Het diner van den scheepstimmerman
|
| 'k Moest bij m'n zuster komen eten, 'k mocht het, zei ze, niet vergeten, 'k heb me piekfijn opgedoft en ik ben d'r heen gesloft. Mijn zusters tij is wel gekenterd, ze heeft een rijke knaap geënterd, z'is er netjes mee getrouwd, 'k g'loof wel, dat ze van 'm houdt.
|
Aan stuurboord kreeg 'k een jonge dame, die had, ze moest zich toch wat schamen, een kuildek vóór en op haar rug, wie heeft daar nou van terug? Aan bakboord zat zo'n zure ouwe, de man, die daarmee wou gaan trouwen, bleef nooit schipper op zijn schip, nog geen dag van heel de trip! |
| Och, de vent is niet onaardig, maar hij lijkt niet erg zeewaardig met zo'n fietsbril op zijn scheg, hij smijt, als een soort van dreg van die slappe dunne benen hier en daar zoo'n beetje henen. Hij 's niet kwaad en zoals 't hoort in zijn huis kap'tein aan boord!
|
'k Denk wel, dat ze mij een vlerk vond, want daar mijn winch op dubbel werk stond, schoot mijn laadboom met zijn top willig langs de hare op! Een klap soep, die tegen dek sloeg en een jurk, die toen een vlek droeg werden oorzaak van veel hoos, mens, wat keek die ouwe boos! |
| Tegen zessen viel ik binnen, maar vóór 't laden kon beginnen moest ik worden ingeklaard, nou, dat was de moeite waard! Ze noemden het "introduceren", dus ik mocht nog lang niet meren aan de steiger met vermouth, met de port en ander goed.
|
Daarna kwam de stukgoedlading, maar die was niet van mijn gading, telkens maar zo'n kleinigheid, daar raak ik het zicht op kwijt! En hoe 'k ook zat aan te pakken, 't schip wou nog geen vijf voet zakken, 't onderruim kwam lang niet vol en mijn tussendek bleef hol. |
| Ik moest steeds drie voet verhalen en ik hoorde veertien malen uit mijn zwagers mond een naam, ook veertien keren "aangenaam". 'k Zei op 't laatst: "Zeg vrind, ik hunker naar een volle oliebunker, breng me alsjeblieft langszij, dan zet ik de pomp wel bij!"
|
Nee, geef mij maar liever spek hoor, want nou hieuwde ik de slack door van mijn gordel na 't diner en die gaf een heel eind mee voor hij eindelijk goed stijf stond; als ik steeds zo'n slap bedrijf vond, werd ik stellig opgelegd, want dan was de vaart te slecht. |
| Met het bunk'ren van de sherry, kreeg ik nog een beetje herrie, ik verslikte me, o mens, en mijn hele pomp sloeg lens! "Foei meneer, u laat me schrikken, 'k was heus bang dat u zou stikken!" sprak een dame zeer nerveus, maar ik zei: "Kom, dacht u heus?
|
Toen 'k de luiken al haast dicht had, kwam er juist op tijd bericht dat nog een prauw, met ijs bevracht, bij de ijskast werd gebracht. 'k Ging het laden dus hernieuwen en die rommel overhieuwen, maar dat glibberige ijs viel me drie keer uit de hijs! |
| Nee juffrouw, ik ben een taaië en zo gauw niet naar de haaien!" 'k Riep: "Zus maak torn toe*) m'n kind, 'k voel me onstabiel, ik vind, dat mijn dieptank op moet lopen en al mijn luiken liggen open," waarna de soep op tafel kwam, die ik daad'lijk overnam! |
't Viel steeds net als ik 't voorgaats
had, zeer tot schrik van wie er naast zat: de bakboordsbuurvrouw keek zó woest, of zij de claims betalen moest! 'k Riep toen: "Proost, lang zul je leven!" 'k Heb 't vertreksein maar gegeven: Anker op en vol vooruit, stoomde ik de voordeur uit! |
*) torntoe = (onderhouds)werkzaamheden buiten de wachturen.