Langs- en dwarshelling


Het scheepje ligt met de achtersteven naar het water.
Bij grotere schepen was het de gewoonte om over de voorsteven te water te laten.


"Het te water lopen van een koopvaardijschip". Een stapelloop over de voorsteven. Steendruk van Pieter Le Comte [1831].
Hij beschrijft de stapelloop in 1831 als volgt. Het taalgebruik uit die tijd vergt gewenning, maar leest gemakkelijk.


Het schip geheel volbouwd zijnde, namelijk het levendige deel, of hetgeen weŕrstand aan het water moet bieden, zoo is het eerste werk van den scheepsbouwmeester hetzelve te water te brengen. Bij het leggen der kiel is vooruit gezorgd, dat dezelve eene goede helling heeft, van ten minste 1 Ó 1╝ duim, per voet, uit het waterpas, zoo dat bij deze ligging, zonder verzakking der helling, het schip zeker loopt.

Het schip nu dusdanig gereed zijnde, om een drijvend ligchaam te worden, begint men met tusschen de stapelblokken, of stapeling, waarop de kiel haar rustpunt heeft, de tusschenruimte met hout aan te vullen, op welker boveneinde eiken blokken worden gelegd, welke aan het eene einde regthoekig of winkelhaaks ingekeept en naar de tegenovergestelde zijde in eene schuin opgaande lijn zijn gevormd; deze houten, klavierhouten genaamd, dienen om het schip eene gladde en gelijke dragt, benevens eene beperking te geven, en tevens om behulpzaam te zijn in den afloop.
Men brengt deze houten, nadat zij vooraf goed gesmeerd zijn, om het andere, van stuur- en bakboord onder de kiel; dezelve worden dusdanig opgekegd, dat de vertikale lijnen van de klavierhouten horizontaal worden, welke dus van wederszijde ondergebragt, eene gleuf vormen, die met greenen strooken tot aan het water verlengd wordt, en alzoo bij den afloop daarin de kiel beperkt; ook gebruikt men bij het onderbrengen der klavierhouten een ijzer, hetwelk tusschen de kiel en de inkeeping van de klavierhouten gebragt wordt. Het wordt klavierijzer genaamd, en dient om eene tusschenruimte te behouden, en alzoo de beknijping te voorkomen.

Opvolgend brengt men van voor het schip tot achter het groote spant, of de breedste plaals van het schip, aan wederszijde greenen platen, welke met de boveneinden naar het schip gewend worden; deze, de smeer- of slagbedden genaamd, worden met talk en zeep goed gesmeerd, en door de op drie plaatsen aan beide kanten van het schip gebouwde kussens, verkrijgt het schip op deze slagbedden , een tweede en derde steunpunt, die benevens de kiel de wrijving van den afloop moeten weŕrstaan; deze slagbedden worden door houten schooren, in eene tegenwerkende kracht geplaatst, op hunne ligging bevestigd. De slagbedden worden, gelijk boven gezegd is, hoofdzakelijk aangebragt , om het schip wederzijds te steunen, hetwelk, zonder deze rustpunten en op zijne enkele kiel den afloop moetende volbrengen, gemakkelijk zoude kunnen kantelen (of op zijde vallen), vooral zou dit het geval worden met een scherp gebouwd schip.
Voor plat gevormde vaartuigen zoude er minder gevaar bestaan, indien dezelve zonder slagbedden afloopen moesten; echter bedient men zich ook bij deze van dezelve.
Deze voorzorgen aldus genomen zijnde, plaatst men eene ijzeren kling in eene sponning in het achterste gedeelte der kiel, of op een zesde van den achtersteven, hetwelk tegen het invreten met eene ijzeren plaat is voorzien. Deze kling, eene latere uitvinding, moet het schip tot het laatste toe zijnen afloop beletten, en wordt op twee in elkander sluitende wiggen in eenen tegenwerkenden hoek van 45 graden geplaatst.
Om het uitschieten der wiggen te voorkomen, voorziet men dezelve nog met eenen houten stut, die even voor den afloop weder weggeslagen wordt.

Het schip nu op de kling staande, begint men met het achtervolgens wegslaan der zijstutten, latende men aan den achterkant van het schip somwijlen twee stutten staan, welke bij den afloop nedervallen, en daarom tuimelstutten genoemd worden.
Voorts neemt men alles weg, wat het schip in deszelfs afloop hinderlijk zoude kunnen zijn.
Nu gaat men over tot het wegkappen van het stapelblok, hetwelk het voorste rustpunt van het schip is, en bij het leggen der kiel onder den voorsteven wordt geplaatst.
Dit blok is zamengesteld uit verscheidene kleine stukken eikenhout, welke door eenen houten band worden besloten; ook heeft men nog wel voor stapelblok twee in elkander sluitende wiggen, welke voor den afloop gelijk gebeiteld zijn, en weggeramd worden. Met meerdere gerustheid dan voorheen, kapt men tegenwoordig het stapelblok, door het aanbrengen der kling, welker kracht eertijds de stutten moesten doen. Er bestaan voorbeelden, dat het schip over de menschen heenliep, terwijl zij met kappen van dit blok bezig waren, en hen alzoo verpletterde.
Hiervoor bestaat nu in het geheel geen gevaar.

Het blok weggekapt zijnde, dompt het schip een weinig, en rekt zich zelf, alzoo is nu de kling de laatste tegenwerker, waarbij een ram (*) wordt geplaatst, om op het eerste sein van den scheepsbouwmeester weggeramd te worden.
Dit sein daar zijnde, ramt men de bovenste wig weg, waarin de kling met eene sponning opgesloten is, dewelke meestal met den eersten slag zich begeeft, waarop het schip begint te loopen, zoo in zijn element wordt opgenomen, en iederen scheepsbouwmeester verligt van eene zware verantwoording.
Men is verpligt, stuitbalken in de rigting van den loop des schips te plaatsen, uit hoofde dat alhier de ruimte niet bestaat, om de schepen geheel dood of uit te laten loopen ; door deze balken wordt de vaart gestopt.
In de Fransche havens laat men de schepen het achterste voren afloopen, waarop ik nader zal terugkomen.

(*) Eene houten stootplaat, voorzien van enden touw, waaraan manschappen geplaatst worden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

frontpage hit counter