|
Koerskruiser, oploper, tegenligger of voorbijloper?Men spreekt over een koerskruiser als het andere vaartuig het eigen schip nadert in een van de sectoren tussen ca 5° vooruit en 22°30' achterlijker dan dwars. Een verder achterlijk naderend vaartuig is een oploper en een tegemoetkomend vaartuig in de smalle sector tussen ca 5° bakboord en 5° stuurboord, is een tegenligger. Een oploper gevorderd tot in de sector 22°30' achterlijker dan dwars tot dwars (stippellijn) heet een voorbijloper en is in het BPR art. 6.01 lid 1c als volgt gedefinieerd: een manoeuvre die het gevolg is van oplopen totdat de schepen geheel vrij van elkaar zijn. Een voorbijloper (het zeil zal over dezelfde boeg staan) moet ruimte geven.
Invalshoeken van de wind
Bijbehorende zeilstanden.
Scheepskoersen en schijnbare windrichting
|
| Koers van het schip | Schijnbare windrichting |
| Op de wind. | De wind komt recht van voren in. |
| In de wind. | De wind komt zo voorlijk in, dat de zeilen niet meer vol staan. |
| Bij de wind; aan de wind; met stuurboord- of bakboordhalzen toe. | De zeilen zo scherp mogelijk aangebrast, maar staan toch nog goed vol. De wind komt voorlijker dan dwars in. De hoek die de wind met de kiellijn maakt is 60º. |
| Vol en bij (bij matige winden). | De wind komt voorlijker dan dwars in. De hoek die de wind met de kiellijn maakt is 6 streken ofwel 68º. |
| Ruimschoots (bij zwakke winden). | Met ruime schoten. De wind komt voorlijker dan dwars in. De hoek die de wind met de kiellijn maakt ligt tussen de 6 en 8 streken (80º). |
| Halve of halver wind. | De wind komt dwars in op 8 streken (90º) |
| Van de wind; ruime wind. | De wind komt achterlijker dan dwars in, maar niet recht van achteren. |
| Voor de wind; met open halzen. | De wind komt recht van achteren in. |
De zeilvoering van 17e en 18e eeuwse schepen
versus de Internationale Beaufort windkracht schaal. Hoewel de
oude windkracht omschrijvingen niet zonder meer in Beaufort sterkten om te zetten zijn,
kan men vanuit een beschrijving van de bijstaande zeilen van het schip toch een redelijke
schatting van de heersende windkracht verkrijgen. De zeelui hanteerden op de dwarsscheeps
getuigde zeilschepen namelijk uniforme werkwijzen bij het zeilen van het schip. Ongeacht
of men met één groot marszeil (17e eeuw) of met bramzeilen en marszeilen (18e eeuw) voer
begon men bij windkracht 4 tot 5 met het reven van de zeilen. Bij een lagere windkracht
had men zoveel mogelijk zeil bijstaan. Waren de bramzeilen geborgen en voer men met twee
reven in de marszeilen dan stond er al veel wind, kracht 6 tot 9. Tegen de tijd dat het
ging stormen, windkracht 10, had men bijna geen zeilen meer bijstaan en voer men alleen
nog met stormstagzeilen (de Booij, 1888).
| Vuistregels voor zeilvoering van dwarsscheeps getuigde schepen | Windkracht in Beaufort | Omschrijving |
| Alle zeilen bij; zeilen vol en bij. | 1 - 4 | Zwakke tot matige wind. |
| Enkel gereefde zeilen; Bram- en marszeilen één rif. | 5 - 6 | Krachtige wind. |
| Dubbel tot drie maal gereefde zeilen. | 6 - 9 | Harde tot stormachtige wind. |
| Dicht gereefd. Onderzeilen één rif. | 10 | Storm. |
| Lenzen, top en takel. | 11 - 12 | Orkaan. |
| Bron van beide tabellen:
Historiche
Maritieme Windschalen, H.Walbrink en F.Koek Hieronder aanschouwelijk de zeilvoering bij oplopende windkracht. Bron Time-Life, Oliver E. Allen. |
| Volle zeilvoering tot windsterkte 8 Beaufort 40 knopen |
![]() |
| Bij storm tot 50 knopen, 9 op de schaal van beaufort werd het grootzeil en de jager evenals de bramzeilen en bramstagzeilen geborgen. Met dit bijna halve zeiloppervlak werd nog goede voortgang geboekt. |
![]() |
| Bij zware storm tot 60 knopen, 10 op de schaal van Beaufort werden bovemarszeilen, buitenkluiver en kluiver en indien aanwezig een langsscheeps achterzeil geborgen. De matrozen deden dit met doodsverachting. Bovendien werd de voortgang belemmerd door een dek vol water en zware zeeën. |
![]() |
| Pas bij orkaankracht tegen de 70 knopen, 12 op de schaal van beaufort werden alle zeilen ingenomen tot alleen de onderbezaan, de onderste stagzeilen en de ondermarszeilen overbleven. Hoe de matrozen dit in vliegende storm voor elkaar kregen is een raadsel. |
![]() |

Het schip moet hoog aan de wind een
flinke snelheid hebben.
Dan viert men de fokkeschoot een beetje en drukt gelijk de helmstok naar lij.
Deze handelingen zorgen dat het schip in de wind opkomt.
Wanneer de kop bijna recht in de wind ligt gaat de fokkeschoot weer vast. De fok
komt vervolgens "bak" (wind van de verkeerde kant) en werkt er zo aan mee dat de
kop verder wordt omgezet.
De fok mag niet te lang bak gehouden worden, want een zeil aan bak werkt
remmend. Voordat het schip te ver kan doordraaien maakt men de fokkeschoot aan
de nieuwe loefzijde los en belegt hem aan de nadere kant.
Het lijzwaard moet dan op het juiste moment neergelaten worden. De op het
hakblok belegde grootschoot glijdt vanzelf op de overloop naar de andere kant.
De helmstok wordt in de juiste stand gebracht en met deze handelingen is de
overstagmanoeuvre klaar.
Het andere zwaard dat nu aan loef nog loos aan boord hangt moet nog worden
opgehaald.
Bron: Varen met platbodems
Zeilen met een groot vierkant getuigd schip is niet te vergelijken met het zeilen van een "gewoon" jacht. Bij bestendig weer op een voor de windse koers, een dienstige wind, is het allemaal nog bevattelijk. Het zeiloppervlak zo groot mogelijk vierkant en vooruit met de geit. Overstag gaan op een niet bezeilde koers duurt voor een jacht een paar seconden, voor een windjammer inclusief voorbereiding een dik halfuur. Hieronder een zo eenvoudig mogelijke beschrijving:
Probleem 1: Een volschip
kan zowiezo niet scherp aan de wind zeilen. De kleinste hoek is zo'n vijf streken in de wind, hetgeen betekent dat bij overstag gaan
de kop eerst die vijf of meer streken tegen de wind moet overbruggen voordat de wind vanaf
de andere kant komt.
Probleem 2: De ra's kunnen niet simpelweg
gedraaid (gebrast) worden om het schip door de wind te krijgen want tijdens het brassen
komt het schip praktisch stil te liggen, luistert dus niet meer naar het roer en zal gaan
afvallen (verwijderen, verliezen = afdrijven). Toch is het mogelijk bij niet te veel
zeegang overstag te gaan. Dit wordt bereikt door de druk op het voorschip (fokkemast en grotemast) te verminderen en op het
achterschip (kruismast en bezaansmast) te vermeerderen.
Het schip blijf vaart lopen en kan dan op het roer naar de wind toe.
Voorbereiding: Na het commando: klaar om te wenden worden op het commando: gei de halzen en de schoten en voor de roerganger het commando: aan lij je roer (dit lijkt raar, maar hiermee wordt de helmstokstand bedoeld, zie de toelichting), de onderzeilen gegeid (opgetrokken), de voorzeilschoten gelost, de fokkera's alvast vierkant gebrast (dwars) en de bezaanschoot zo strak mogelijk aangehaald. Afhankelijk van de volgorde en de eigenschappen van het schip zal het geholpen door het aan lij staande roer gestadig naar de wind draaien. Wanneer de druk op het voorschip echter niet voldoende is verminderd lukt het wenden niet. Het schip gaat dan tijdens opdraaien al deinzen en afvallen (halzen).
Overstag: Wanneer de kop in de wind ligt wordt het roer midscheeps gezet, waarbij het schip stil komt te liggen of gaat deinzen. De ra's aan de grote mast worden nu bliksemsnel geheel rondgezwaaid waarna fokkemast en kruismast volgen. De schoten moeten over de verstaging gehaald worden, de onderzeilen uit de gei gelaten en tot besluit wordt alle zeil in de nieuwe stand weer vastgezet. Dit brassen was geen kattenpis. Het overkomende zeewater en de vele regenbuien lieten de brassen opzwellen, de stevigste maats moesten dan met z'n zessen of achten nog alle krachten inspannen om de ra óm te krijgen. Het trekken moest tegelijk gebeuren en zo ontstonden er op den duur speciale liedjes, bras-liedjes, waarvan de Britten er nu nog een beduidend aantal bezitten. Voortdurend brassend en opnieuw brassend was het schip dus bezig om zich tegen de wind in vooruit te werken. Uit oude journalen blijkt dat dit moeizame gedoe soms dagen, ja weken achtereen moest worden volgehouden, waarna soms een noordoosterstorm alles weer ongedaan maakte door het schip als een pluim voor zich uit te blazen! Overstag heette bij vierkant getuigde schepen overigens wenden of opwerken. In het Engels tacking (zie de manoeuvre in het filmpje van het Noorse volschip Sørlandet)
Halzen: Het spreekt vanzelf dat bovenstaande manoeuvre met flinke zeegang onmogelijk is. De kop is niet door de wind te krijgen. Men gaat dan over tot een nog bewerkelijker en koortsachtige methode, het voor de wind wenden, het halzen. De druk op het voorschip wordt nu juist opgevoerd en bij het achterschip verminderd. Erg simpel gezegd, zonder alle handelingen opnieuw te beschrijven: bovenstaande methode andersom, met voor de roerganger het commando: op je roer. Het schip zal nu afvallen en met erg veel werk aan braslijnen, geitalies, toppenanten, halslijnen en schoten helemaal rond gaan. De slechte weersomstandigheden vragen hierbij om secondenwerk in een razendsnel tempo. De orders moeten feilloos op het juiste moment gegeven en uitgevoerd worden. En om een goede koers te houden, ettelijke keren het etmaal rond. Dat is hard werken, dat is zeemanschap... Halzen heet in het Engels wearing ship (zie de manoeuvre in het filmpje van het Noorse volschip Sørlandet).
Toelichting bij de commando's "aan lij je
roer" en "op je roer".
Bij ministeriële beschikking werd voor de marine bepaald dat vanaf 1 april 1905 de
roercommando's gegeven moesten worden naar de richting waarin het roerblad wordt gedraaid.
Vóór die tijd werd een roercommando naar de richting van de helmstok benoemd,
dus tegengesteld. Aangenomen mag worden dat de beschikking voor oudgedienden tot verwarring en
mogelijk gevaarlijke situaties heeft geleid...
Filmregisseur James Cameron van de film ‘Titanic’ was op de hoogte van de oude
helmstokcommando's. In de film is te zien dat de stuurman ‘Hard-a-starboard’
(hard stuurboord) naar de roerganger roept, die daarna het stuurwiel naar
bakboord draait. Twee minuten later wordt het commando ‘hard-a-port’ gegeven
(hard bakboord) waarna het stuurwiel naar stuurboord wordt gedraaid.
| Wenden (links) en halzen (rechts) met een vierkantgetuigd schip. |
![]() |
![]() |
||
| Achtereenvolgende posities/commando's bij wenden. | Achtereenvolgende posities/commando's bij halzen. | ||
|
|
| Halzen met een langsscheeps getuigd schip (in de 4e positie gaat het zeil over). |
![]() |
"Beide wachten zijn nu tegelijk aan dek en de kapitein oordeelt het beter om deze
keer te halzen (voor de wind doen wenden) inplaats van door de wind te gaan. Ieder heeft
zijn plaats ingenomen, twee man aan het roer, de rest aan de brassen en de lieren. Voor
alle zekerheid worden ook begijn en grootzeil nog opgegeid. De kapitein heeft zelf de
leiding van de manoeuvre genomen. Een onvergetelijk moment is het, als hij het signaal
geeft. Wanneer het geen bittere ernst was, zou men kunnen spreken van een openluchtspel
met een prachtig staaltje van massaregie. In voortreffelijke harmonie doet ieder der
groepen zijn plicht. Brassen worden gevierd. Een paar honderd blokken (katrollen) komen in
actie; sommige doen hun werk kwaadaardig en piepen, wanneer de dikke, nog niet helemaal
droge touwen erdoor moeten, andere doen zonder morren hun eenvoudig, maar verantwoordelijk
werk. Langzaam richt de bark zich op. Zo snel ze kunnen, brengen de roergangers het roer
naar de andere kant. Even ligt het schip voor de wind, maar de roergangers weten van geen
ophouden en de "Passat" reageert gewillig op hun handelingen. De raas worden nu
geheel rondgebrast. De wind krijgt de zeilen weer opzij te pakken. Een ogenblik gaat er
een lichte siddering door het schip en dan legt het zich rustig op zijn andere kant. Het
is gelukt, de manoeuvre is volbracht. Het was vlug gegaan. Het had ons nog geen half uur
gekost. Overigens wel een verschil met een jacht op de Kaag, dat in een paar seconden door
de wind wordt gebracht. Wie dergelijke grote ogenblikken meegemaakt heeft, beseft iets van
de diepe zin, welke besloten ligt in de uitdrukking "schipper naast God", zoals
onze oude Hollandse zeevaarders zichzelf noemden. Fier en zelfbewust, onbeperkt heerser op
hun schip, maar tegelijk hun onmacht erkennend tegenover de oerkrachten, die hen steeds
omringen. Zo gaat het nog vele malen, dan weer een paar uur over bakboord en dan weer eens
een volle wacht over stuurboord".
Uit "De Passat gaat naar huis" (verhalen en
liederen).
H.L. Zeelenberg