wordt nagestreefd moet een kandidaatstelling voorzien zijn van referenties van twee definitieve leden en de consul van het betreffende district. Kandidaat-leden worden vervolgens voor een kennismakingstijd van een jaar als voorlopig lid van de vereniging toegelaten. Daarna volgt het definitieve lidmaatschap.

Puntje van kritiek: Waarom voeren KNMC-leden een toevoeging aan de natievlag terwijl dit privilege bij Koninklijk Besluit nimmer is verleend? Het eervolle predikaat "Koninklijk" is natuurlijk geweldig, maar de nationale vlag met kroon-ensign is voor de KNMC slechts de facto. Uit contact met de voorzitter begreep ik dat al jaren wordt gepoogd erkenning te krijgen. Hij schreef in mei 2002: "Ik kan u tevens verzekeren dat we ons bewust zijn van het huidige dilemma en vermelden u daarom dat we doende zijn met de diverse instanties in Nederland te komen tot een oplossing van dit mogelijk probleem wat echter niemand als erg storend heeft ervaren".
Er bestaat overigens geen vlaginstructie voor vaartuigen. Een schip is niet verplicht een natievlag te voeren, het is daartoe gerechtigd. Geen halszaak dus, maar men voert toch ook geen academische titel wanneer die niet is verleend? Je zou toch verwachten dat juist een "Koninklijke" de vlagetiquette respecteert...

Knopen
Knopen (oudhollands: "tisten") en steken om touwen aan elkaar vast te maken.
b.v. platte knoop, schootsteek enz.
Knopen of steken om touwen aan iets vast te maken, b.v. mastworp, paalsteek enz.
Touwslager's Knopen Pagina is daarvoor een goede site. Verder is KNOOPenzo een hele duidelijke site.

De knoop is ook de eenheid waarin de snelheid van een schip wordt uitgedrukt. De knoop is geen afstandaanduiding.
1 knoop is 1 zeemijl/uur. Bij een snelheid van 1 knoop wordt 1852 m = 1 meridiaanminuut afgelegd.
Ter verduidelijking:
De omtrek (meridiaan) van de aarde is 40.000 km (21600 zeemijl).
Eén graad (1º) is een 360e deel van een meridiaan = ca 111 km (60 zeemijl).
Eén minuut (1') is een 60e deel van een graad = 1852 meter (1 zeemijl).
De meridiaanminuut kan worden afgemeten op de staande rand van een waterkaart.
Kijk voor de oorsprong van de knoop bij log en voor een herleidingtabel bij schippersmaatlat.

Knots
KNRM Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij.
Zie ook het project Zeevast.
Al meer dan hondertseev'tig jaaren
vaaren zij bij nagt en ontij uit,
trotseert hun schip den woesten baaren
verkoopen zij Neptunus duur hun huid.
Slechts mooglick zijn dees' heldendaden
met den steun van uw florijn,
anders zal in 't spel der golven,
geen varensgast meer veilig zijn.
Knuttel Een ineengedraaid lijntje van strengetjes kabelgaren. Ieder strengetje werd uit elkaar gerafeld en afzonderlijk weer in elkaar gedraaid of gevlochten. Knuttels of knitsels werden gebruikt als rifseizings en ook wel om er een zweep [kattestaart] van te maken voor het tuchtigen van daartoe veroordeelde zeelieden.
KNWV Het Koninklijk Nederlands Watersport Verbond, tegenwoordig kortweg Watersportverbond geheten, is met meer dan 500 aangesloten watersportverenigingen en 60 klassenorganisaties de grootste vertegenwoordiger van watersporters in Nederland. Doel van het watersportverbond is het bevorderen van de watersport in Nederland. In 2004 is na een intensief samenwerkingsverband de Noord Nederlandse Watersport Bond (NNWB) opgegaan in het Watersportverbond.
Knijpen Het zo hoog aan de wind zeilen dat het ten koste gaat van de snelheid.
Koebrug Een merkwaardige naam voor het laagste dek in een schip, zie als voorbeeld de dekken van een linieschip. Er wordt ook gesproken van "een staketsel tusschen groote mast en fokkemast, waarop de booten liggen" [JvG]. Het is me niet gelukt de herkomst van het woord te achterhalen. De VOC-site spreekt over een verbastering van cooy-brug. Er werd vroeger op lange reizen wel levende have meegenomen, maar geen koeien. Het bleef beperkt tot wat pluimvee en kleinvee, waarmee de officieren zich van eieren en vers vlees voorzagen en waar de bemanning op feestdagen soms in meedeelde. Een VOC-victualiënlijst spreekt over "veertig hoenders, twee zeugen en twaalf biggen". De varkens werden soms in de pisbak ondergebracht, dat was de ruimte achter de kluisgaten. Met de kippen ging het niet altijd van een leien dakje. Doordat ze geen scherp zand of schelpen kregen, pikten ze aan het touwwerk. Het gevolg was dat ze een dikke krop kregen doordat touwvezels niet verteren. Een handige kok sneed dan de krop open en haalde er een bal zo groot als een walnoot uit, waarna de beestjes weer opknapten [VvdM]. Pas in de 19e eeuw adverteren reders van passagiersschepen met een melkgevende koe aan boord. In de binnenvaart is de benaming koebrug wel duidelijk. Het is de aanbrug van een veerpont of platboomd boerenvaartuig waarover de koeien aan/van  boord gingen. Verwant: kuildek.
Koekoek
Koekoek of schijnlicht. Kap met glas in het dek dienend om licht toe te laten tot onder gelegen ruimten. Het zijn metalen of houten kappen meestal in de vorm van een puntdak, met aan weerszijde scharnierende deksels. Bij een metalen koekoek worden in de deksels dikke ronde glazen schijven [bulleglas] in koperen randen toegepast. Bij de houten versie wordt de klep voorzien van een dikke glasplaat, beschermd door traliewerk van ijzer of messing. De naam heeft niets te maken met de vogel, maar alles met een uitstekend venster, mogelijk van kockock of koeken = kijken of gluren., ook wel als koekuit of kijkuit.
Koeling Een scheepsmotor moet gekoeld worden met buitenwater.
We onderscheiden drie systemen, waarvan de eerste twee indirect koelen.
Interkoeling
Ook wel geforceerde koeling. De circulatie van dit kleine met koelvloeistof gevulde circuit wordt op gang gehouden door de waterpomp van de motor en gekoeld door een warmtewisselaar, waar d.m.v. een aparte aanzuigpomp [ruimwaterpomp] buitenwater doorheen stroomt. Heden ten dage bij nieuwbouw het meest toegepaste systeem.
Gesloten koelsysteem
Een "gesloten koelsysteem" is veel groter van inhoud. We onderscheiden kiel-, goot-, vlak- en bunkoeling. Bij kielkoeling wordt de koelvloeistof door een dikke onder de bodem van het schip lopende buis/pijp geleid. Bij gootkoeling door koelgoten tegen de huid van het onderwaterschip. Bij vlakkoeling door een holle ruimte in het vlak, waarbij de af te leggen weg vergroot wordt door dwangschotten en bij bunkoeling, door een dun leidingenpakket dat in een bun is aangebracht. De circulatie geschiedt door de waterpomp van de motor, waarbij soms een zwaarder type wordt geïnstalleerd. Een gesloten systeem functioneert zonder gebruik te maken van een aparte pomp om buitenwater aan te zuigen.
Open koelsysteem of directe koeling
Het oudste systeem. Hierbij wordt het aangezogen buitenwater rechtstreeks door het motorblok geleid. Door de lage bedrijfstemperatuur en dichtslibbinggevaar wordt het echter weinig meer toegepast. Het probleem is dat de dichtslibbing zo langzaam verloopt dat je er pas mee geconfronteerd wordt als de motor hard moet werken. Het verkeerde moment dus. Regelmatig reinigen is dan ook noodzakelijk. Kijk ook bij motor wordt te heet.

Bij alle systemen kan een natte uitlaat worden toegepast. Het spreekt vanzelf dat bij interkoeling en directe koeling van huis uit al een natte uitlaat wordt toegepast. Alleen bij ouder plezierjachten zie je nog wel de combinatie van een droge uitlaat en een apart loospijpje voor het koelwater. Bij een gesloten koelsysteem zal overigens een aparte (impeller)pomp geïnstalleerd worden om het buitenwater door de uitlaat te voeren.

Om bij een gesloten systeem voldoende koeling te verkrijgen, moet het koelend oppervlak dat met buitenwater in aanraking komt niet te klein zijn. Omdat bij verwarming het volume van de koelvloeistof toeneemt dient in het hoogste gedeelte een expansievat opgenomen zijn, of wordt het uitlaatspruitstuk in een expansievat geintegreerd, waardoor de uitlaatgassen bij een droge uitlaat toch enigszins gekoeld worden en de motorkamer minder heet wordt. Om de motor bij verschillende belasting op bedrijfstemperatuur (80º tot 90º) te houden wordt de grootte van het circuit naar behoefte verkleind door een thermostaatklep.  Voor het berekenen van zo'n koelsysteem zijn een aantal vuistregels te gebruiken. Voor elke pk motorvermogen een koeloppervlak van 1,5 dm², met daarbij opgeteld 60 dm² voor een e.v.t. oliekoeler. Verder kan als vuistregel gelden dat de motor op vol vermogen met verwijderde thermostaat onder de 70ºC moet blijven. Daniël Boekel kreeg ooit van een medewerker van scheepswerf "Vooruit" te Zaandam een tabelletje voor het gebruik van pijp- of gootkoeling.
Verwant: Droge of natte uitlaat.

Koelkast Voor koeling aan boord van etens- en drinkwaren is een koelkast onontbeerlijk. Er kan gekozen worden voor een gas- of anders gestookte koelkast, een compressorkoelkast, een koelbox of een zelfgebouwde koelruimte rond een separate compressorunit. De schipper is zeer tevreden met zijn compressorkoelkast. Voor- en nadelen op een rijtje:
Soort koelkast Voordeel Nadeel
Gasgestookte koelkast
(absorptieprincipe)

Zie ook: ontdooialarm

Geen stroomverbruik.
Geen geluid.
Goedkoper in aanschaf dan compressorkoelkast.
Verbruik slechts 350 gram gas per etmaal voor een 60 literkast.
Lange aanlooptijd.
Slechts twee koelstanden.
Geen thermostaat.
Geen binnenverlichting.
Vriesvak ongeschikt voor invriezen van etenswaren.
Kan op accu, maar gebruikt dan erg veel stroom.
Omgeving wordt warm.
Buitenafvoer noodzakelijk.
Kan weinig hellinghoek hebben.
Niet 100% veilig, zie gas.
Compressorkoelkast Korte aanlooptijd.
Thermostaatregeling.
Koelt beter dan gas.
Invriezen etenswaren mogelijk.
Buitenafvoer niet nodig. Binnenverlichting.

Releatief weinig stroomverbruik: gemiddeld over 24 uur ± 1 ampère per uur voor een 60 literkast.
Bij meerdere dagen stilliggen verhoogde accucapaciteit, zonnepaneel of walaansluiting noodzakelijk.
Duurder in aanschaf dan gaskoelkast.
Compressor hoorbaar als thuis.
Compressorkoelbox Goedkoper dan compressorkoelkast.
Stroomverbruik per liter inhoud vergelijkbaar met compressorkoelkast. (in theorie minder)
Kleine capaciteit.
Onoverzichtelijk.

Geen invriesmogelijkheid.
Zelfbouw compressorunit Alle voordelen van een fabriekskast.
Koelruimte naar eigen inzicht te bouwen.
Zelfde nadelen als een fabriekskast.
Koelvloeistof Zowel koelvloeistof als antivries danken hun koudebescherming aan ethyleenglycol. Toch verschilt de toepassing. Koelvloeistof is een kant en klaar product dat onverdund gebruikt wordt en speciaal ontwikkeld is voor motorblokkoeling. Antivries is goedkoper, moet zelf worden aangelengd, maar kan corrosie veroorzaken. Een goede kwaliteit koelvloeistof geeft vorstbescherming tot -40° C. De goedkopere soorten gaan minder ver, maar zijn voor binnenlands gebruik meestal voldoende. In alle gevallen heeft de fabrikant corrosiewerende middelen - z.g.n. inhibitors - toegevoegd, die de agressieviteit neutraliseren. Na 2 jaar raken deze uitgewerkt en dient de koelvloeistof te worden vervangen. Het veel goedkopere antivries moet zelf aangelengd worden met water. De toegevoegde hoeveelheid bepaald de mate van vorstbestendigheid:
Koudebescherming
tot
Mengverhouding
water / antivries
-10ºC
-20ºC
-30ºC
-40ºC
80 / 20
66 / 34
56 / 44
49 / 51
Hoewel een moderne antivries op zich neutrale eigenschappen heeft, wordt dit door toevoeging van gewoon leidingwater teniet gedaan en is daarom af te raden als motorkoeling. Meng dus ook nooit koelvloeistof met antivries. Het is verkeerde zuinigheid.
Kofschip
Kogelkraan Afsluiters voor b.v. huiddoorvoer (tubelure) zijn er in twee typen. De schuifafsluiter en de kogelkraan. Bij de schuifafsluiter wordt de schuif bediend door een draaiknop en de doorlaatopening is daarmee erg precies te doseren. Nadeel is dat de kranen vaak niet honderd procent afsluiten en dat veel slagen nodig zijn om de kraan te dichten. De kogelkraan werkt met een hendel, die in één beweging van 90° de leiding opent of afsluit. Dit type sluit zeer goed af, maar omdat water in de kamer van de bronzen kogel blijft staan, ook erg vorstgevoelig (zie winterklaarmaken). Bezoeker Jan Stapper gaf voor dit probleem overigens een aardige tip. Boor in het huis van de kogel - in gesloten stand - een klein gaatje. Het grootste gedeelte van de kamer zal leeglopen en kan niet meer stukvriezen. Bij geopende stand wordt het gaatje door de wangen van de kogel afgesloten. Kanttekening: Kijk uit voor boorspanen of bramen in de kogel.
Ook valt te overwegen gebruik te maken van kunststof kogelkranen. Deze professionele kranen van het materiaal marelon kunnen niet stukvriezen. In Nederland o.a. verkrijgbaar bij Bootplus. Marelon is een gedeponeerde handelsnaam van het Amerikaanse Forespar Marine.

   
schuifkraan            kogelkraan

Kogge
Koken Koken aan boord kan op gas, elektra, diesel, petroleum of spiritus (brandalcohol). Voor- en nadelen op een rijtje:
Kooktoestel Voordeel Nadeel
Gas (propaan) Grote warmteopbrengst.
Koken bijna als "thuis".
Grote keus in kooktoestellen.
Gasflessen goed verkrijgbaar.
"Goedgekeurde" gasinstallatie nodig.
Niet 100% veilig, zie gas.
Elektra 220V Grote warmteopbrengst.
Koken als "thuis".
Grote keus in kooktoestellen.
Gasinstallatie overbodig.
Zeer veilig.
Eigenlijk alleen te realiseren aan walstroom of aggregaat. Het is met een omvormer bijna ondoenlijk via de accubank te koken. Er is een dusdanig grote accucapaciteit nodig, dat dit met varen niet meer bij te laden is. Zie accucapaciteit.
Diesel Behoorlijke warmteopbrengst.
In keramische uitvoering geen open vuur, dus veilig.
Gasinstallatie overbodig.
Rookgasafvoer nodig.
Meestal een aparte brandstoftank.
Zeer duur in aanschaf.
Weinig keus in kooktoestellen.
Opstarten duurt lang en vergt veel stroom.
Te weinig accucapaciteit betekent dus niet kunnen koken.
Petroleum Als bij diesel. Als bij diesel, iets minder warmteopbrengst.
Aparte brandstoftank nodig.
Ruikt even bij aansteken.
Spiritus (brandalcohol) Gasinstallatie overbodig.
Rookgasafvoer overbodig.
Geen aparte tank nodig.
Redelijke aanschafprijs.
Redelijk veilig.
Matige warmteopbrengst, doch redelijk op originele brandalcohol. Bij bakken en braden pan eerst goed heet laten worden.
Brandalcohol (95%) duur en niet overal verkrijgbaar. Gewone brandspiritus kan, maar geeft minder warmte.
Weinig keus in kooktoestellen.
Ruikt even bij aansteken.
Koken en hakken
De koker en hakker op een scheepswerf had een lawaaiig beroep. Hij was in de weer met een luchthamer en belast met het waterdicht maken van klinknaden bij stalen schepen. Voor het koken, afgeleid van het Engelse "to caulk", dat breeuwen betekent, werd de luchthamer voorzien van een kookbeitel, waarmee de rand van de aan de waterzijde liggende staalplaat als het ware verend op de onderliggende plaat werd geslagen. Scherpe randen bij hoekverbindingen werden afgerond met een hakbeitel.
Kolderstok Vóór de toepassing van het stuurwiel rond 1700 werd het roer bij grote schepen bediend door een lange roerpen (helmstok) benedendeks, waar vertikaal scharnierend de eigenlijke bedieningsstok door een koldergat of bril (sleuf in het dek) naar de hoger gelegen standplaats van de "man te roer" liep. Deze kon die zogeheten kolterstok of kanterstok naar links of rechts duwen waardoor het roer met een zeer kleine uitslag van niet meer dan 5 à 10 graden uit de midscheeps bewogen werd. De roerganger kreeg zijn commando's van de stuurman en had geen zicht op voorsteven of water, maar wel op het nachthuis en door een kijkgat op de zeilen. De besturing in die tijd hing dus grotendeels van de zeilvoering af. Met de kolderstok kon slechts worden bijgestuurd. Dat gold zeker voor fluiten die dan ook werden gestuurd met het zeil op de derde mast. Het nagthuis was een aparte ruimte op de stuurplaats (hangplecht, pothuis). Het bestond op grote schepen uit "een kas in vijf appartementen onderscheiden". De twee buitenste "gemeenlijk voor de uur- of tijdglazen", de twee binnenwaartse voor de "windwijzende compassen" en de middelste voor een "gansche kas verligtende nagtlamp". Het nachthuis was vanwege het kompas "zonder yzer t'zaem gezet". Zie ook de opengewerkte afbeelding van de Mayflower. Kolder heeft in dit verband niets te maken met onzin of een hersenziekte, maar met "kelder". De kolderstok was verbonden met de lager (kelder) gelegen helmstok.

17e eeuw: roerganger in het "nagthuis"
met eigenlijk alleen zicht op de bramzeilen.

Begin 20e eeuw: de roerganger houdt
nog steeds de bovenbramzeilen in de gaten.
Kombaars Scheepsbenaming voor een ruw wollen deken. Volgens Witsen was "Combaers" een scheeps-bedt. Zie ook in zijn kombaars genaaid.
Kombuis Scheepskeuken. Het is de plaats aan boord waar het eten voor de bemanning wordt klaargemaakt. Ook de plek waar kombuispraat vandaan komt. Ook de plek waar soms wel iets te bederven valt en ook bekend als komboffie, de plek waar knus en warm een kop koffie genuttigd kan worden en de KID (Kombuis Inlichtingen Dienst) haar werk kan doen.
Kommaliewant Scheepsbenaming voor alle eet- en drinkgerei aan boord. De naam is vermoedelijk een overblijfsel uit de Franse tijd, toen de bakken nog "gamelles" werden genoemd en het eetgerei "gamellewant". Dit werd al spoedig verbasterd van "bakskemellewant" via "bakskommaliewant" tot "kommaliewant". Verwant bakskist.
Kompas
Meer uitleg dan dat een kompas werkt op het magnetische noorden is op deze site niet te vinden. Bij het varen op binnenwater zal je het kompas alleen gebruiken om bij cardinale markering te bepalen aan welke kant je het obstakel moet passeren. Bij varen op ruim water is het natuurlijk een ander verhaal, want je zal dan ook echt je positie moeten kunnen bepalen en een koers uit moeten kunnen zetten. Je krijgt dan te maken met zaken als ware koers, kompaskoers, variatie en deviatie, stroom en wind, kortom klein vaarbewijs II. Oudere vloeistofkompassen waren meestal gevuld met een mengsel van water, alcohol en glycerine in een mij onbekende verhouding.
Verwant: zeilsteen, windstreken.
Kondwachter Een prachtige marineterm die niets te maken heeft met de achterzijde of kont van het schip, maar alles met kond doen (bekendmaken, verkondigen). Het is de borglijn van een te water gelaten sloep. Mocht de vanglijn vóór in de sloep breken dan giert de sloep door de kondwachter met een klap naar boord en "verkondigt" op die manier het breken. Ook wel verbasterd als "kouswachter".
Kop voor nemen Wanneer een stroomopwaarts varend schip draait om met de stroom mee te gaan varen. Verwant: opdraaien.
Koppel en vermogen Bij motoren worden de begrippen koppel en vermogen gebruikt. Het koppel van een motor, de "trekkracht", wordt aangegeven in Newtonmeters (Nm). Dat is de kracht (N) die door het verbrandende mengsel op de bovenzijde van de zuiger wordt uitgeoefend en via de zuigerstang in een draaiende beweging wordt omgezet. Daar is een bepaalde armlengte (m) voor nodig, in dit geval de lengte van de kruktap. Het maximale koppel is de maximale "draaikracht" die alle zuigers tezamen bij een bepaald toerental (rpm of t/min) aan de krukas geven.
Het vermogen, weergegeven in kilowatts (kW) of paardenkrachten (pk) is wat moeilijker te bevatten. Hierbij gaat het om de geleverde arbeid per tijdseenheid. Ren je tweemaal zo snel naar de brievenbus dan je (even zware) buurman, dan lever je tweemaal zo veel vermogen. Het vermogen is via een formule rechtstreeks met het koppel verbonden. Als het koppel bij een bepaald toerental bekend is, kan het vermogen worden berekend. Alhoewel koppel en vermogen dus niet los van elkaar staan, zou je kunnen zeggen dat het koppel bepalend is voor het gemak waarmee een auto een caravan de heuvel opsleurt, terwijl het vermogen meer zegt over acceleratie en topsnelheid. Voor een waterverplaatsend schip is het maximale koppel (Nm/rpm) bij laag toerental belangrijker dan het vermogen (kW/rpm). Een relatief hoog koppel en daarbij behorende schroef betekent optimale voortstuwing en minder brandstofgebruik! Teveel vermogen is zonde en kan het stuurgedrag zelfs nadelig beinvloeden.
Bron o.a.: www.autovisie.nl. Verwant: dieseltechniek, Pk/Kw en rompsnelheid.
Koplastig De kop ligt dieper dan het achterschip, het schip is lastig op koers te houden, ook wel "boeglastig" of "hog". Bij harde wind zal het schip loefgierig of wreed op het roer zijn. De kop van het schip zal zich in de wind willen draaien. Verwant: stuurlastig.
Korenlichter
Korf(s) Korf is de benaming voor een paar houten spanten/krommers tegenover elkaar. Bij kleine gebruiksboten werd het aantal korven wel als aanduiding voor de lengte cq grootte gebruikt, b.v: acht- of negenkorfs praam. In Amsterdam werd de grootte van de groenteschuitjes daar ook mee aangeduid, maar men sprak daar van kort i.p.v. korf en het aldus ontstane acht- of negenkorter werd tevens de benaming. Auteur Gerrit Schutten van Verdwenen schepen vertelde me dat hij denkt dat deze "verspreking" is ontstaan door onbekendheid met de materie.
Kortstaart Buitenboordmotoren bestaan in een kortstaart- en langstaartuitvoering. Kijk voor uitleg en toepassing bij trefwoord langstaart.
Korvet
Korvijnagel
Houten of metalen pen om een lijn mee vast te zetten. Albert Chambon heeft het in zijn "Marinetermen" over "van paardenvleesch, een speciaal soort hout, van koper of van ijzer". De Korvijnagel wordt in een plank met meerdere gaten [nagelbank of borstbalk] gestoken en heeft een verdikkking, die er voor zorgt dat de nagel niet door de nagelbalk heen valt. Ook bekend al: konfijnagel of karvielnagel.
Houtspecialist Willem Hurkmans geeft uitleg over wat Chambon paardenvleesch noemt. "Het is een harde, goed splijtvaste houtsoort met fijne structuur die vroeger veel uit Suriname werd ingevoerd onder de meer gebruikelijke naam bolletrie. De Engelse naam is Bullet tree. Wetenschappelijke naam Manilkara bidentata, de boom behoort tot de familie Sapotaceae. Het hout heeft een roodachtig geelbruine kleur, maar vers gekapt vleeskleurig, vandaar de naam. De tegenwoordige handelsnaam is Massaranduba en het hout wordt veelal in tuincentra aangeboden. Ondanks de hardheid is het vrij goed te bewerken met uiterst scherp gereedschap. De kwaliteit is wellicht iets minder dan vroeger, wat niet ligt aan de soort maar aan het op jongere leeftijd kappen van de bomen".
Kotter
Kotterstag Een kottergetuigd schip heeft meerdere voorzeilen. Aan de voorstagen wel tot vier stagzeilen. Zie "kotter" hierboven. Vandaar dat een extra stag tussen voorstag en mast kotterstag genoemd wordt. Bij zwaar weer wordt hier het stormzeiltje gehesen.
Kous
De metalen of kunststof ring in het oog of lus van een touw of staaldraad.
Kraaienest
Zal tegenwoordig wel kraaie[n]nest heten, hoewel de naam hoogstwaarschijnlijk niet afkomstig is van het vogelnest. Het was de uitkijkpost op het hoogste punt van het schip, dus meestal in de top van de grootbramsteng of kruisbramsteng en diende om de kenning (grens van het gezichtsveld) te vergroten. De taak van de uitkijk was het spotten van land of andere schepen. Om in de sterk zwaaiende mastkorf te komen, moest de uitkijk langs het want in de zaling klimmen, daarna langs een kleine valreep klauteren, om met zijn hoofd het valluik te kunnen openstoten. Was men met de armen door het luikje, dan kon men zich aan een handvat in de ton hijsen en viel het luik dicht. De uitkijk zat dan op een klein bankje als een haring in de ton [H&R]. Het kwam bij onervaren gasten nog wel eens voor dat "Land in zicht" werd geroepen terwijl het slechts om boterland ging, een wolk of nevelbank aan de kim. Je had ook nog een neuskijker, maar dat was de uitkijk vóór op het schip, die in onbekend water voor klippen en andere obstakels moest waarschuwen. Verwant (nou ja): torenkijker.
Kraak Benaming voor een oud zeegaand scheepstype, maar ook voor een type binnenvaarder.
Kraanbalk Op oude schepen de zware eikenhouten balk die schuin naar buiten gericht, op de bak van het schip lag. Het uitstekende gedeelte werd ondersteund door een steekband, drukker of penterbalk, die doorgaans met enig snijwerk versierd was. Soms werd de drukker gevormd door de achterzijde van de regeling van het galjoen. In de kop van de kraanbalk waren twee à drie schijven aangebracht voor het kattakel (Katten en vissen van het anker).
Krabben Als het anker over de bodem trekt zonder dat het in de grond blijft steken. Het anker is driftig.
Kramgaren Het dunne touw waarmee zeilen aan het rondhout (giek, gaffel) worden bevestigd. De rand van het zeil, het onder- of bovenlijk is voorzien van verstevigde kramgaten.
Krengen
Een droogvallend schip op de kiel scheef laten vallen, of een drijvend schip via een lijn aan de mast scheeftrekken, om onderhoud of reparatie aan het onderwaterschip te plegen. Ook bekend als kielen, kenteren, kielhalen, overwerpen of opzij halen. Een schip, onderwater lek geworden, vond zig aan een Kust, voor welke het steil-diep was, en wierd aldaar aan het Land gebragte, en by een geschikte Kanon gekielhaald, en vervolgens gekalfaterd; de groote Ree (ra) diende tot Schips ophouding [CvY, blz 360]. Het "op zij" halen werd ook wel blazen of opblazen genoemd: Van outs wierden blaesbalcken gebruickt, daer men wint mede in de schepen blies (de zelve boven dicht gemaeckt zijnde) om te zien of zy dicht waren. [Witsen, blz 485]. Verwant kroppen.
Krib Een gedeeltelijke dam loodrecht op de stroom en meestal tegenover elkaar liggend aan de oevers van het zomerbed van een rivier aangebracht ter stabilisatie van de stroom in het zomerbed.
Krimpende
wind
Je spreekt van een krimpende wind (ook wel afflauwen of inhalen genoemd) als de windrichting op de kompasroos gezien verandert tegen de wijzers van de klok in. De windroos kent een verdeling in 360 graden, waarbij 90 graden staat voor oostenwind, 180 graden (zuid), 270 graden (west) en 360 (noord). Bij een krimpende wind (tegen de wijzers van de klok) neemt het aantal graden af. Een wind die krimpt van zuid naar oost draait van 180 naar 90 graden. Het aantal graden krimpt dus. Het woord krimpen staat oorspronkelijk ook voor verslechteren of ongunstig. Nou dat klopt wel, want een krimpende wind gaat meestal samen met het krachtiger worden van de wind en een weersverslechtering. Vroeger zei men: "De wind schraalt of scherpt". Met scherpen bedoelde men dat de wind naar de verkeerde hoek ging. Verwant: ruimende wind en weer.
Kromsteven Verzamelnaam voor tjalkachtigen. Oude scheepstypen zijn o.a: pramen, bolschepen, kraken, ponen en de wijd- en smalschepen die we tegenwoordig tjalken noemen. Bij vissersschepen kan je denken aan kwak en botter.  Nicolaes Witsen had het niet zo op kromstevens getuige zijn beschrijving in "Aeloude en hedendaegsche scheeps-bouw en bestier uit 1671". "[...] eigentlijck een geslacht van scheepen op de Maes gebruickelijck, zijnde breet-achtigh, voor hoogh, en hout voor scheen hebbende, wiens mast boven krom, het roer vry breedt: niet als te langh: zijn stijf op het water. De Steven is geboggelt, en wanschapen gemaeckt". Verwant: steilsteven, rechtsteven.
Kruiphoogte
De kruiphoogte van je schip is de afstand van het wateroppervlak tot het hoogste punt.
Eigenlijk wordt bedoeld de doorvaarthoogte die je veilig kunt aanhouden zelfs met een beetje golfslag. De hoogte kan je het best meten met het onbemande en lege schip voor de wal. Als je daarna de vlaggenstok voor het geusje op de voorsteven net zo hoog maakt als je kruiphoogte (nou ja, een centimeter hoger) heb je een handig hulpmiddel bij doorvaart van lage bruggen. Forumlid Klaas Bakker had nog een betere tip. Gebruik bij lage bruggen i.p.v. je vlaggenstok een buigzaam wilgentakje dat je op juiste lengte hebt gesneden met aan de bovenkant b.v. een stukje rode tape.
Kruis
snelheid
De vaarsnelheid waarbij het schip zich het beste thuis voelt; dus ook de bemanning. In de beroepsvaart, in geladen toestand, dienstsnelheid genoemd. Het benodigd vermogen daartoe heet dienstvermogen.
Schip vaart niet op topsnelheid maar heeft toch behoorlijke vaart.
Het dal van de boeggolf valt mooi samen met de top van de schoudergolf (de plaats waar de kromming van de waterlijnen het grootst is) zodat beide golfsystemen elkaar afzwakken en de hekgolf is niet buitensporig.
Motorgeluid is niet overheersend, brandstofgebruik meest economisch per afgelegde afstand.
Bestuurbaarheid optimaal, trillingen minimaal.
Proefondervindelijk zal je vast moeten stellen wat voor jouw schip de ideale kruissnelheid is. Voor de economische snelheid, in de praktijk is dat meestal de kruissnelheid, is voor kleine schepen natuurlijk weer een vuistregel voorhanden. De snelheid in zeemijlen is gelijk aan de wortel van de waterlijn in voeten. Verwant: rompsnelheid.
Kubboot
Kuildek Oorspronkelijk was het kuildek het geschutsdek. Bij linieschepen met meerdere geschutsdekken ging dat niet meer op en was "kuildek" het dek onder het boven- en opperdek, zie dekken van een linieschip. Tegenwoordig wordt met kuildek een verlaagd gedeelte van het bovendek bedoeld. Een kuildekschip is b.v. een koopvaardijschip (zeevaart) waarbij kampanje en brug in elkaar overgaan, zodat er tussen brug en bak een "kuil" is [Me4]. Verwant: koebrug.
Kwak
Kwakel
Een kwakel is een hoge smalle loopbrug naast een ophaalbrug. Beide bruggen horen bij elkaar. De ophaalbrug werd opgehaald als er een schip met hoog opgetaste lading moest passeren. Vanwege de toenmalige (19e-, begin 20e eeuw) drukke vaart was het best handig om zo'n hoge kwakel te hebben. Lopend hoefde je dan niet te wachten voor de brug, want in de praktijk bleef de ophaalbrug gemakshalve vaak open staan. Uiteraard gold dit niet voor schepen met staande mast. Joke Hanselman uit Dordrecht stuurde een foto van de prachtige zelfgemaakte ophaalbrug met kwakel bij haar huis.
De naam kwakel kon echter ook gebruikt worden voor een alleen liggende hoge loopbrug en voor een ophaalbruggetje met slechts één ophaalboom waaraan een juk met in het midden een oog is opgehangen  met aan de uiteinden twee kettingen, die het loopvlak van de brug omhoog tillen. Door de hefboomwerking is zo'n bruggetje zeer snel en met weing kracht te openen. Als voorbeeld de kwakelbrug in Edam.
Kwartier Bij de koopvaardij heet de onderofficier van de dekdienst kwartiermeester. Met kwartier (kwart) wordt over het algemeen een vierde deel aangeduid. Daar komt de naam dan ook vandaan. Het betreft elk van de vier groepen van de bemanning die beurtelings wachtlopen: het stuur- en bakboordskwartier. Toch was de verdeling op de schepen van de VOC niet in vieren. Drie kwartieren bij de uitreis en twee op de thuisreis. Ze werden genoemd naar de de prinsen van Oranje. Je had het prinsenkwartier, het graaf Maurits-kwartier en het graaf Ernst-kwartier. Zij stonden onder het bevel van een kwartiermeester [Me4]. Zie ook kwartier geven (genade schenken) en kwartiershout.

 

Heel graag op- of aanmerkingen.

Op alle materiaal (layout, tekst en afbeeldingen) rust het auteursrecht van schipper Cees e.a.
Overname van artikelen of delen daarvan is slechts geoorloofd na schriftelijke toestemming.

Mocht je ondanks alle in acht genomen zorgvuldigheid menen rechten te kunnen ontlenen
aan in deze pagina gebruikt materiaal, laat de schipper dat dan zo spoedig mogelijk weten.

verantwoording