|
| Kaag |
| Kaai | Zeeuws- Zuidhollandse
benaming voor kade. Oorspronkelijke betekenis: "Gemetselde oeverkant. De kaaijen
dienen om in steden, die door wateren doorsneden zijn, ruimte te winnen of bij
landingsplaatsen onmiddelijk aan den oever eene grootere waterdiepte te verkrijgen, dan
anders het geval zoude zijn" [Mw]. De uitgang aai is kenmerkend. Een stukje nostalgie (sorry, moet even): In de vijftiger jaren in Dordrecht noemden we buurman Arie uit de Touwdraaiershof "Ome Aai". Hij was spantenbuiger bij scheepswerf De Biesbosch en had een stalen kajuitmotorboot voor zichzelf (Ford benzinemotortje met slinger, zonder vrijloop en zonder keerkoppeling, dus niet af te stoppen) en een bunroeiboot voor zijn zoon Arie (mijn vriendje) gebouwd. Bij Tante Hennie en Ome Aai at ik boterhammen met stroopjesvet (stropiesvet). Op lange winteravonden maakte Ome Aai scheepsmodellen. Rond een houten mal klopte hij het blik van opengeknipte conservenblikjes in model, om tot prachtige "stalen" sleepboten te solderen. Ome Aai had last van zijn maag en slikte per dag zowat een half buisje Chefarine 4: "Met één tabletje voelt U zich een ander mens, opgewekt en in staat met plezier uw werk te doen". Hoe kon hij weten dat de pijnstiller juist funest was voor zijn maag? Ome Aai is in mijn herinnering niet eens vijftig geworden.... Zie ook kaaien hieronder. |
| Kaaien |
In Oudnederlands betekent kaaien "van richting veranderen", maar sommige bronnen verwijzen naar het aan de kaai of kade liggen. Beide verklaringen slaan hout, want de ra's werden gestreken (van richting veranderd) aan de kade. We onderscheiden, wat ik voor het gemak maar noem, dwars- en langsscheeps kaaien. Van oudsher werd dwarsscheeps gekaaid, d.w.z. dat de ra met de toppenenden of een kaailijn (talie) zodanig scheef getrokken wordt, dat de ene kant naar beneden en de andere naar boven wijst. Dit werd gedaan om het schip in de haven minder breedte te laten innemen (alleen de brede onder- en marsera's werden gekaaid). Langsscheeps kaaien is een methode die tegenwoordig vooral op nieuwe schoolschepen wordt toegepast. De mast wordt eenvoudigweg een aantal graden gedraaid, waarbij dus alle ra's meedraaien tot de ranokken niet meer buiten boord steken. Op schepen met een spriettuig werd gekaaid door het lossen van de greelband en afhankelijk van de grootte, de spriet met de hand of met een talie in langsscheepse richting onderuit te trekken. Verwant: brassen, ra, trijsen. |
| Kaaier | Een motorschip krijgt niet zo gauw een kaaier. Het is een zijdelingse duw, slinger, of gier van je schip, meestal veroorzaakt door een plotselinge windvlaag. Bij zeilschepen kan het een "klapgijp" veroorzaken. Toch kan je met een motorschip een "beste kaaier" krijgen als je voorbij een spuisluis, of achter het schroefwater van een binnenvaartschip langs gaat. Op zee een "valse kaaier" van een zijdelings tegen het schip brekende golf. Verwant: broach. |
| Kaapstander |
Andere benamingen: aardewind, windas, gangspil of catena. Een werktuig om zware lasten te verplaatsen, bestaande uit een wiel op een verticale as met handspaken of windbomen. Hantspaeck. Een hout, niet ongelijck aen een yzere koevoet, daer men iets mede omzet, wint ofte verzet) [NW], waar veel schepelingen tegelijk tegen duwen om b.v. het anker te hieuwen, maar ook om schoten aan te halen of landvasten strak te zetten. Als de windas horizontaal geplaatst is om zeilen te hijsen b.v, ziet hij eruit als een braadspil en wordt ook zo genoemd. Het Latijnse woord catena (ketting) wordt ook wel gebruikt als aanduiding voor de grens voor het bemanningsverblijf, het officiele domein van de bemanning, waar de kapitein hen niet dient te volgen. |
| Kaarselade |
| Kabbelaris | Oorspronkelijke, maar inmiddels bijna vergeten, benaming voor een nestenschijf of kettingschijf. |
| Kabelaring |
|
| Kabelgat | Bergruimte (meestal onder de bak) voor dekdienstinventaris; verf, touwwerk, gereedschappen, dekkleden e.d. In de zeiltijd ook wel als bemanningsverblijf gebruikt, of daar pal onder. (Vgl N.W. 1671 Kabelgat. Een afschutzel ofte kamer voor in 't schip op zommige in 't hol, op anderen in 't verdeck, of op de koebrugge, daer de touwen in bewaert worden. Op schepen naer Indien, dienen zy tot slaepplaets der soldaten; de kooyen, welcke boven elkander in 't rondt staen, zyn zeer eng en naeuw). |
| Kabellengte | Een lengte van één tiende zeemijl: 185 meter. Zie ook de schippersmaatlat, een herleidingtabel. Oorspronkelijk de lengte van een kabel zoals die door de lijnbanen werd geslagen van 120 amsterdamse vademen (204 meter). Bij de Marine is een kabellengte 225 meter. |
| Kagenaar |
| Kajuit | In een klein zeegaand roei-, zeil- of motorvaartuig is het de ruimte voor passagiers. Aan boord van grote zeeschepen is de kajuit het verblijf voor de commandant. Op binnenschepen spreken we over een roef. Beide werden vroeger wel aangeduid als Coot (achteronder). De aanduiding GSAK voor pleziervaart op binnenwater is dus eigenlijk onjuist... Verwant: kampanje, theehut. |
| Kajuitfries | Een fries is een sierlijst -bovenlijst of kroonlijst- in de antieke bouworde, maar ook terug te vinden op traditionele zeilschepen. Het is de kajuitfries als omlijsting van de toegang tot de kajuit en meestal doorgetrokken als waterschot tussen gangboord en kuip. De opstaande rand voorkomt buiswater in de kuip. Ook de kajuitfries is vaak uitgevoerd als sierlijst. Zie prinswerk. |
| Kalfdek | Een bij sommige binnenvaartschepen toegepaste truc om meer laadvermogen te krijgen. Boven het gangboord werd een hoger dek aangebracht om het minimum vrijboord te verhogen (meer diepgang). Het behoort geschreven te worden als kalffdek, want het werd vernoemd naar Ir. J.A. Kalff, minister van Waterstaat in het tweede kabinet-Colijn [1933-1935]. Later ook verbasterd als kalverdek. |
| Kalkaanslag | Zie gele aanslag. |
| Kameel |
Algemeen wordt
aangenomen dat de scheepskameel in 1691 werd uitgevonden door de Amsterdammer Meeuwis
Meendertsz. Bakker. In 1775 noemt Egbert Buys in zijn "Nieuw en Volkomen Woordenboek
van Konsten en Weetenschappen" echter Cornelius Meyer als uitvinder. Het
"loffelijk middel" bestond uit twee afzonderlijke houten caissons waarvan de
binnenkant de negatiefvorm van een scheepsromp had. De caissons waren verdeeld in
waterdichte kamers die konden worden gevuld door inlaten. De bijna geheel gezonken
caissons werden aan weerszijden van het schip geplaatst en door middel van kabels aan
elkaar bevestigd. Daarna werden de kamers leeggepompt, waardoor het schip gelicht werd.
Het geheel van schip en kamelen kon dan voorzichtig onder eigen zeil de ondiepte van
Pampus passeren, of werd door waterschepen naar diep
vaarwater gesleept. Cornelis van Yk schreef in 1697: "Zelden
zijn nieuw-gevonden konsten ten eersten tot het toppunt haarer volmaaktheid gesteigerd.
Want zoo heeft men al voor veele jaren, om onze Groote en diepgaande Scheepen in Zee te
brengen, wegens de Ondiepheid onzer Rivieren, en Zeegaten, getragt, dezelve, waar 't
mogelijk, door ledig Vatwerk, zo Pypen, als Voeder-vaten, op te ligten, en te doen ryzen.
Dog was dit Werk, om het by een-schikken der Vaten, een ellendige Talmery, en veel Arbeids
onderworpen". Hij noemde de kamelen wanschepsels, maar tegelijkertijd: "Een
loffelijk middel om Scheepen wel 5 a 6 en meerdere Voeten te ligten en over Slijke en
Zande te brengen". Kamelen bleven in gebruik tot in 1824 het
"Groot-Noordhollands Kanaal" werd geopend.
|
| Kampanje | Verhoogd
achtergedeelte van een schip, ontstaan uit het achterkasteel van de
middeleeuwse schepen, en later dienend tot onderkomen van de staf. Het bovengelegen
achterdek of kampanjedek deed dienst als uitkijk- en kommandopost van de
wachtdoende officier. De kampanje (of uit het Engels overgenomen "poop")
strekte zich gewoonlijk uit van/rond de bezaansmast tot het hek. Op het plaatje het gehele dek rond de achterste mast. In de
VOC-tijd werd het hoogste dek op het achterschip bovenet genoemd, in sommige
publicatie boevennet, maar dat is onjuist, want dat was het traliewerk van hout
of touw over de opening van het schip, 't geen den genen die enteren willen afweert
[Witsen, blz 485]. De kapiteinskajuit bevond zich geheel
achterin, op oorlogsschepen voorafgegaan door de "kerk". In de kerk bevond zich
de bekokering van de bezaansmast, rondom voorzien van geweerrekken en verder dienend als
opslag voor trommels, sabels en ander wapentuig. De kapitein moest door de kerk om in zijn
kajuit te komen. Voor de deur van de kerk stond een marinier op wacht. Verwant galjoen.
|
| Kanaalpeil | Waterstanden
op binnenwater worden aangegeven t.o.v. NAP (Normaal Amsterdams
Peil). Op waterkaarten wordt dat aangegeven als KP (Kanaalpeil). Omdat het KP ook vaak de
naam van het gebied (de boezem) krijgt, kan de gebruikte afkorting ook een andere zijn,
b.v. FZP (Fries Zomerpeil), WP (Winschoterpeil) etc. Brughoogten staan aangegeven t.o.v.
dat kanaalpeil, waarbij de ANWB waterkaarten i.v.m. de watersport als maatstaf meestal de
waterstand in de zomer hanteren en dat alles in decimeters. Maar hoe gaan we met die
getallen om? Stel je boot heeft een kruiphoogte van 2.50m. Op de kaart staat een brughoogte van 27. Het Kanaalpeil is aangegeven als KP = NAP + 3. Dat betekent dat de doorvaarhoogte 2.70 meter is bij een voor dat kanaal normale waterstand van 30cm boven NAP. Geen probleem, je kan er onderdoor met een speling van 20cm. Maar op een peilschaal bij de brug lees je dat het kanaalpeil op dit moment KP = NAP - 2 is. Wat nu. Heel simpel, het water staat 5dm lager dan normaal. De doorvaarthoogte is dus hoger, n.l. 2.70m + 50cm = 3.20m. Geen probleem, je kan er onderdoor met een speling van 70cm. Ander voorbeeld. Op de peilschaal staat KP = NAP + 6. Nu is er wel een probleem. Het water staat 3dm hoger dan normaal. De doorvaarthoogte is dus lager n.l. 2.70m - 30cm = 2.40m. Je kan er niet onderdoor! |
| Kanons | De meervoudsvorm van kanon is "kanonnen", althans voor landrotten. Op vaartips wordt bij oude schepen de zeemansvorm "kanons" gebruikt. |
| Kapiteintje | Een kapiteintje is een kajuitsdweil / -zwabber. |
| Kardeel | Een geslagen lijn of tros bestaat uit meerdere, in ieder geval drie, in elkaar gedraaide strengen. Deze strengen heten kardelen. Oorspronkelijk de benaming voor een zeilval, of het hijstouw (zware takel), waarmee men de onderraas ophijst. Mollema noemt de vallen van de onderraas kordeels. Vroeger ook gebruikt als duiding voor een wimpel- of vlaggetouw. Verder was kardeel of kordeel een verbastering van quartel of kwarteel, een spekton bij de walvisvangst, een traanvat van twaalf steekkan (bijna 240 liter). Verwant: touw, splitsen, bindsel, trenzen. |
| Karveel |
| Kast |
| Kasteel |
De versterkte bouwsels op voor- en achterschip van Middeleeuwse schepen [koggen en kraken], later overdadig versierd. De kastelen waren bedoeld als gevechtspost en het voorkasteel ook voor loden en ankeren. In de 16e eeuw besloegen ze zelfs meerdere dekken, maar in de 17e eeuw werd het voorkasteel geleidelijk verlaagd om tenslotte geheel te verdwijnen [galjoenen]. Verwant: kampanje. |
| Katschip |
| Katten | Een weinig gebruikte manier van ankeren in slechte grond. Twee ankers worden in elkaars verlengde aan één ankerlijn als een tandem bevestigd. De lijn of ketting tussen de twee ankers moet wel strak liggen. Men noemt dit gekat ankeren of een "katting". Het was echter ook de benaming voor het ophangen van een stokanker aan de boeg als geen ankerkluis aanwezig was. Omdat het anker lelijk heen en weer kon zwaaien werd het horizontaal stijf tegen de buslappen (dubbele plankenrij) van de boeg getrokken met een vis- of kiptakel en daarna vastgesjord met een rustlijn. Deze manier van bergen heette katten en vissen. Verder is katten de benaming voor het reven van het grootzeil, waarbij de halshoek - het zeil bij de onderhoek van de mast - middels een katlijn of dempgording omhoog gehaald wordt. Een andere manier is geien, waarbij men de nok van de gaffel met de geilijn laat zakken. "Geien" is Oudnederlands voor hijsen. |
| Kavelen | Op klein gebied blijven laveren om ander (gunstiger) tij af te wachten. Uit een oude publicatie: In den vloed zeilen om de ebbe afte wachten. Tij kavelen: eb en vloed berekenen. Verwantschap met overtijden: 't schip met de meest dienstige stromen voort laten drijven en het in tegentij stoppen en voor anker leggen. |
| Keen |
| Keer- koppeling |
De functie van
een keerkoppeling is om de draairichting van de motor naar wens links- of rechtsom met
gereduceerd toerental over te brengen op de schroefas. De keerkoppeling heeft ook een
neutraalstand en wordt over het algemeen bediend door één handle, waarmee ook het gas
wordt geregeld. Bij zwaardere types wordt de bediening hydraulisch overgebracht. Op het
typeplaatje kan je de vertraging aflezen. A = vertraging vooruit, B = vertraging
achteruit. Moderne keerkoppelingen hebben meestal geen verschil in vertraging
vooruit/achteruit. Da's handig, want dan kan bij dezelfde keerkoppeling zowel een links-
of rechtsdraaiende schroef toegepast worden. Tip: wanneer de keerkoppeling niet meer werkt - zowel vooruit als achteruit grijpt hij niet meer aan - zal het vrijwel zeker niet aan de keerkoppeling liggen maar aan een defecte demperplaat. |
| Keesje | Schipper Cees als
kleine jongen. De schippersterm keesje (geen hoofdletter) betekent echter iets anders. Als
een tros over een grote afstand geworpen moet worden, of te zwaar is, bevestigt men een
dunnere stevige hieuw-, werp- of vanglijn. Het keesje is een verzwaring (vroeger een leren
zandzakje) aan het uiteinde van zo'n werplijn en dient om het werpen makkelijker te maken.
In plaats daarvan kan ter verzwaring alleen een knoop worden gelegd, het ape(n)vuistje.
Het geheel (lijn + verzwaring) wordt ook wel keesje genoemd. Op KNOOPenzo, de site van
Theo Slijkerman kan je zien hoe zo'n keesje geknoopt wordt.
|
| Kempenaar |
| Kentering | Twee betekenissen: Het omslaan van je schip of stil water op het moment dat eb overgaat in vloed of omgekeerd. zie getijwater. |
| Kettingvaart |
Deze Franse uitvinding werd toegepast in Frankrijk en Duitsland op stromend water, moeilijk vaarwater met kolkingen en in lange tunnels. De boot haakt zich aan een ketting die op de bodem van het vaarwater ligt. Bij het voorschip komt de ketting via een geleiderol uit het water, waar een motorisch aangedreven kaapstander of nestenschijf de schalmen pakt. De ketting loopt in de gehele lengte door of over het schip en verdwijnt via de geleiderol op de achtersteven weer in het water. In Duitsland is het op een moeilijk traject bij de Domfelsen tot 1945 in gebruik geweest. In Frankrijk nog veel langer in het Canal de Saint Quentin, waar een kettingsleepboot, remorqueur of toueur, de schepen in een rampe door de 5670m lange tunnel van Riqueval trok. De dienst is door modernisering en verbeterde ventilatie van de tunnel in 2006 opgeheven. De toueurs hebben daar dan precies een eeuw dienst gedaan. Koos Fernhout ontdekte evenwel een Russische site met prachtige foto's van een enorme kettingsleepboot op de rivier de Yenisei. Deze toueur (in het Russisch tyep, volgens Koos uitgesproken als toewer) is nog steeds in bedrijf en gebruikt geen ketting, maar een staaldraad. Het betreft een serie van 26 foto's. Het cyrillisch woord rechtsboven betekent "volgende". |
| Keulenaar |
| Keulse vloed | Benaming voor een tegendraadse of dwarse stroming, die kan ontstaan wanneer een obstakel dwars in een sterk stromende rivier ligt. Verwant: neer. |
Kibbeling![]() |
Kibbelingen zijn lekkerbekjes. Hoho zal je zeggen: "Kibbelingen zijn toch gebakken stukjes kabeljauw in beslag en lekkerbekjes gebakken visfilet in beslag?" Ja, tegenwoordig wel, maar zo was het niet. Kabeljauw klopt, want kibbelingen waren de uitgesneden (gekibbelde) en gezouten kelen en wangen van de kabeljauw. "De kopers voor dat armoedige spul kwamen van de Haarlemmerdijk of uit de Jordaan" [AjhZ]. De ongezouten wangetjes werden gebakken en heetten lekkerbekjes. Doordat de Atlantische kabeljauw inmiddels door overbevissing vrijwel is verdwenen wordt tegenwoordig kibbeling van goedkopere witvissoorten aangeboden. Het zijn de soorten die je vroeger als "een visje voor de kat" kocht. Het minder smakelijke product wordt met veel kruidenpoeder en een dipsausje toch voor (bijna) kabeljauwprijs verkocht. Toevallig zag ik vandaag [augustus 2010] in de bijlage "Vrouw" van de "Telegraaf" een recept voor "kabeljauwwangen in beslag met witbier". Dat zijn dus echte lekkerbekjes. Alleen nog even een visboer vinden die gekibbelde wangetjes kan leveren... :-) Verwant: haring, paling, makreel, garnaal. |
| Kielhalen | Zie straffen aan boord. |
| Kielschip | De benaming wordt gebruikt voor rondspantschepen met kiel en stevens. De kiel is een lange rechte balk midden onder het schip, welke voor en achter overgaat in stevens. Stevens zijn de - min of meer - verticale balken die voor en achter het schip afsluiten en waaraan de einden van de gangen van de scheepshuid zijn bevestigd. Oudhollandse kielschepen hadden weliswaar ronde kimmen maar een vrij vlakke bodem. Hendrik Willem van Loon ziet de uitgeholde boomstam als voorloper van de kiel en schreef in 1934: "Scheepsbouwers in het Noorden van Europa begonnen een rij planken langs de boorden van hun boomstamkano's te bevestigen. Natuurlijk was het zoo, dat hoe hooger deze balustrade, deze scheepswand werd, en hoe meer lading het vaartuig kon vervoeren, hoe dieper de oorspronkelijke, uitgeholde boomstam in het water terecht kwam. Totdat die onfortuinlijke boomstam, die eerst het geheele schip geweest was, eindelijk gedegradeerd werd tot een heel gewone kiel, en als kiel heeft hij de eeuwen ovrleefd tot op de huidige dag, een kiel, die tien of twintig of veertig voet onder het watervlak ligt". Verwant: rompvorm. |
| Kielzog | Kielzog is een spoor van borrelend, schuimend, in beroering gebracht water, achter een zich verplaatsend schip. Kielzog veroorzaakt zuiging omdat het door het schip verdrongen water weer terugstroomt. Zie ook zog. |
| Killen | Het zeil dusdanig draaien dat de wind er niet goed in blaast, of het zeil dat slap hangt als de wind door een ander zeil onderschept wordt. Het schip zal snelheid verliezen of stil komen te liggen. |
| Kilometerraai | Bord of paal met een getal aan de oever van rivieren en kanalen dat de afstand tot een bepaald markeringspunt in kilometers of tienden daarvan aangeeft. Bij rivieren beginnend bij de bron.Tegenwoordig gaan steeds meer vaarwegbeheerders van kanalen over tot markering per 500m. Je kan de bordjes/paaltjes uitstekend gebruiken voor het bepalen van je snelheid. Neem op een recht stuk kanaal zonder stroming en niet teveel wind met een vast toerental de tijd in seconden tussen twee hectometer stukken (200m) op. Als je dat met 5 vermenigvuldigt heb je de tijd die je over één kilometer doet. (Bij markering per 500m vermenigvuldig je natuurlijk met 2). Deze waarde deel je op 3600 (seconden in een uur). Als uitkomst heb je dan de grondsnelheid in kilometers. Noteer daarbij het toerental van de motor en herhaal de procedure met andere toerentallen. Voortaan kan je dan met redelijke nauwkeurigheid de toerenteller op niet stromend water als snelheidsmeter gebruiken. Geheel anders dan de methode die op zee vanaf de 17e eeuw tot lang in het schroeftijdperk werd toegepast. Het was "The Dutchman's log" of het gissen buiten boord. Een voorwerp werd tot buiten de boeggolf te water geworpen en met een zandloper, later een chronometer, werd de tijd bepaald die nodig was om twee op de verschansing gemerkte punten te passeren. Dit gaf dan niet de grondsnelheid, maar de snelheid door het water (logvaart).Vóór die tijd moest men het doen met zogpeilen. Aan het kielzog was een trage of snelle voorgang te bemerken (ook weer ten opzichte van het water en niet van de grond). Kort zog was een langzame vaart. Men sprak dan van het schip vertiert weinig. Verwant: log. |
| Kim |
Twee betekenissen: -Ronding of knik waar de bodem (het vlak) van een schip overgaat in de zijkant. Komt van kieming (op het plaatje: nr.4). -Horizon, de overgang in de verte van water naar lucht; bij een heiige horizon of anderszins onduidelijke waarneming spreekt men van een harige kim. |
| Kimkielen | Of slingerkielen. Inplaats van een enkelvoudige diepstekende kiel wordt op rondspant motorjachten wel gebruik gemaakt van kimkielen om slingeren te verminderen. De kielen worden schuinstekend haaks aan de kim bevestigd en bij knikspanten zelfs horizontaal net boven de kim. In dat geval spreken we over stabilisatievinnen, die langer en smaller zijn en ongeveer van midscheeps tot achter lopen. Kimkielen zullen veelal zo geconstrueerd worden dat ze even diep steken als het diepste punt, waardoor het schip rechtopstaand kan droogvallen. Het achteraf plaatsen van kimkielen zonder de ontwerper te raadplegen kan vervelende gevolgen hebben. Te ver naar achteren maakt de boot loefgierig, te ver naar voren lijgierig. Verwant koplastig en stuurlastig. |
| Kink | Een kink in de kabel is
een valse (verkeerde, of te korte) slag of draai in een lijn, tros, ketting of staaldraad,
maar een gewone lus wordt ook wel kink genoemd. Het woord zou komen van krink
(kreuk). Zeelui noemen het ook wel asshole. Zie ook opschieten.
|
| Kits |
| Klapgijp | Het onverwachts van de ene naar de andere kant slaan van het zeil, op een voordewindse koers. Een gevaarlijke toestand, want het zal niet de eerste keer zijn dat iemand een hersenschudding oploopt of overboord slaat door een klap van de giek. De kans op zo'n gijp is het grootst wanneer men binnen de wind zeilt, d.w.z. wanneer de wind schuin van achteren komt van de kant waarnaar het grootzeil staat. Het is te voorkomen door een bulletalie aan te brengen. Dat is een lijn van de giek naar het voorschip. Het grootzeil kan nu nog wel met een bolling naar de verkeerde kant, maar de giek gaat niet mee. Sommige zeilers noemen dat een Chinese gijp, hoewel dat eigenlijk de situatie is waarbij juist wel de giek naar het andere boord komt terwijl het bovenste deel blijft steken tegen b.v. want of zaling. De oorzaak is meestal een niet goed aangehaalde schoot, waardoor de giek tijdens gijpen omhoog komt. |
| Klapmuts | Naast de naam voor
een muts (kapoets) met omgeslagen rand of oorkleppen meerdere betekenissen:
|
| Klapschroef | Een steeds
terugkerende discussie. Moet de scheepsschroef tijdens zeilen nu wel of niet vastgezet
worden? D.w.z. de keerkoppeling "in z'n werk", om onnodige slijtage te
voorkomen. Ervaring leert dat een meedraaiende schroef in ieder geval minder remmende
werking heeft. Of een watergesmeerde schroefas dat aan kan is de vraag en of de koppeling
ertegen kan hangt af van de manier van smeren. Een telefoontje naar de leverancier biedt
uitkomst. Soms dient een aparte smeervoorziening aangebracht te worden. Bij een
hydraulische koppeling kan de schroefas niet eens vastgezet worden met afgezette motor. In
alle gevallen valt een klapschroef te overwegen. Het is een keuze tussen minder rendement
bij varen op de motor en meer rendement bij varen onder zeil. Een klapschroef wordt bij
motoraandrijving automatisch geopend door de middelpuntvliedende kracht. Bij zeilen en
uitgeschakelede motor zorgt de waterdruk dat de bladen zich sluiten. Er zijn echter ook
systemen waarbij de schroefbladen automatisch de gunstigste stand kiezen bij een gegeven
motortoerental en tijdens zeilen automatisch in een stand komen met de minste
waterweerstand (vaanstand). Wist je trouwens dat het middenstuk van een scheepsschroef met
verstelbare bladen "dobbelsteen" wordt genoemd? Verwant: schroef, slip en spoed. Zie ook klapschroef of vaste schroef voor een vergelijking. |
| Kleed | De grootte van vlaggen wordt (werd) opgegeven in kleden, gemeten aan de hijs, het verticale gedeelte dat wordt aangeslagen aan de vlaggelijn. Men spreekt b.v. over een ¾-kleeds-, 1½-kleeds-, 2¼-kleeds vlag enz. Een kleedlengte is 50cm en over het algemeen wordt de verhouding lengte-breedte van 3:2 aangehouden. Op oude afbeeldingen is te zien dat onze voorouders groot vlagden. Een korvet uit 1832 toont een (minstens) achtkleeds natievlag (4 meter aan de hijs). Zie ook natievlag en vlagvoering. |
| Klens |
De klens is een steek waarmee een rondhout of tros kan worden vastgemaakt, maar wordt ook gebruikt als tijdelijke steek wanneer een permanente oogsplits aan b.v. leuver of hondsvot nog ontbreekt. |
| Klik | Andere benaming voor de onderzijde, de hak van het roer (Zeeland), maar meer gebruikelijk voor de kop, de helm van de roerkoning, het bevestigingspunt van de helmstok of roerarm. |
| Klipper |
| Klompje | Bij bruggen waar voor bediening betaald moet worden staat altijd
een bord met het tarief. De brugwachter zal een klompje aan een hengel presenteren, waar
je geacht wordt gepast geld in te doen. Helaas zijn er ook brugwachters (toegegeven,
steeds minder) bij gratis provinciale- of gemeentelijke bruggen, die dit als een
aantrekkelijke bijverdienste zien en even zo vrolijk "klompen". Natuurlijk staat
het vrij de man of vrouw een fooi te geven, maar het hoeft absoluut niet, want geen
tariefbord is kosteloze doorvaart. Bij zelfbedieningsbruggen in b.v. de turfroute speelt een ander verhaal. Vooral in de vakantietijd
worden de zelfbedieningvonders met graagte door kinderen bediend voor een extra zakcentje.
Over het algemeen zal de schipper dit als plezierig ervaren en een kleine bijdrage kan de
kop niet kosten. De procedure (gehannes bij harde wind) van afmeren, brug opendraaien,
door de brug varen, weer afmeren en brug sluiten, hoeft dan niet. |
| Kloot |
|
| Kluiver | De kluiver is een zeil dat op een kluiverboom of boegspriet gevoerd kan worden. Van oudsher op platbodems. De kluiver is bedoeld voor ruimere koersen om meer snelheid te krijgen. Bovendien maakt een kluiver het schip loefwaardiger (althans minder loefgierig) vanwege de extra druk van voren. |
| Knarr |
| Kniekeurder | Zie hout in de vroegere scheepsbouw. Iedere werf van betekenis beschikte over een speciale vakman: de kniekeurder. Tegen het voorjaar trok deze specialist naar Duitsland om in bepaalde streken te zoeken naar kromgegroeide eiken. Hij bezat het vermogen om aan de stam van deze krommers te kunnen zien of de boom met een minimum aan afval tot spant, wrang of kanteling (kniestuk) verwerkt zou kunnen worden. Haakse verbindingen hoefden dan niet karbeel te worden uitgevoerd (pen en gat met schoor- of steekband). |
| Knikspant en rondspant
|
Een rondspant onderwaterschip is eigenlijk het meest zeewaardig. De kim loopt rond weg, waardoor het schip zeer natuurlijk in het water ligt. Weliswaar is de zijdelingse schommeling wat langer dan bij een knikspant maar heel voorspelbaar en de eindstabiliteit (de maximale helling die het schip kan maken om nog overeind te komen) is hoog. De variant, waarbij de overgang tussen romp en kiel ook zonder scherpe hoek verloopt heet S-spant. Omdat in de staalbouw ronde vormen moeilijk en tijdrovend zijn wordt in de jachtbouw meestal gekozen voor een knikspant, waarbij min of meer rechte platen kunnen worden gebruikt. Bijkomend voordeel op binnenwater is de geringere diepgang en de hoge aanvangsstabiliteit (het schip gaat weinig scheef als je aan boord stapt). In ruw water gedragen knikspanten zich echter wreed, de schommeling verloopt niet vloeiend, maar snel met rukken (korte slingerperiode) en de eindstabiliteit (het kenterpunt) is laag. Verder zijn knikspanten wat gevoeliger voor verlijeren. De veel toegepaste dooskiel met motor of ballast waardoor het zwaartepunt zo laag mogelijk komt te liggen verhoogt de eindstabiliteit echter aanmerkelijk. Voor zeegaande jachten wordt wel een dubbele, of zelfs meervoudige knik gebruikt, de multiknikspant, waarmee de rondspantvorm benaderd wordt. Toch werd in vroeger eeuwen zelfs met platbodemd schepen handel gedreven op b.v. de Oostzee. Dat deze reizen niet ongevaarlijk waren laat zich raden. Zie ook andere rompvormen. |
| KNMC | De Koninklijke
Nederlandsche Motorboot Club (KNMC)
is een landelijke club met vijf districten en is als verbond vertegenwoordigd in vele
officiële overlegorganen en neemt als een van de participanten in Vaarbewijs- en
Marifoonexamens CV, examens voor de vaarbewijzen en marifoon af. De KNMC is al meer dan 90 jaar
"Koninklijk". De in 1907 als Nederlandsche Motorboot Club (NMC) opgerichte
vereniging verwierf het predikaat in 1916, als dank voor haar activiteiten tijdens de
Eerste Wereldoorlog. De NMC nam toen het initiatief tot oprichting van het
"Watersport-steunfonds voor de Binnenschipperij" voor binnenschippers in
moeilijkheden. Ook gaf zij een brochure uit getiteld: "De motorboot als
vervoermiddel van de Militair Geneeskundige Dienst". Verder stelde de vereniging
haar kaarten van waterwegen beschikbaar als legerkaarten. Tevens verstrekte zij de
militaire leiding een lijst van Nederlandse binnenschepen en van eigenaren van
buitenboordmotoren. Het leger maakte daar dankbaar gebruik van en uit erkentelijkheid voor
de bewezen diensten verleende H. M. de Koningin de NMC op 17 juli 1916 - op voordracht van
Prins Hendrik als voorzitter van het Rode Kruis - het predikaat "Koninklijk".
Nog steeds draagt de KNMC deze titel met ere. Het aantal individuele leden van de KNMC is
al een aantal jaren vrij stabiel. Het schommelt rond de 540. De KNMC heeft ooit wel meer
leden geteld (ruim 600), maar behoort door het karakter van de club beslist niet tot de
megaverenigingen. Omdat dit ook niet wordt nagestreefd moet een kandidaatstelling voorzien
zijn van referenties van twee definitieve leden en de consul van het betreffende district.
Kandidaat-leden worden vervolgens voor een kennismakingstijd van een jaar als voorlopig
lid van de vereniging toegelaten. Daarna volgt het definitieve lidmaatschap. Puntje van kritiek: Waarom voeren KNMC-leden een
toevoeging aan de natievlag terwijl dit privilege bij Koninklijk Besluit nimmer is
verleend? Het eervolle predikaat "Koninklijk" is natuurlijk geweldig, maar de
nationale vlag met kroon-ensign is voor de KNMC slechts de facto. Uit contact met de
voorzitter begreep ik dat al jaren wordt gepoogd erkenning te krijgen. Hij schreef in mei
2002: "Ik kan u tevens verzekeren dat we ons bewust zijn van het huidige dilemma
en vermelden u daarom dat we doende zijn met de diverse instanties in Nederland te komen
tot een oplossing van dit mogelijk probleem wat echter niemand als erg storend heeft
ervaren". |
| Knopen |
De knoop is ook de eenheid waarin de snelheid van een
schip wordt uitgedrukt. De knoop is geen afstandaanduiding. |
| Knots |
| KNRM | Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij. Zie ook het project Zeevast.
|
| Knuttel | Een ineengedraaid lijntje van strengetjes kabelgaren. Ieder strengetje werd uit elkaar gerafeld en afzonderlijk weer in elkaar gedraaid of gevlochten. Knuttels of knitsels werden gebruikt als rifseizings en ook wel om er een zweep [kattestaart] van te maken voor het tuchtigen van daartoe veroordeelde zeelieden. |
| KNWV | Het Koninklijk Nederlands Watersport Verbond, tegenwoordig kortweg Watersportverbond geheten, is met meer dan 500 aangesloten watersportverenigingen en 60 klassenorganisaties de grootste vertegenwoordiger van watersporters in Nederland. Doel van het watersportverbond is het bevorderen van de watersport in Nederland. In 2004 is na een intensief samenwerkingsverband de Noord Nederlandse Watersport Bond (NNWB) opgegaan in het Watersportverbond. |
| Knijpen | Het zo hoog aan de wind zeilen dat het ten koste gaat van de snelheid. |
| Koebrug | Een merkwaardige naam voor het laagste dek in een schip, zie als voorbeeld de dekken van een linieschip. Er wordt ook gesproken van "een staketsel tusschen groote mast en fokkemast, waarop de booten liggen" [JvG]. Het is me niet gelukt de herkomst van het woord te achterhalen. De VOC-site spreekt over een verbastering van cooy-brug. Er werd vroeger op lange reizen wel levende have meegenomen, maar geen koeien. Het bleef beperkt tot wat pluimvee en kleinvee, waarmee de officieren zich van eieren en vers vlees voorzagen en waar de bemanning op feestdagen soms in meedeelde. Een VOC-victualiënlijst spreekt over "veertig hoenders, twee zeugen en twaalf biggen". De varkens werden soms in de pisbak ondergebracht, dat was de ruimte achter de kluisgaten. Met de kippen ging het niet altijd van een leien dakje. Doordat ze geen scherp zand of schelpen kregen, pikten ze aan het touwwerk. Het gevolg was dat ze een dikke krop kregen doordat touwvezels niet verteren. Een handige kok sneed dan de krop open en haalde er een bal zo groot als een walnoot uit, waarna de beestjes weer opknapten [VvdM]. Pas in de 19e eeuw adverteren reders van passagiersschepen met een melkgevende koe aan boord. In de binnenvaart is de benaming koebrug wel duidelijk. Het is de aanbrug van een veerpont of platboomd boerenvaartuig waarover de koeien aan/van boord gingen. Verwant: kuildek. |
| Koekoek |
Koekoek of schijnlicht. Kap met glas in het dek dienend om licht toe te laten tot onder gelegen ruimten. Het zijn metalen of houten kappen meestal in de vorm van een puntdak, met aan weerszijde scharnierende deksels. Bij een metalen koekoek worden in de deksels dikke ronde glazen schijven [bulleglas] in koperen randen toegepast. Bij de houten versie wordt de klep voorzien van een dikke glasplaat, beschermd door traliewerk van ijzer of messing. De naam heeft niets te maken met de vogel, maar alles met een uitstekend venster, mogelijk van kockock of koeken = kijken of gluren., ook wel als koekuit of kijkuit. |
| Koeling | Een scheepsmotor moet
gekoeld worden met buitenwater. We onderscheiden drie systemen, waarvan de eerste twee indirect koelen. Interkoeling Ook wel geforceerde koeling. De circulatie van dit kleine met koelvloeistof gevulde circuit wordt op gang gehouden door de waterpomp van de motor en gekoeld door een warmtewisselaar, waar d.m.v. een aparte aanzuigpomp [ruimwaterpomp] buitenwater doorheen stroomt. Heden ten dage bij nieuwbouw het meest toegepaste systeem. Gesloten koelsysteem Een "gesloten koelsysteem" is veel groter van inhoud. We onderscheiden kiel-, goot-, vlak- en bunkoeling. Bij kielkoeling wordt de koelvloeistof door een dikke onder de bodem van het schip lopende buis/pijp geleid. Bij gootkoeling door koelgoten tegen de huid van het onderwaterschip. Bij vlakkoeling door een holle ruimte in het vlak, waarbij de af te leggen weg vergroot wordt door dwangschotten en bij bunkoeling, door een dun leidingenpakket dat in een bun is aangebracht. De circulatie geschiedt door de waterpomp van de motor, waarbij soms een zwaarder type wordt geïnstalleerd. Een gesloten systeem functioneert zonder gebruik te maken van een aparte pomp om buitenwater aan te zuigen. Open koelsysteem of directe koeling Het oudste systeem. Hierbij wordt het aangezogen buitenwater rechtstreeks door het motorblok geleid. Door de lage bedrijfstemperatuur en dichtslibbinggevaar wordt het echter weinig meer toegepast. Het probleem is dat de dichtslibbing zo langzaam verloopt dat je er pas mee geconfronteerd wordt als de motor hard moet werken. Het verkeerde moment dus. Regelmatig reinigen is dan ook noodzakelijk. Kijk ook bij motor wordt te heet. Bij alle systemen kan een natte uitlaat worden toegepast. Het spreekt vanzelf dat bij interkoeling en directe koeling van huis uit al een natte uitlaat wordt toegepast. Alleen bij ouder plezierjachten zie je nog wel de combinatie van een droge uitlaat en een apart loospijpje voor het koelwater. Bij een gesloten koelsysteem zal overigens een aparte (impeller)pomp geïnstalleerd worden om het buitenwater door de uitlaat te voeren. Om bij een gesloten systeem voldoende koeling te
verkrijgen, moet het koelend oppervlak dat met buitenwater in aanraking komt niet te klein
zijn. Omdat bij verwarming het volume van de koelvloeistof toeneemt dient in het hoogste
gedeelte een expansievat opgenomen zijn, of wordt het uitlaatspruitstuk in een expansievat
geintegreerd, waardoor de uitlaatgassen bij een droge uitlaat toch enigszins gekoeld
worden en de motorkamer minder heet wordt. Om de motor bij verschillende belasting op
bedrijfstemperatuur (80º tot 90º) te houden wordt de grootte van het circuit naar
behoefte verkleind door een thermostaatklep. Voor het berekenen van zo'n koelsysteem
zijn een aantal vuistregels te gebruiken. Voor elke pk motorvermogen een koeloppervlak van 1,5 dm², met daarbij
opgeteld 60 dm² voor een e.v.t. oliekoeler. Verder kan
als vuistregel gelden dat de motor op vol vermogen met verwijderde thermostaat onder de 70ºC moet blijven. Daniël Boekel
kreeg ooit van een medewerker van scheepswerf "Vooruit" te Zaandam een tabelletje voor het gebruik van pijp- of gootkoeling. |
| Koelkast | Voor koeling aan
boord van etens- en drinkwaren is een koelkast onontbeerlijk. Er kan gekozen worden voor
een gas- of anders gestookte koelkast, een compressorkoelkast, een koelbox of een
zelfgebouwde koelruimte rond een separate compressorunit. De schipper is zeer tevreden met
zijn compressorkoelkast. Voor- en nadelen op een rijtje:
|
| Kofschip |
| Kogelkraan | Afsluiters voor
b.v. huiddoorvoer (tubelure) zijn er in twee typen. De schuifafsluiter en de kogelkraan.
Bij de schuifafsluiter wordt de schuif bediend door een draaiknop en de doorlaatopening is
daarmee erg precies te doseren. Nadeel is dat de kranen vaak niet honderd procent
afsluiten en dat veel slagen nodig zijn om de kraan te dichten. De kogelkraan werkt met
een hendel, die in één beweging van 90° de leiding opent of afsluit. Dit type sluit
zeer goed af, maar omdat water in de kamer van de bronzen kogel blijft staan, ook erg
vorstgevoelig (zie winterklaarmaken). Bezoeker Jan Stapper
gaf voor dit probleem overigens een aardige tip. Boor in het huis van de kogel - in
gesloten stand - een klein gaatje. Het grootste gedeelte van de kamer zal leeglopen en kan
niet meer stukvriezen. Bij geopende stand wordt het gaatje door de wangen van de kogel
afgesloten. Kanttekening: Kijk uit voor boorspanen of bramen in de kogel. Ook valt te overwegen gebruik te maken van kunststof kogelkranen. Deze professionele kranen van het materiaal marelon kunnen niet stukvriezen. In Nederland o.a. verkrijgbaar bij Bootplus. Marelon is een gedeponeerde handelsnaam van het Amerikaanse Forespar Marine.
|
| Kogge |
| Koken | Koken aan boord kan op
gas, elektra, diesel, petroleum of spiritus (brandalcohol). Voor- en nadelen op een
rijtje:
|
| Koken en hakken |
De koker en hakker op een scheepswerf had een lawaaiig beroep. Hij was in de weer met een luchthamer en belast met het waterdicht maken van klinknaden bij stalen schepen. Voor het koken, afgeleid van het Engelse "to caulk", dat breeuwen betekent, werd de luchthamer voorzien van een kookbeitel, waarmee de rand van de aan de waterzijde liggende staalplaat als het ware verend op de onderliggende plaat werd geslagen. Scherpe randen bij hoekverbindingen werden afgerond met een hakbeitel. |
| Kolderstok | Vóór de
toepassing van het stuurwiel rond 1700 werd het roer bij
grote schepen bediend door een lange roerpen (helmstok)
benedendeks, waar vertikaal scharnierend de eigenlijke bedieningsstok door een koldergat
of bril (sleuf in het dek) naar de hoger gelegen standplaats van de
"man te roer" liep. Deze kon die zogeheten kolterstok of kanterstok
naar links of rechts duwen waardoor het roer met een zeer kleine uitslag van niet meer dan
5 à 10 graden uit de midscheeps bewogen werd. De roerganger kreeg zijn commando's van de
stuurman en had geen zicht op voorsteven of water, maar wel op het nachthuis en door een
kijkgat op de zeilen. De besturing in die tijd hing dus grotendeels van de zeilvoering af.
Met de kolderstok kon slechts worden bijgestuurd. Dat gold zeker voor fluiten die dan ook werden gestuurd met het zeil op de derde
mast. Het nagthuis was een aparte ruimte op de stuurplaats (hangplecht, pothuis).
Het bestond op grote schepen uit "een kas in vijf appartementen onderscheiden".
De twee buitenste "gemeenlijk voor de uur- of tijdglazen", de twee binnenwaartse
voor de "windwijzende compassen" en de middelste voor een "gansche kas
verligtende nagtlamp". Het nachthuis was vanwege het kompas "zonder yzer t'zaem
gezet". Zie ook de opengewerkte afbeelding van de Mayflower. Kolder heeft in dit
verband niets te maken met onzin of een hersenziekte, maar met "kelder". De
kolderstok was verbonden met de lager (kelder) gelegen helmstok.
|
| Kombaars | Scheepsbenaming voor een ruw wollen deken. Volgens Witsen was "Combaers" een scheeps-bedt. Zie ook in zijn kombaars genaaid. |
| Kombuis | Scheepskeuken. Het is de plaats aan boord waar het eten voor de bemanning wordt klaargemaakt. Ook de plek waar kombuispraat vandaan komt. Ook de plek waar soms wel iets te bederven valt en ook bekend als komboffie, de plek waar knus en warm een kop koffie genuttigd kan worden en de KID (Kombuis Inlichtingen Dienst) haar werk kan doen. |
| Kommaliewant | Scheepsbenaming voor alle eet- en drinkgerei aan boord. De naam is vermoedelijk een overblijfsel uit de Franse tijd, toen de bakken nog "gamelles" werden genoemd en het eetgerei "gamellewant". Dit werd al spoedig verbasterd van "bakskemellewant" via "bakskommaliewant" tot "kommaliewant". Verwant bakskist. |
Kompas![]() |
Meer
uitleg dan dat een kompas werkt op het magnetische noorden is op deze site niet te vinden.
Bij het varen op binnenwater zal je het kompas alleen gebruiken om bij cardinale markering te bepalen aan welke kant je het
obstakel moet passeren. Bij varen op ruim water is het natuurlijk een ander verhaal, want
je zal dan ook echt je positie moeten kunnen bepalen en een koers uit moeten kunnen
zetten. Je krijgt dan te maken met zaken als ware koers, kompaskoers, variatie en
deviatie, stroom en wind, kortom klein vaarbewijs II.
Oudere vloeistofkompassen waren meestal gevuld met een mengsel van water, alcohol en
glycerine in een mij onbekende verhouding. Verwant: zeilsteen, windstreken. |
| Kondwachter | Een prachtige marineterm die niets te maken heeft met de achterzijde of kont van het schip, maar alles met kond doen (bekendmaken, verkondigen). Het is de borglijn van een te water gelaten sloep. Mocht de vanglijn vóór in de sloep breken dan giert de sloep door de kondwachter met een klap naar boord en "verkondigt" op die manier het breken. Ook wel verbasterd als "kouswachter". |
| Kop voor nemen | Wanneer een stroomopwaarts varend schip draait om met de stroom mee te gaan varen. Verwant: opdraaien. |
| Koppel en vermogen | Bij motoren worden de
begrippen koppel en vermogen gebruikt. Het koppel van een motor, de
"trekkracht", wordt aangegeven in Newtonmeters (Nm). Dat is de kracht (N) die
door het verbrandende mengsel op de bovenzijde van de zuiger wordt uitgeoefend en via de
zuigerstang in een draaiende beweging wordt omgezet. Daar is een bepaalde armlengte (m)
voor nodig, in dit geval de lengte van de kruktap. Het maximale koppel is de maximale
"draaikracht" die alle zuigers tezamen bij een bepaald toerental (rpm of t/min)
aan de krukas geven. Het vermogen, weergegeven in kilowatts (kW) of paardenkrachten (pk) is wat moeilijker te bevatten. Hierbij gaat het om de geleverde arbeid per tijdseenheid. Ren je tweemaal zo snel naar de brievenbus dan je (even zware) buurman, dan lever je tweemaal zo veel vermogen. Het vermogen is via een formule rechtstreeks met het koppel verbonden. Als het koppel bij een bepaald toerental bekend is, kan het vermogen worden berekend. Alhoewel koppel en vermogen dus niet los van elkaar staan, zou je kunnen zeggen dat het koppel bepalend is voor het gemak waarmee een auto een caravan de heuvel opsleurt, terwijl het vermogen meer zegt over acceleratie en topsnelheid. Voor een waterverplaatsend schip is het maximale koppel (Nm/rpm) bij laag toerental belangrijker dan het vermogen (kW/rpm). Een relatief hoog koppel en daarbij behorende schroef betekent optimale voortstuwing en minder brandstofgebruik! Teveel vermogen is zonde en kan het stuurgedrag zelfs nadelig beinvloeden. Bron o.a.: www.autovisie.nl. Verwant: dieseltechniek, Pk/Kw en rompsnelheid. |
| Koplastig | De kop ligt dieper dan het achterschip, het schip is lastig op koers te houden, ook wel "boeglastig" of "hog". Bij harde wind zal het schip loefgierig of wreed op het roer zijn. De kop van het schip zal zich in de wind willen draaien. Verwant: stuurlastig. |
| Korenlichter |
| Korf(s) | Korf is de benaming voor een paar houten spanten/krommers tegenover elkaar. Bij kleine gebruiksboten werd het aantal korven wel als aanduiding voor de lengte cq grootte gebruikt, b.v: acht- of negenkorfs praam. In Amsterdam werd de grootte van de groenteschuitjes daar ook mee aangeduid, maar men sprak daar van kort i.p.v. korf en het aldus ontstane acht- of negenkorter werd tevens de benaming. Auteur Gerrit Schutten van Verdwenen schepen vertelde me dat hij denkt dat deze "verspreking" is ontstaan door onbekendheid met de materie. |
| Kortstaart | Buitenboordmotoren bestaan in een kortstaart- en langstaartuitvoering. Kijk voor uitleg en toepassing bij trefwoord langstaart. |
| Korvet |
| Korvijnagel |
Houten of metalen
pen om een lijn mee vast te zetten. Albert Chambon heeft het in zijn
"Marinetermen" over "van paardenvleesch, een speciaal soort hout, van
koper of van ijzer". De Korvijnagel wordt in een plank met meerdere gaten
[nagelbank of borstbalk] gestoken en heeft een verdikkking, die er voor zorgt dat de nagel
niet door de nagelbalk heen valt. Ook bekend al: konfijnagel of karvielnagel. Houtspecialist Willem Hurkmans geeft uitleg over wat Chambon paardenvleesch noemt. "Het is een harde, goed splijtvaste houtsoort met fijne structuur die vroeger veel uit Suriname werd ingevoerd onder de meer gebruikelijke naam bolletrie. De Engelse naam is Bullet tree. Wetenschappelijke naam Manilkara bidentata, de boom behoort tot de familie Sapotaceae. Het hout heeft een roodachtig geelbruine kleur, maar vers gekapt vleeskleurig, vandaar de naam. De tegenwoordige handelsnaam is Massaranduba en het hout wordt veelal in tuincentra aangeboden. Ondanks de hardheid is het vrij goed te bewerken met uiterst scherp gereedschap. De kwaliteit is wellicht iets minder dan vroeger, wat niet ligt aan de soort maar aan het op jongere leeftijd kappen van de bomen". |
| Kotter |
| Kotterstag | Een kottergetuigd schip heeft meerdere voorzeilen. Aan de voorstagen wel tot vier stagzeilen. Zie "kotter" hierboven. Vandaar dat een extra stag tussen voorstag en mast kotterstag genoemd wordt. Bij zwaar weer wordt hier het stormzeiltje gehesen. |
Kous![]() |
De metalen of kunststof ring in het oog of lus van een touw of staaldraad. |
| Kraaienest |
Zal tegenwoordig wel kraaie[n]nest heten, hoewel de naam hoogstwaarschijnlijk niet afkomstig is van het vogelnest. Het was de uitkijkpost op het hoogste punt van het schip, dus meestal in de top van de grootbramsteng of kruisbramsteng en diende om de kenning (grens van het gezichtsveld) te vergroten. De taak van de uitkijk was het spotten van land of andere schepen. Om in de sterk zwaaiende mastkorf te komen, moest de uitkijk langs het want in de zaling klimmen, daarna langs een kleine valreep klauteren, om met zijn hoofd het valluik te kunnen openstoten. Was men met de armen door het luikje, dan kon men zich aan een handvat in de ton hijsen en viel het luik dicht. De uitkijk zat dan op een klein bankje als een haring in de ton [H&R]. Het kwam bij onervaren gasten nog wel eens voor dat "Land in zicht" werd geroepen terwijl het slechts om boterland ging, een wolk of nevelbank aan de kim. Je had ook nog een neuskijker, maar dat was de uitkijk vóór op het schip, die in onbekend water voor klippen en andere obstakels moest waarschuwen. Verwant (nou ja): torenkijker. |
| Kraak | Benaming voor een oud zeegaand scheepstype, maar ook voor een type binnenvaarder. |
| Kraanbalk | Op oude schepen de zware eikenhouten balk die schuin naar buiten gericht, op de bak van het schip lag. Het uitstekende gedeelte werd ondersteund door een steekband, drukker of penterbalk, die doorgaans met enig snijwerk versierd was. Soms werd de drukker gevormd door de achterzijde van de regeling van het galjoen. In de kop van de kraanbalk waren twee à drie schijven aangebracht voor het kattakel (Katten en vissen van het anker). |
| Krabben | Als het anker over de bodem trekt zonder dat het in de grond blijft steken. Het anker is driftig. |
| Kramgaren | Het dunne touw waarmee zeilen aan het rondhout (giek, gaffel) worden bevestigd. De rand van het zeil, het onder- of bovenlijk is voorzien van verstevigde kramgaten. |
| Krengen |
Een droogvallend schip op de kiel scheef laten vallen, of een drijvend schip via een lijn aan de mast scheeftrekken, om onderhoud of reparatie aan het onderwaterschip te plegen. Ook bekend als kielen, kenteren, kielhalen, overwerpen of opzij halen. Een schip, onderwater lek geworden, vond zig aan een Kust, voor welke het steil-diep was, en wierd aldaar aan het Land gebragte, en by een geschikte Kanon gekielhaald, en vervolgens gekalfaterd; de groote Ree (ra) diende tot Schips ophouding [CvY, blz 360]. Het "op zij" halen werd ook wel blazen of opblazen genoemd: Van outs wierden blaesbalcken gebruickt, daer men wint mede in de schepen blies (de zelve boven dicht gemaeckt zijnde) om te zien of zy dicht waren. [Witsen, blz 485]. Verwant kroppen. |
| Krib | Een gedeeltelijke dam loodrecht op de stroom en meestal tegenover elkaar liggend aan de oevers van het zomerbed van een rivier aangebracht ter stabilisatie van de stroom in het zomerbed. |
| Krimpende wind |
Je spreekt van een krimpende wind (ook wel afflauwen of inhalen genoemd) als de windrichting op de kompasroos gezien verandert tegen de wijzers van de klok in. De windroos kent een verdeling in 360 graden, waarbij 90 graden staat voor oostenwind, 180 graden (zuid), 270 graden (west) en 360 (noord). Bij een krimpende wind (tegen de wijzers van de klok) neemt het aantal graden af. Een wind die krimpt van zuid naar oost draait van 180 naar 90 graden. Het aantal graden krimpt dus. Het woord krimpen staat oorspronkelijk ook voor verslechteren of ongunstig. Nou dat klopt wel, want een krimpende wind gaat meestal samen met het krachtiger worden van de wind en een weersverslechtering. Vroeger zei men: "De wind schraalt of scherpt". Met scherpen bedoelde men dat de wind naar de verkeerde hoek ging. Verwant: ruimende wind en weer. |
| Kromsteven | Verzamelnaam voor tjalkachtigen. Oude scheepstypen zijn o.a: pramen, bolschepen, kraken, ponen en de wijd- en smalschepen die we tegenwoordig tjalken noemen. Bij vissersschepen kan je denken aan kwak en botter. Nicolaes Witsen had het niet zo op kromstevens getuige zijn beschrijving in "Aeloude en hedendaegsche scheeps-bouw en bestier uit 1671". "[...] eigentlijck een geslacht van scheepen op de Maes gebruickelijck, zijnde breet-achtigh, voor hoogh, en hout voor scheen hebbende, wiens mast boven krom, het roer vry breedt: niet als te langh: zijn stijf op het water. De Steven is geboggelt, en wanschapen gemaeckt". Verwant: steilsteven, rechtsteven. |
| Kruiphoogte |
De
kruiphoogte van je schip is de afstand van het wateroppervlak tot het hoogste punt. Eigenlijk wordt bedoeld de doorvaarthoogte die je veilig kunt aanhouden zelfs met een beetje golfslag. De hoogte kan je het best meten met het onbemande en lege schip voor de wal. Als je daarna de vlaggenstok voor het geusje op de voorsteven net zo hoog maakt als je kruiphoogte (nou ja, een centimeter hoger) heb je een handig hulpmiddel bij doorvaart van lage bruggen. Forumlid Klaas Bakker had nog een betere tip. Gebruik bij lage bruggen i.p.v. je vlaggenstok een buigzaam wilgentakje dat je op juiste lengte hebt gesneden met aan de bovenkant b.v. een stukje rode tape. |
| Kruis snelheid |
De vaarsnelheid
waarbij het schip zich het beste thuis voelt; dus ook de bemanning. In de beroepsvaart, in
geladen toestand, dienstsnelheid genoemd. Het benodigd vermogen daartoe heet dienstvermogen. Schip vaart niet op topsnelheid maar heeft toch behoorlijke vaart. Het dal van de boeggolf valt mooi samen met de top van de schoudergolf (de plaats waar de kromming van de waterlijnen het grootst is) zodat beide golfsystemen elkaar afzwakken en de hekgolf is niet buitensporig. Motorgeluid is niet overheersend, brandstofgebruik meest economisch per afgelegde afstand. Bestuurbaarheid optimaal, trillingen minimaal. Proefondervindelijk zal je vast moeten stellen wat voor jouw schip de ideale kruissnelheid is. Voor de economische snelheid, in de praktijk is dat meestal de kruissnelheid, is voor kleine schepen natuurlijk weer een vuistregel voorhanden. De snelheid in zeemijlen is gelijk aan de wortel van de waterlijn in voeten. Verwant: rompsnelheid. |
| Kubboot |
| Kuildek | Oorspronkelijk was het kuildek het geschutsdek. Bij linieschepen met meerdere geschutsdekken ging dat niet meer op en was "kuildek" het dek onder het boven- en opperdek, zie dekken van een linieschip. Tegenwoordig wordt met kuildek een verlaagd gedeelte van het bovendek bedoeld. Een kuildekschip is b.v. een koopvaardijschip (zeevaart) waarbij kampanje en brug in elkaar overgaan, zodat er tussen brug en bak een "kuil" is [Me4]. Verwant: koebrug. |
| Kwak |
| Kwakel |
Een kwakel is een hoge
smalle loopbrug naast een ophaalbrug. Beide bruggen horen bij elkaar. De ophaalbrug werd
opgehaald als er een schip met hoog opgetaste lading moest passeren. Vanwege de toenmalige
(19e-, begin 20e eeuw) drukke vaart was het best handig om zo'n hoge kwakel te hebben.
Lopend hoefde je dan niet te wachten voor de brug, want in de praktijk bleef de ophaalbrug
gemakshalve vaak open staan. Uiteraard gold dit niet voor schepen met staande mast. Joke
Hanselman uit Dordrecht stuurde een foto van de prachtige zelfgemaakte ophaalbrug met
kwakel bij haar huis. De naam kwakel kon echter ook gebruikt worden voor een alleen liggende hoge loopbrug en voor een ophaalbruggetje met slechts één ophaalboom waaraan een juk met in het midden een oog is opgehangen met aan de uiteinden twee kettingen, die het loopvlak van de brug omhoog tillen. Door de hefboomwerking is zo'n bruggetje zeer snel en met weing kracht te openen. Als voorbeeld de kwakelbrug in Edam. |
| Kwartier | Bij de koopvaardij heet de onderofficier van de dekdienst kwartiermeester. Met kwartier (kwart) wordt over het algemeen een vierde deel aangeduid. Daar komt de naam dan ook vandaan. Het betreft elk van de vier groepen van de bemanning die beurtelings wachtlopen: het stuur- en bakboordskwartier. Toch was de verdeling op de schepen van de VOC niet in vieren. Drie kwartieren bij de uitreis en twee op de thuisreis. Ze werden genoemd naar de de prinsen van Oranje. Je had het prinsenkwartier, het graaf Maurits-kwartier en het graaf Ernst-kwartier. Zij stonden onder het bevel van een kwartiermeester [Me4]. Zie ook kwartier geven (genade schenken) en kwartiershout. |
| Heel graag op- of aanmerkingen. |
Op alle materiaal
(layout, tekst en afbeeldingen) rust het auteursrecht van schipper Cees e.a.
Overname van artikelen of delen daarvan is slechts geoorloofd na schriftelijke
toestemming.
Mocht je ondanks
alle in acht genomen zorgvuldigheid menen rechten te kunnen ontlenen
aan in deze pagina gebruikt materiaal, laat de schipper dat dan zo spoedig mogelijk weten.