Plaatsbepaling op zee
door Mr. A.W. Kamp
Het gedichtje verscheen in de Haagse Post [ 1930]

Veendamse schippers, jaren her
op alle wateren bevaren,
wisten bij heig weer precies
hoever ze van Delfzijl af waren.
Ze smeerden 't dieplood in met pek
en lieten 't naar de bodem zakken
en met de modder, die bleef plakken,
maakten die heren hun bestek.

Zo kon er n met d'ogen dicht
-na 't bitt'ren lukte 't slag op slag-
als hij de modder proefde, zeggen
op welke hoogte en breedt' hij lag.
Om acht uur 's avonds op zijn kooi
kon men dien braven zeerob vinden,
al brak de storm zijn stengen af;
de schipper sliep bij alle winden.

Hij hield zijn geestesoog in 't zeil
en gaf al slapend zijn bevelen.
In Morpheus' armen bleef hij trouw
de zorg van schip en manschap delen.
Zo bracht de wacht hem ieder uur
het lood waarmee hij had gepeild;
de ouwe ontwaakte, proefde en zei
hoever ze waren voortgezeild.

Eens had koksmaat Piet de wacht,
de maan zag toe met lodderoog,
de zee was kalm en Pieter dacht
terwijl hij zwaaiend 't lood bewoog:
"de schipper zegt dat hij kan proeven
de plek waar 't schip op zee verkeert,
ik wil de proef er eens van nemen
of hij dit feit met grond beweert."

Hij haalde 't lood nu door een bak
met kleiaardappels volgeladen
en ging er mee naar den kaptein,
die snurkte zwaar, met kanonnaden.
"Waar zijn we baas? Hier is het lood..."
De schipper gaapt, steekt uit z'n tong,
hij likt, slaat wild de ogen op
en vliegt de kooi uit met een sprong,
hij stormt naar dek en buldert schor
het argeloze scheepsvolk wakker:
"Delfziel is weg en ligt in zee,
wi voaren boven Kroaimoa's akker!'"