| Straffen aan boord (17e en 18e eeuw) Klik hier voor de 19e en 20e eeuw |
De bootsgezel
Laat ons eerst eens zien wat zo'n matroos, bootsghesel of sapitau moest kennen en
kunnen voor hij zijn beste krachten zag betalen met de prinselijke som van ten hoogste
vier guldens per maand: Hij moest tientallen ingewikkelde zeemansknopen blindelings en
vliegensvlug kunnen leggen - en allemaal op de daarvoor bestemde plaatsen, want als hij
bijvoorbeeld een weeflijnsteek zou hebben verwisseld met een draaireepsteek dan was hij
dadelijk door zijn maats voor koekebakker uitgemaakt. Hij moest de touwen kunnen bekleden. Hij moest uitstekend met verf en (zelf gemaakte)
kwasten omgaan, heel wat beter dan het latere "tjetten" dat op de stoomvaart in
gebruik kwam. Hij moest hamer en beitel, haalmes en kapbijl kunnen hanteren als een
gevorderde timmermansgezel. Hij moest in staat zijn om elk tuigdeel, elke ra en steng te
repareren en van breeuwen en "varkenen" alles afweten. Varkenen was het met
brandend riet, schraapijzers en varkens (harde bezems) reinigen van de scheepsbodem, een
karweitje dat hij b.v. op een reis naar de Oost een paar keer meemaakte. Daarbij en vooral
moest hij als een volleerde acrobaat in de ra's kunnen rondspringen. jawel, letterlijk
springen, want oud-gasten stelden er soms een eer in om zich zonder van de weeflijnen
gebruik te maken van ra tot ra naar beneden te laten vallen, telkens weer af te vangen en
de voorstelling te besluiten met een wonderlijke draaisprong die hen nog net in het
onderste deel van de wanten liet belanden. Dit laatste behoefden ze natuurlijk niet bij
vliegend stormweer te vertonen, dan was ook hun het gebruik van alle veiligheidsmiddelen
toegestaan. Die veiligheidsmiddelen waren dan hun handen en voeten en het vakmanschap dat
ze bezaten. Om in een pekdonkere nacht met gierende wind, slingerend schip en
neerstriemende regen- of hagelbuien een losslaand zeil te bergen was een toer die heden
ten dage in een circus daverend applaus teweeg zou brengen. Buiten al deze
vredes-noodzakelijkheden behoorde janmaat ook nog in staat te zijn om schip en leven te
verdedigen en dat door middel van kanons, musketten, pistolen, enterbijlen, sabels en
kortjans. Elk van die wapens had een bepaalde manier om op het best gebruikt te worden en
de Nederlandse en Duinkerkse matrozen zouden recht hebben gehad om zich daarin Europees
kampioen te noemen. Telkens en telkens weer leest men van grote Venetiaanse of Portugese
schepen die door een minderheidje werden aangevallen en ondanks hun meerderheid aan
geschut en manschap veroverd. Als de druk-bezige zeeman bij alles wat hij al weten moest
nu ook nog op de hoogte was van wat wij EHBO zouden noemen, dan verbeterde dat wel de
levenskansen van hem en zijn makkers. Een scheepsdokter was
namelijk een vrij dure opvreter en schitterde dus op de kleinere schepen wel eens door
afwezigheid.
Hetgeen ten gevolge had dat men in sommige
journalen opgetekend vindt: ... heeft Iacop Taemesz van Harderwyck sigh de reghterarm
wel ellendigh aen een ysere naeghel beseert ende is naedat voors. arm twee daeghen was
opgheswollen onder erbarmelyck ghehuyl ghestorven. Godt neeme hem in Seyn hoede. Wie
bij de voortdurende scheepsgevechten een arm of been verloor had ook niet veel kans de wal
nog ooit terug te zien. Wie in de Middellandse Zee voer kon zich op zekere dag terugvinden
op de roeibanken van een Moorse zeerover - als slaaf! Op dit gebied valt nog een pikant
bijzonderheidje te melden: De Moren verkochten hun gevangenen als slaven, de kajuitjongens
werden daarbij voor goed geld overgedaan aan de vele homosexuelen die onder de Afrikanen
toen al als volkomen gelijkgerechtigden golden. Maar nadat een Franse dame een nieuwe mode
in zwang had gebracht waren ook stevige zeelui van Noordelijke herkomst erg gezocht. Men
castreerde hen eerst en verkocht ze dan als slaaf aan Franse en Engelse adellijke dames!
uit "De Boekaniers"
door Dick Dreux
En dan nu de straffen:
Lichte vergrijpen
Aan boord werden verschillende straffen toegepast. De lichtste was natuurlijk een berisping. Godslastering, dronkenschap, het over boord gooien van etenswaren of op onbestemde plaats zijn gevoeg doen danwel zijn water lossen kostte de overtreder een boete van enkele maanden gage. Hetzelfde gold voor officieren die hun plicht verzaakten bij de controle op het naleven van de hygienevoorschriften aan boord. Verder werden kleine overtredingen (meestal begaan door scheepsjongens en halfwasbrasems) gecorrigeerd door hardhandige oudgasten en loshandige officieren die steeds een eindje touw op zak hadden. De maats waren ook verplicht maandelijks een "loegenaer" (buitenboordsgast) te benoemen voor het vuile werk, zoals het schoonmaken van het galjoen. Het wachtkwartier wees voor dat baantje een maat aan die het een en ander op zijn geweten had en op deze manier gestraft werd i.p.v. voor de provoost te moeten verschijnen. Wie in handen van de provoost viel en voor de schipper of scheepsraad moest komen had doorgaans al heel veel op z'n kerfstok. "Als men in de oude scheepsprocessen leest, wat voorafging aan geseling, kielhalen, arquebuseren (doodschieten) of hangen, wrijft men zich de ogen van verbazing uit, dat het scheepsgezag zoveel, zo'n lange tijd over zijn kant liet gaan eer het raak en dan heel hard toesloeg" [Mol].
In de boeien of aan land
Het in boeien slaan en/of voor enige
tijd opsluiten zo nodig op water en brood was een straf die op de VOC schepen werd
uitgedeeld voor vechten, plukharen, het aan boord brengen of maken van
dobbelstenen, kaart- en andere gokspelen. Dan kende men ook het aan land zetten; dit
geschiedde in de zeventiende eeuw en nog later op de meest barbaarse wijze. De betreffende
werd eenvoudig met een brood en een kruik water op de een of andere, desnoods totaal
onbewoonde kust aan land gezet, waar hij dan het vooruitzicht had binnenkort te zullen
verhongeren. Nog op het eind van de achttiende eeuw is het voorgekomen, dat matrozen van
een Nederlands eskader in de Middellandse Zee met een strop om de nek aan land werden
gezet. De gestraften moesten na het ondergaan van de door de krijgsraad voorgeschreven
lijfstraf, drie maal ravallen, gevolgd door 150 slagen bij de oudste en handdaggen bij
de jongste, in een sloep op de voorsteven gaan zitten met de benen buiten boord, waarop
naar den wal geroeid werd totdat de riemen de grond raakten. Dan werden de mannen door de
voorste roeier op bevel van de commanderende officier over boord geschopt en konden zij
naar den wal zwemmen met de strop om de nek en verder hun heil zoeken. Het voorval
gebeurde in 1784 en behelsde twee matrozen "van die zonde beschuldigd, welke in het
Oosten zoo zeer in zwang gaat en waarmede meest alle de Turken besmet zijn" [Chb3].
Koekje van eigen deeg
Opmerkelijk was de straf, waartoe een matroos veroordeeld werd, die tegen een ander
zijn mes getrokken had. Zoals men weet droeg ieder matroos in verband met werkzaamheden
boven in het want een kortjan bij zich. Hij werd dan met zijn eigen mes door de
rechterhand aan de mast genageld en kon zichzelf bevrijden door het er met de linkerhand
weer uit te trekken; niemand anders mocht dit voor hem doen. Uit de artikelbrief der
Staten Generaal (iedere opvarende legde de eed af op de "articulbrief"): [...] wie
een mes treckt met toorn, om yemand leet te doen ofte questsen, zal met een mes door syn
handt aende mast genagelt worden ende aldaer soo lange staen tot dat hy tzelve doortreckt;
ende yemandt questsende zal gekielt worden, verbeurende niettemin ses maende gagie.
Als het dus meer dan een bedreiging was en echte kwetsuren in het spel waren, volgde
onvermijdelijk kielhalen. Volgens auteur Arthur van Schendel
stond de straf van het vastnagelen ook op het verbergen van brandewijn. De straf werd
later verzacht door het gebruik van een lancet van de chirurgijn die door het dunne vlies
tussen twee vingers werd gestoken.
Lijfstraffen
Lijfstraffen werden veelvuldig toegepast; de eenvoudigste was zoveel slagen op de blote
rug met een eind touw of een speciaal daarvoor bestemde kat met zeven staarten of
handdagge, welke straf ook "laersen" genoemd werd. Een laers was
een eindje teertouw met een leren huls, in pekel gehard. De gestrafte moest zijn broek met
zeewater kletsnat laten maken en kreeg zo een dozijn of meer striemende slagen "voort
natte ghat". Daar kwam bloed bij te zien, maar doorwerken was het parool. Britsen was een variant: [...] 't geen voor de mast met
een touw geschiedt, zonder dat de klederen uit werden getogen, doch jongens worden
ontbloot en met dunne touwetjens gekastijdt. Bij uitzondering werden stokslagen
toegediend, het bastonneren.
Behalve het geselen, kwamen andere lijfstraffen als brandmerken eigenlijk alleen bij de
oorlogsmarine voor, waar alles meer in de vorm en volgens uitspraak van een krijgsraad
geschiedde, terwijl bij de koopvaardij de tuchtiging zo te zeggen spontaner was: de
kapitein beschuldigde een matroos, gebood de stuurman op staande voet de man te doen
vastbinden en liet hem dan een aantal slagen toebrengen, of deed dit desnoods zelf. Bij de
Engelse Marine kende men nog het zogenaamde "flogging through the fleet", als
straf voor zeer zware vergrijpen tegen de krijgstucht, zoals bijvoorbeeld een aanval op
een officier. De veroordeelde werd dan met een sloep langs alle schepen van de vloot, die
in de betreffende haven lagen, geroeid en langszij elk schip ontving hij van de provoost
van dat schip het voorgeschreven aantal slagen. Men kan zich voorstellen, dat in een
oorlogshaven als Portsmouth bijvoorbeeld, waar vaak tientallen schepen lagen, deze straf
gelijk stond met de doodstraf en dat het slachtoffer al lang de geest gegeven had, voordat
de laatste schepen bereikt waren, maar de slagen kreeg hij toch, levend of dood!
Ravallen, kielhalen of stroppade
Het ravallen of "doepen" bestond uit het, soms met een strop om de nek als symbool, ophijsen van de veroordeelde aan de nok van de ra, die een eind buiten boord uitsteekt, zodat, wanneer het touw plotseling gevierd wordt, de met een stuk steen aan zijn voeten verzwaarde man met een harde plons in het water valt en onder blijft. Hij werd net zolang gesopt tot de schipper meende dat hij z'n les geleerd had. Het kielhalen was een heel wat bewerkelijker methode van straffen. Aan de einden of nokken van de grote ra, die dus een heel eind aan beide kanten buiten het schip uitsteekt, werden blokken bevestigd, waardoor een lange lijn geschoren werd, die onder het schip doorliep. Nu werd de man tot op zijn hemd en onderbroek ontkleed en in een soort loden harnas gestoken, dat hem spoediger deed zinken en tevens beschermde tegen de druk van het water. Daarop werd hij zodanig aan de lange lijn vastgebonden, dat hij op de nagelbank zittende, met de voeten op een korvijnagel rustte, terwijl hij, met de armen uitgestrekt, zich met de handen aan een andere korvijnagel vasthield. Zijn oren werden met watten gestopt en op een van zijn bovenarmen een grote spons gebonden met het doel, dat hij, daarop hard bijtend onder water, weinig zeewater zou binnen krijgen. De man wordt nu tot aan de nok van de ra aan bakboord opgehesen, waarop men hem op een commando van de schipper in het water laat vallen en wanneer hij voldoende gezonken is, hetgeen men aan een merk in het touw kan zien, om vrij van de kiel van het schip te blijven, wordt hij aan de andere zijde onder het schip door getrokken en opgehesen, waar hij dadelijk bij het bovenkomen door de chirurgijn in een sloep langszij onderzocht wordt en klaargemaakt voor de terugtocht onder het schip. Deze bewerking werd in het geheel twee- of driemaal uitgevoerd, als door de krijgsraad bepaald, waarna gewoonlijk nog een tuchtiging van zoveel slagen volgde. Het eigenaardige is, dat kielhalen geen onterende straf geacht werd. Zij werd geheel ten uitvoer gebracht door het scheepsvolk onder commando van de schipper als chef der equipage en de slagen werden door de onderofficieren de één na de ander toegediend, de man werd niet in rang verlaagd en kon evengoed later tot hogere rangen opklimmen; het was een tuchtiging, geen ontering. Bovendien schijnt in het algemeen deze straf niet zo verschrikkelijk geweest te zijn, als men zich nu voorstelt en krachtige mannen doorstonden haar zonder kwade gevolgen. Een veel ergere straf was de stroppade, die vrijwel altijd blijvend letsel opleverde. Hierbij werden de armen van de veroordeelde achter de rug aan de polsen samen gebonden, waaraan een touw werd bevestigd dat door een blok (katrol) liep. De gestrafte werd daaraan opgehesen en afhankelijk van de zwaarte van het vergrijp op een bepaalde hoogte losgelaten, zodanig dat hij met een schok aan de armen bleef hangen. Deze straf werd bij mijn weten niet op Hollandse schepen toegepast.
![]() Strafoefening aan boord van een Nederlands oorlogsschip midden 17e eeuw. Waarschijnlijk kielhalen, maar het zou ook ravallen, het "van de ra vallen" kunnen zijn. |
Een straf die wel bij het stelen van voedsel of drinkwater werd toegepast en even zwaar gold als kielhalen was het "door de spitsroeden lopen". Het door de spiesen dansen was een straf waarbij de schuldige met ontbloot bovenlijf tussen twee rijen schepelingen moest doorlopen, en daarbij van rechts en links met roeden van dun puntig rijshout geslagen werd, waarbij een snelle doorgang werd voorkomen door een officier die achterwaarts lopend voorop ging met de punt van zijn blanke sabel op de borst van de gestrafte gericht. De schepelingen hoefden meestal niet aangespoord te worden, want de diefstal van rantsoenen gold als matennaaien.
Muiterij, sodomie en moord
Op deze zwaarste vergrijpen volgde onverbiddelijk de doodstraf. Dat was een halssaak. Er waren gradaties. De veroordeelde kon domweg levend over boord gegooid [voetspoelen = overboord werpen en laten verdrinken], doodgeschoten, of aan de ra opgehangen worden. Als er land in zicht was werd het ophangen ook wel aan land voltrokken, zodat het lichaam kon blijven hangen om vanzelf weg te teren. Bij moord werd hij rug aan rug aan het lijk gebonden en over boord gegooid.
Bron: o.a. "Straffen aan boord", Johan M. Palm en "Varen om Peper en Thee", Els M.Jacobs.
Afschaffing
Pas in 1854 werden de meest wrede straffen, althans in de Nederlanden, door Koning Willem III in overleg met de Raad van State en op voorstel van de reorganisatiecommissie onder voorzitterschap van luitenant-admiraal Prins Hendrik (Willem Frederik Hendrik) afgeschaft en in 10 artikelen omschreven:
Art. 1. De straffe van kielhalen en van de ra vallen worden
afgeschaft.
Art. 2. De straf van kielhalen met bij komende straffen worden vervangen
door kruiwagenstraf.
Het van de ra vallen met bijkomende straffen worden vervangen: voor het dek- en
onderofficieren door de straffen vastgesteld in art. 39 en 40 van het Crimineel wetboek
voor het krijgsvolk te water; voor mindere schepelingen door laarzen.
Voor beide kan de opgelegde straf gepaard gaan met dententie, zoo als die is omschreven in
art. 46 van hetzelfde wetboek.
Art. 3. De kruiwagenstraf bestaat in het plaatsen des
veroordeelden in eene militaire straf gevangenis voor den tijd van drie tot vijftien
jaren, ten einde aldaar, vervolgens de voor veroordeelten den landmagt bestaande
veroordelingen, aan het verrigten van arbeid te worden ontworpen.
Aan de kruiwagenstraf gaat bij dek- en onderofficieren steeds degradatie, bedoeld in art.
41 lit. a des wetboeks, bij mindere schepelingen de vervallen verklaring van den militaire
stand, vooraf.
Art. 4. Het eind touw, dat voortaan tot de laarzen wordt gebezigd, is
ongeteerd, drie-strengs, losgeslagen en de dikte van 15 draad op streng niet te boven
gaande voor veroordeelden boven de 16 jaren.
Voor veroordeelden onder de 16 jaren worden zoogenaamde knutteltjes van niet meer dan 9
einden oud getakelde loglijn, zonder knoopen, gebezigd.
Art. 5. Het getal slagen gaat voor de veroordeelden boven 16 jaren dat
van honderd , en voor veroordeelden beneden 16 jaren dat van zestig niet te boven.
Art. 6. De slagen met handloggen worden toegebragt met een eind witte
lijn, niet zwaarder dan 15 draad voor veroordeelden boven de 16 jaren, voor veroordeelden
beneden de 16 jaren worden de knutteltjes, in artikel 4 omschreven, gebruikt.
Het getal der slagen gaat voor de eerst gemelde dat van 50, voor laats gemelden dat van 30
niet te boven.
Art. 7. De disciplinaire straffen voor dek- en onderofficieren in art. 29
van het Regelement van krijgstucht voor het krijgsvolk te water, worden vervangen door de
navolgende straffen:
degradatie voor eenen bepaalden of onbepaalden tijd, met of zonder arrest;
arrest, met of zonder waarneming van dienst.
Art. 8. Bij de straffen in art. 29 van gezegd regelement voor mindere
schepelingen vastgesteld, wordt gevoegd die van mindering inklass voor bepaalden of
onbepaalden tijd.
Art. 9. Bij de veroordeling tot en de uitvoering van het laarzen of slaan
met handdaggen, van detentie, arrest, sluiting in de boeijen, het zetten op water en brood
aan boord, houden de registers en bevelhebbers in het oog de plaatsen en lucht
gesteldheid, en alle omstandigheden, waardoor de gezondheid van den gevangene te zeer
kunnen worden benadeeld, en mogen zij steeds zoodanig tusschen pozingen in de uitvoering
bevelen, als gezondheidstoestand van de gevangene vordert.
Art. 10. Aan het Hoofd van Departement van Marine wordt de bevoegdheid
toegekend, om mindere schepelingen, die 't zij door minderen aanleg voor de zeedienst
ongeschikt zijn, op voordragt van de kommandant van den boden in welks rolle zij zijn
ingeshreven, hier te lande met een briefje van ontslag, of een bijzondere gemerkt
paspoort, uit den dienst weg te zenden.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriele Departementen, Autoriteiten, Collegien en Ambetenaren, wiens zulks aangaat aan de nauwkerige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te Assen, den 28 Junij 1854.
Staatsblad 1854, nr 96.
Luitenant-admiraal Prins Hendrik, opperbevelhebber van de vloot kreeg in 1879 - zes dagen voor zijn dood - de titel van admiraal, bij welke gelegenheid besloten werd tot "Algehele afschaffing der lijfstraffen bij de Kon. Nederlandsche Marine".
N.B. Wij calvinistische Nederlanders waren een hypocriet volkje. Dwangarbeid mocht niet zo genoemd worden. Het heette geruststellend "kruiwagenstraf" (zie Art. 3 hierboven). Bij de marine heeft een lichte vorm nog tot ver in de 20e eeuw bestaan. De gestraften werden klassiaan genoemd, maar verrichtten gewoon dwangarbeid.
| Straffen aan boord (19e en 20e eeuw) |
Tot de "Algehele afschaffing der lijfstraffen" in 1879 was het handdaggen nog steeds in zwang. De lijfstraf was wel iets humaner dan de uitvoering in de 17e eeuw. Er kwam geen bloed meer aan te pas. De gestrafte werd rechtopstaand met de handen omhoog aan het want geboeid. De lendenen werden beschermd door een strakgespannen lap zeil, waarmee het lichaam tegen een matras werd gesnoerd. Het aantal slagen van de strafoefening, dat (althans na Staatsblad nr 96 uit 1854) de vijftig niet meer te boven ging, werd over het algemeen toegediend door twee kwartiermeesters, waarbij de gehele bemanning stond aangetreden.
![]() |
Een klassiaan was iemand die in de strafklasse geplaatst was. Dat was geen speciale marinetuchtmaatregel. Doch bij de marine liepen de klassianen meer in de gaten, omdat ze niet zoals bij het leger naar Vlissingen (later naar Hoorn, doch sedert de eerste wereldoorlog opgeheven) werden gezonden, doch aan boord hun straftijd uitdienden. Vóór 1907 gingen ook mariniers als klassiaan (met minimum straftijd van 7 maanden) naar Vlissingen. Toen in 1907 de mariniers de scheepsdienst, ook bij plaatsing aan de wal mee liepen, werd de toepassing van deze straf voor de mariniers met die van de matrozen gelijk gesteld.
De schepeling (gewoonlijk bleef dit beperkt tot de matroos derde, hoogstens een enkele tweede klas, die ietwat tuchteloos was en in het gareel gebracht moest worden), die in de strafklasse van één tot drie maanden geplaatst werd, leefde en werkte in afzondering van de overige maats. Hij was gekleed in een zeildoeks werkpak en van zijn muts werd het lint verwijderd. De smerigste en vuilste baantjes waren hem opgedragen, in het bijzonder het schoonhouden van de galjoenen; waarom men hem ook wel "galjoen-kapitein" noemde. Gedurende de tijd, dat hij werkzaamheden verrichtte, stond hij onder voortdurend toezicht van een schildwacht en zodra de werkzaamheden geëindigd waren, werd hij in de provoost gebracht, die, in de tijd dat de overige schepelingen vrije tijd hadden of aan tafel schaften, geopend bleef, doch steeds met een schildwacht er bij. 's Nachts ging de provoost op slot. Bewegingsvrijheid had de klassiaan niet en het roken was hem verboden. Deze tuchtmaatregel werd bij de marine niet dikwijls toegepast en tegenwoordig [1945] ziet men geen klassiaan meer. Toch kan een commandant ook nu nog een schepeling voor een of ander vergrijp plaatsen in de tuchtklasse. Er is van de klassiaan een ontroerend lied à la Speenhoff of Quérido: "Lieve moeder, wil niet weenen, want uw zoon is klassiaan" . . . . . .
De laatste der provoost-geweldigen (officieel sergeant-provoost geheten) ging in 1906 met ontslag wegens langdurige dienst. Daarmee werd een functie opgeheven, die eeuwenlang de roede van justitie zwaaide over de schepelingen aan boord, en waarvan de uitvoerder toezicht hield in het benedenschip. Dit laatste wordt ook nu nog [1945] gedaan door de provoost, doch het is geen afzonderlijk "beroep" meer. Een bootsman of kwartiermeester, en voor het stokersverblijf gewoonlijk een korporaal, wordt belast met de dienst van provoost en heeft tot taak met de zeuntjes en eventueel toegevoegde manschappen, de verblijven zindelijk te houden en onder "oppertoezicht" van de officier, belast met de dienst van het benedenschip, toezicht uit te oefenen.
De provoost als cel is ook nu nog [1945] vrijwel op elk schip. De provooststraf wordt tegenwoordig "streng arrest" genoemd. Tegen de toepassing van de provooststraf is jarenlang sterk geageerd. Hoewel het "uitdelen" van provooststraffen sterk verminderd is, schijnt dit tuchtmiddel niet geheel gemist te kunnen worden. De provoostcel wordt in de wandeling ook wel knijp, of Bouwman genoemd. Knijp naar knijpzitten. De onhandelbare en lastige schepeling wordt daarom ook wel bedreigd met: "hem in de knijp te zullen roeien". Bouwman was gedurende een reeks van jaren de serg. majoor der mariniers, die in het provoosthuis te Den Helder de functie van cipier uitoefende. Als de schepen binnen liggen, wordt de provooststraf n.l. niet aan boord uitgezeten, doch aan de wal. Men zei dan aan boord "Hij heeft zo veel dagen Bouwman". De provoost-arrestant staat vanaf het moment, dat hem de straf wordt medegedeeld onder toezicht van een schildwacht, zijn mutsenlint wordt van z'n muts gehaald, zijn zijden das, riem en mes met scheede en al zijn particuliere bezittingen in jas- of broekzakken tijdelijk "in verzekerde bewaring gesteld". Tussen twee gewapende mariniers en een onder-officier (ook korporaal) der mariniers, wordt de provoost~arrestant dan naar het provoosthuis aan de wal gebracht. Het is vooral om deze methode, die door de schepelingen als onterend werd en wordt aangevoeld, dat men zo sterk tegen de provooststraf ageerde.
"Klassiaan" en "Provoost-geweldig" uit Vandersteng-serie, nummer 1 [1945] door Albert Chambon.