VOC mentaliteit

In 2006 sprak onze premier meerdere keren trots over die VOC mentaliteit. Het bleek geen handige opmerking, want:

In 1932, schreef Arthur van Schendel [1874-1946] in zijn "Jan Compagnie" al het volgende over het gedrag en mentaliteit van Hollanders in Indië:

"En zo de hoge dienaren, zo de lage, een behoorlijk man was zeldzaam als een witte vogel. Het krijgsvolk, het scheepsvolk, niet voldaan met het ruim rantsoen van Spaanse wijn, rode wijn en arak, liep om altijd meer bij de zoetelaar. Aan het strand, langs de rivier, in de herberg en in de loge, overal was het krakeel en handgemeen, haastig met het mes, gebral en gevloek. De Javanen keken zwijgend toe of vluchtten wanneer een roekeloze troep met de blanke wapens aan kwam lopen. Als zij geen Engelsen tegenkwamen vochten zij onderling. De barbier en zijn helpers werkten vlijtig voor hun loon; de kooplieden, de officieren en de schippers verdeden veel tijd met in justitie te zitten; er werd op de schepen gegeseld, van de ra getrokken en gekielhaald dag en dag. De scheepslieden mochten onafhankelijk en weerspannig zijn, de soldaten, geworven uit het grauw der Nederlandse steden, tierden in tuchteloosheid. Het klimaat van felle dagen, kletterende regens, warme nachten, maakte hen weelderig en krieuwig, het scheelde hun ook niet of zij ooit het vaderland weerzagen".

-.-.-.-.-

In 1945 schetste Jef Last [1898-1972] in zijn "Het eerste schip op de Newa" onder literatuurverwijzing, een ander onthutsend beeld van de VOC.

"Er zijn dominees, die de hel geschilderd hebben, in zulke afgrijselijke kleuren, dat vrouwen hysterisch begonnen te huilen en kinderen, die de preek gehoord hadden, nog weken later niet dorsten gaan slapen, maar welk tafereel van de menselijke fantasie kan de werkelijke hel benaderen, die te vinden is op een Nederlands Compagnieschip?

De bemanning
Het uitschot van alle naties: boeven, moordenaars, pooiers, dronkaards, geslachtszieken, lupuslijders, bankroetiers, - in kroegen en bordelen verzameld, als vee aan boord gedreven, met de karwats het want ingejaagd, slechts door de sadistische wreedheid van een provoostgeweldige in toom gehouden, - dat is de bemanning.
Omstreeks 1700 beschreef Nicolaas de Graaff dat VOC schepen een toevluchtsoord waren voor armoedzaaiers waaronder "Polakke, Sweeden, Deenen, Noord-luyde, Jutte, Hamborgers, Bremers, Lubekkers, Dantsikers, Konixbergers, Hoogduytse, Oosterlingen, Wesfaalders, Bergse, Gulikse, Kleefse, en voorts allerhande Moffen, Poepe, Knoete, Hannekemaijers en andere kassoepers, die ’t gras nog tussen de tanden steekt…". Zie voetnoot *

De officieren
Een onbekwaam kapitein, voortdurend in twist met de koopman, en die samen met zijn officieren zich aan de ziekenwijn van de bemanning te buiten gaat, - een bottelier die zich aan het inkopen van bedorven voedsel verrijkt heeft, - een heelmeester aan wie de dorpelingen hun baard niet meer toevertrouwden, zo beefden zijn handen, - ziedaar de état major.

De reders
Een aantal bekrompen regenten, ieder op zijn beurt veil en omkoopbaar, ieder bereid elke post aan mislukte vriendjes of familie te verkwanselen; met geen verder perspectief voor ogen dan de naaste balans, geen ander doel op aarde, dan het snel maken van zo hoog mogelijke winsten, en desondanks niet in staat de voortdurende knoeierijen en morshandel op hun eigen vloot te beletten. In hun naam worden de specerijenplantages omgehouwen en vernield om de prijzen te doen stijgen, in hun naam liet Coen in Bantam de inboorlingen over de kling jagen, in hun naam werden eden gebroken, kampongs verbrand, vrienden verraden, in hun naam werd gekielhaald, gegeseld, gebrandmerkt en gestolen, - dat zijn de reders.

De thuisblijvers
Psalmzingend Nederland spuwde zijn uit­schot uit over het Oosten, de zielverkopers inden het voorschot voor iedere verdoemde ziel die zij leverden, deftige kooplieden kochten hun voorschot op en verhandelden het op de beurs, - want ondanks de menigvuldige schipbreuken (schipbreuk = echoueren)  van de overladen schepen, ondanks kapers, zonnesteek, dysenterie, scheurbuik, keerde toch altijd nog een derde van de bemanning behouden thuis en op ieder van deze verdoemde zielen maakten de handelaars in voorschotbons grove winst".

-.-.-.-.-

Verder is het interessant om te weten dat de VOC met haar bewonderenswaardige mentaliteit speciale slavenreizen naar Madagascar organiseerde, waar de compagniedienaren in concurrentie met Engelse, Franse en Arabiche kooplieden een stamhoofd paaiden met geschenken om vervolgens prijsafspraken te maken: 2 snaphanen, 8 pond buskruit, 3 pond kogels, 35 vuurstenen en 30 pond kralen of 3 ijzeren potten voor een slaaf. Aan de Oost-Afrikaanse kust werden ze later bij duizenden gekocht voor Europees edelmetaal [AS].

 


PLECHTIGE OPTOCHT door de WERKLIEDEN van de OOST INDISCHE COMPAGNIESWERF binnen Amsteldam.
 
Het gebeurde voor het grote zeemagazijn bij de gelegenheid der "GELUKKIGE OMWENDING van ZAAKEN in den jaar MDCCLXXXVII opgedragen aan zyne Doorl. Hoogh. WILLEM de V. Prince van Orange en Nasfau NEERLANDS ERF STADHOUDER &c &c &c en Hoogst Desfelfs Koningl: Gemalinne Mevrouwe FREDERICA SOPHIA WILHELMINA geb: princesfe van Pruisfen &c &c &c".
De meegevoerde oranje vaandels en versierde werktuigen op stokken symboliseerden de verschillende ambachten en afdelingen. [gravure van J.C. Schultsz].

 

 

 

*) Meest waarschijnlijk betekenissen:
- Poepe: gepeupel, maar mogelijk ook afgeleid van "Bube", de naam waar Duitse Hollandgänger elkaar vaak mee aanriepen. Zie Hannekemaijers hieronder.
- Knoete: lomperiken
- Hannekemaijers: seizoenarbeiders uit Westfalen werden zo genoemd. Het was een samentrekking van Hanne, verkleinvorm van de voornaam Johann, en het woord maaier. Minder gebruikte bijnamen waren ‘pikmaaiers’ (maaiers met een korte zeis) en ‘poepen’. De laatste bijnaam ontstond doordat ze elkaar vaak aanspraken met Bube: Duits voor jongen of kerel.
- Kassoepers: waarschijnlijk een verbastering van Kasjuben, arbeiders uit het voormalige West-Pruisen, tegenwoordig ten westen van Gdansk.